Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ0289

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
C05/138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

terugbetaling studiekostenschuld,

[de werkneemster] beroept zich op het arrest HR 10 juni 1983, NJ 1983,796 en betoogt dat in het onderhavige geval dezelfde benadering op zijn plaats is. Het hof ver-werpt dat standpunt. In voormeld arrest ging het om een situatie waarin een werknemer ver-plicht was om tijdens werktijd een opleiding te volgen en betrof het de terugbetaling van het over die studieperiode genoten loon. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 113
RAR 2007, 6

Uitspraak

Uitspraak: 22 september 2006

Rolnummer: 05/138

Zaaknummer rechtbank: 546477/04/471

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[DE WERKNEEMSTER],

wonende te X,

appellante,

hierna te noemen: [de werkneemster],

procureur: mr. E.H. de Milliano-Machielse,

tegen

LTB ADVISEURS EN ACCOUNTANTS B.V.,

gevestigd te Haarlem, (mede) kantoorhoudende te Berkel en Rodenrijs,

geïntimeerde,

hierna te noemen: LTB,

procureur: mr. E. Grabandt.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 29 december 2004 is [de werkneemster] in hoger beroep gekomen van het von-nis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, onder voor-meld zaaknummer gewezen tussen partijen en (behoudens de uitspraakdatum geheel ge-lijkluidend) uitgesproken op zowel 1 ok-tober 2004 als 29 oktober 2004 (hierna: het vonnis).

Bij memorie van grieven heeft [de werkneemster] één grief tegen het vonnis aangevoerd, die door LTB bij memorie van antwoord tevens akte houdende akte overlegging produc-ties [hof: dit zijn de processtukken in eerste aanleg] zijn bestreden.

Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals in het vonnis onder het kopje "De vaststaande feiten" sub a. t/m f. vermeld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestre-den.

2. Het gaat, kort gezegd, om het volgende.

2.1. [de werkneemster] is op 1 oktober 2000 in dienst getreden van LTB als belastingassistente tegen een aanvangssalaris van € 2.268,90 bruto per maand.

2.2. Op 31 december 2002 is de ar-beidsovereenkomst op initiatief van [de werkneemster], die an-der werk had gevonden, beëin-digd.

2.3. De salarisspecificatie van december 2002 (tevens eindafrekening) vermeldt on-der meer een bruto maand-salaris van € 2.695,= en een bruto eindejaarsuit-ke-ring van € 2.315,94.

2.3. Bij haar indiensttreding wenste [de werkneemster] haar reeds begonnen studie tot Federatie Belastingadviseur voort te zetten. Zij heeft LTB verzocht om toepassing van de aan haar ter hand gestelde studiefaciliteitenregeling middels haar schriftelijke aanvraag van 10 november 2000. Blijkens haar brief van 30 november 2000 heeft LTB dit ver---zoek ingewilligd en aangegeven dat [de werkneemster] de door haar vanaf 1 september 1998 gemaakte studiekosten middels het daartoe bestemde declaratieformulier kon de-cla--reren.

2.4. [de werkneemster] heeft tijdens haar dienstverband bij LTB op de volgende data de volgen-de studiekosten gedeclareerd:

a. 18 december 2000 € 2.333,02

b. 15 januari 2001 € 1.522,25

c. 6 april 2001 € 1.020,55

d. 5 juli 2001 € 80,32

e. 8 januari 2002 € 1.563,27

Totaal € 6.519,41

Voormelde bedragen hebben blijkens de betreffende declaraties uitsluitend betrek-king op inschrijfgeld, cursus-geld, examengeld, boekengeld en reiskosten, en zijn door LTB aan [de werkneemster] uitbetaald.

Het hierboven sub a. genoemde be-drag betreft de door LTB van [de werkneemster] over-geno-men "oude" studieschuld bij haar voor-malige werkgever.

