Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY9924

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
2200754605
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest inzake AIVD-tolk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 310

Uitspraak

Rolnummer: 22-007546-05

Parketnummer: 10-000263-04

Datum uitspraak: 12 oktober 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Tussenarrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 14 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in [adres detentie].

Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de regiezitting in hoger beroep van dit hof van 28 september 2006.

De raadslieden van de verdachte hebben bij brief van 15 september 2006 verscheidene verzoeken gedaan, zulks in aanvulling op de op grond van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering d.d. 22 december 2005 ingediende schriftuur. De advocaat-generaal heeft hierop schriftelijk gereageerd bij faxbericht van 18 september 2006.

Ter regiezitting in hoger beroep hebben de raadslieden hun verzoeken en de advocaat-generaal zijn reactie (nader) toegelicht.

Ter regiezitting in hoger beroep heeft het hof bepaald dat op die verzoeken bij tussenarrest van heden zal worden beslist.

1. Vooraf

De ter regiezitting door de verdediging gedane en toegelichte verzoeken vinden in de visie van de verdediging hun grondslag in de beperkingen waarmee zij in deze strafzaak geconfronteerd is en wordt. Daarbij gaat het allereerst om het overleg tussen de verdachte en zijn raadslieden en hun mogelijkheden een zelfstandig onderzoek te doen. Vervolgens om het horen van medewerkers van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als getuigen en om de kennisneming van de inhoud van de in de tenlastelegging genoemde, gedeeltelijk zwart gemaakte en aldus gecensureerde documenten. Ten slotte is de gang van zaken bij het door de AIVD gehouden (interne) onderzoek naar het aan derden verstrekken van die documenten van belang. Volgens de verdediging leveren deze beperkingen, temeer in hun samenhang bezien, een onaanvaardbare belemmering op van haar mogelijkheden om voor de verdachte belastende gegevens op hun betrouwbaarheid te toetsen en om onderzoek te doen naar alternatieve, de verdachte ontlastende scenario’s voor de wijze waarop derden in het bezit zijn gekomen van vorenbedoelde documenten.

Bij de beoordeling van deze verzoeken heeft het hof zich er rekenschap van gegeven dat in deze strafzaak een bijzondere spanning bestaat tussen fundamenteel tegenstrijdige belangen. Enerzijds zijn er de verdedigingsbelangen om alle relevante (ook ontlastende) gegevens aan het licht te brengen en voor de verdachte belastende gegevens op hun betrouwbaarheid te toetsen. Anderzijds zijn er de belangen van staatsveiligheid die gemoeid zijn met de geheimhouding van gegevens die onder de AIVD berusten. De spanning tussen deze belangen is op zichzelf niet nieuw. Zij manifesteert zich in beginsel steeds in de gevallen waarin gegevens van de AIVD een rol spelen in een strafproces. Het bijzondere van de strafzaak tegen de verdachte is dat hem wordt verweten dat hij als AIVD-medewerker zijn ambtsplicht heeft geschonden door staatsgeheime gegevens aan derden te verstrekken. Nadat was gebleken dat documenten van de AIVD in verkeerde handen waren gekomen, heeft de AIVD daarnaar een intern onderzoek verricht en vervolgens tegen de verdachte strafrechtelijke aangifte gedaan. Dat onderzoek vond plaats in een omgeving die ‘bol’ staat van staatsgeheimen, namelijk het kantoor van de AIVD. Op grond van zijn eigen taak en verantwoordelijkheid bepaalt de AIVD in feite welke voor de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte mogelijk relevante gegevens – gelet op de belangen van staatsveiligheid – al dan niet in de strafzaak kunnen worden ingebracht.

In zoverre heeft de AIVD, terwijl hij aangever is, vanuit zijn eigen taak en verantwoordelijkheid – buiten het zichtveld en bevoegdheid van de rechters en procesdeelnemers - ook vergaande invloed op de inhoud van het strafdossier. De eigen taak en verantwoordelijkheid van de AIVD, zoals aan deze dienst toebedeeld bij de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002, brengen immers mee dat de vraag, of onder de AIVD berustende gegevens in verband met de belangen van staatsveiligheid geheim dienen te blijven, bij uitsluiting van de rechter ter beantwoording aan de AIVD zelf is. In dit verband kan worden gewezen op het bepaalde bij artikel 15 Wiv 2002, op grond waarvan de hoofden van diensten verantwoordelijk zijn voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en van de bronnen waaruit die gegevens afkomstig zijn, alsmede op de geheimhoudingsplichten van de artikelen 85 en 86 Wiv 2002 die tot uitgangspunt hebben dat het aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is (en uiteindelijk aan de daarvoor verantwoordelijke ministers) om te bepalen in hoeverre in strafzaken door de betrokken ambtenaren van deze diensten verklaringen worden afgelegd. Deze uitgangspunten liggen ook ten grondslag aan de eerdaags in werking te treden Wet afgeschermde getuigen, waarin aan de afgeschermde getuige zelf de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid wordt gegeven ten aanzien van de vraag of zijn verklaring aan het strafprocesdossier mag worden toegevoegd.

Tegen deze achtergrond zal het hof bij de eindbeoordeling de vraag moeten beantwoorden of - de gehele procedure en de daarbij opgetreden beperkingen van de verdedigingsrechten in aanmerking nemend – de verdachte een eerlijk proces heeft gehad. Daarbij kan dan tevens een rol spelen de mate waarin plausibel is geworden dat de terughoudendheid bij het verstrekken van informatie inderdaad door de door de dienst te behartigen belangen geboden is. Aarzeling over de noodzaak daarvan kan de rechter aanleiding geven dit aan de orde te stellen.

2. Geheimhoudingsplicht verdachte en raadslieden

De verdediging heeft het hof verzocht zich uit te laten omtrent de reikwijdte van de uit de Wiv 2002 voortvloeiende geheimhoudingsplicht en omtrent de noodzaak van vrijwaring van strafvervolging. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de op de verdachte – en in diens verlengde op zijn raadslieden - rustende wettelijke geheimhoudingsplicht niet alleen een belemmering vormt voor een vrij en vertrouwelijk overleg tussen de verdachte en zijn raadslieden doch tevens voor het gebruiken en aldus naar