2.5. In artikel 8 lid 1 van de door LTB gehanteerde studiefaciliteitenregeling is met betrekking tot de terugbetaling van de gefinancierde studiekosten als volgt bepaald:

"Bij beëindiging van het dienstverband is de werknemer verplicht de door de werkgever verstrekte vergoedingen, waaronder ook eventuele overgenomen studieschulden van een vorige werkgever gerekend worden, in het kader van deze regeling terug te betalen:

- voor de werknemer die een module/diploma heeft gehaald, voor de in de 3 direct voor-af-gaande jaren ontvangen vergoeding(en),

- voor de werknemer die zijn studie heeft beëindigd zonder het behalen van een module/di-plo-ma, voor de in de 4 direct voorafgaande jaren ontvangen vergoeding(en)."

2.6. Voornoemde uitbetalingen van LTB bedragen in totaal € 6.519,41. Bij het einde van het dienstverband heeft LTB blijkend de salarisspecificatie van december 2002 in totaal € 5.115,85 verrekend met de eindafre-ke-ning. LTB heeft [de werkneemster] bericht dat zij het resterende bedrag ad € 1.413,56 kwijtscheldt (het hof neemt aan dat hier een reken- of typefout is gemaakt en dat is bedoeld € 1.403,56).

2.7. [de werkneemster] heeft tegen voormelde verrekening geprotesteerd.

2.8. In eerste aanleg vorderde [de werkneemster] terugbetaling van het verrekende bedrag en vergoeding van buitengerechtelijke kosten met nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en [de werkneemster] in de proceskosten veroordeeld.

3. De grief van [de werkneemster] luidt als volgt:

"De grief van [de werkneemster] luidt, dat de kantonrechter wel de zaak heeft willen beoordelen aan de hand van de criteria van het arrest Muller/Van Opzeeland (HR 10 juni 1983, NJ 1983,796), maar dat de kantonrechter de lijn van dat arrest in de loop van het vonnis heeft losgelaten. Anders gezegd is het de bedoeling van [de werkneemster] dat uw Hof het hele geschil opnieuw beoor-deelt."

4. Het hof overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat [de werkneemster] met betrekking tot de toe-passelijkheid en de inhoud van de studiefaciliteitenregeling door LTB - voorafgaand aan haar eerste declaratie in het kader van die regeling - voldoende is geïnfor-meerd.

4.2. Gesteld noch gebleken is dat het salaris van [de werkneemster] bij haar indiensttreding niet was afgestemd op haar kennis en ervaring op dat moment, zodat het er voor moet worden gehouden dat daarin reeds de vruchten van haar studie voorafgaand aan dat moment wa-ren verdisconteerd.

4.3. Voorts staat tussen partijen vast dat [de werkneemster] door het na haar indiensttreding bij LTB vervolgen van de betref-fen-de studie niet alleen het belang van LTB doch ook haar eigen belang heeft ge-diend.

4.4. Door [de werkneemster] zijn in hoger beroep geen nadere feiten of omstandigheden gesteld ten aanzien van de redenen voor en de omstandigheden waaronder het dienst-ver-band - op verzoek van [de werkneemster] - is beëindigd. Ter zake is door haar ook geen (aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen beantwoordend) bewijsaanbod gedaan. Het hof neemt dan ook over het oordeel van de rechtbank ter zake, inhoudend dat niet is komen vast te staan dan de beëindiging zonder meer aan LTB verwijtbaar is dan wel voor haar risico komt, en maakt dit tot het zijne.

4.5. [de werkneemster] beroept zich op het arrest HR 10 juni 1983, NJ 1983,796 en betoogt dat in het onderhavige geval dezelfde benadering op zijn plaats is. Het hof ver-werpt dat standpunt. In voormeld arrest ging het om een situatie waarin een werknemer ver-plicht was om tijdens werktijd een opleiding te volgen en betrof het de terugbetaling van het over die studieperiode genoten loon. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

4.6. Anders dan LTB heeft aangevoerd, is in de onderhavige studiekostenregeling geen sprake van een glijdende schaal voor de terugbetaling naar mate LTB profijt heeft van de gevolge opleiding. Immers, onweerspro-ken is gebleven dat de door [de werkneemster] in het kader van de onderhavige opleiding ver-worven kennis direct bruikbaar was ten behoeve van LTB en haar cliëntele, en dus van direct profijt door LTB, ter-wijl er een alles-of-niets-termijn van (in dit geval) vier jaar per afzonderlijke declara-tie van toepassing is.

4.7. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is het in dit geval naar het oordeel van het hof niet in strijd met de goedwerkgeversverplichting, dan wel naar maatsta-ven van rede-lijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, om de van de voormalige werk-gever overgenomen studiekostenschuld ad € 2.333,02 ruim twee jaar na het over-nemen daarvan geheel terug te vorderen.

4.8. Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen en gelet op het feit dat onduidelijk is gebleven of de kwijtschelding van het bedrag van € 1.403,56 al dan niet (mede) betrek-king heeft op de van de voormalige werkgever overgenomen studiekosten-schuld, is het in dit geval naar het oordeel van het hof evenmin in strijd met de goed-werkgeversverplichting, dan wel naar maat-----sta-ven van rede-lijkheid en billijkheid on-aan-vaardbaar, om van de hierboven sub 2.4. onder a. t/m e. genoemde bedragen uiteindelijk in totaal € 5.115,85 terug te vorderen. Daarbij is in aanmerking genomen dat - uitgaande van volledige terugbe-ta-ling van de van de voormalige werkgever overgenomen studiekostenschuld - de facto van de sub b. t/m e. genoemde bedra-gen (zijnde tezamen € 4.186,39) als gevolg van het kwijtgescholden bedrag van € 1.403,56 niet meer dan in totaal € 2.782,83, ofwel 66,5%, is verhaald. Voorts is daarbij in aanmerking genomen dat, zoals blijkt uit de betreffende decla-ra-ties, de be-dragen sub b. en e. betrekking hebben op cursus-peri-oden die op het mo-ment van declareren voor een niet te verwaarlozen gedeelte nog niet waren ver-stre-ken, zodat op dat moment in zoverre nog niet van enig nut voor LTB kan worden ge-sproken. Voorts is de omvang van het verrekende bedrag in re-la-tie tot het bruto maandsalaris en de eindejaarsuitkering, alsmede de relatief korte periode tussen de declaraties en het einde van het dienstverband in aan-mer-king genomen.

4.9. De rechtbank heeft derhalve de vordering van [de werkneemster], zij het op andere gronden dan het hof in aanmerking neemt, terecht afgewezen, zodat de grief faalt. Het op 1 oktober 2004 uitgesproken vonnis van de rechtbank zal worden bekrach-tigd.

4.10. [de werkneemster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kos-ten van het geding in hoger beroep als hierna vermeld. Voor toewijzing van buiten-ge-rech-telijke kosten aan LTB is in het kader van deze procedure geen plaats.

4.11. Het hof zal het op 29 oktober 2004 uitgesproken vonnis - dat blijkens de door LTB niet weer-sproken visie van [de werkneemster] op een "omissie" van de griffie van de recht-bank berust - vernietigen om te voorkomen dat beide, inhoudelijk geheel gelijk-lui-den-de, vonnissen naast elkaar blijven bestaan.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen en op 1 oktober 2004 uitgesproken vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam;

- veroordeelt [de werkneemster] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak [de werkneemster] de zijde van LTB begroot op € 244,= aan verschotten en € 632,= aan salaris procureur;

- vernietigt het tussen partijen gewezen en op 29 oktober 2004 uitgesproken vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Beyer-Lazonder, M.H. van Coeverden en

M.J. van der Ven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2006 in aanwezigheid van de griffier.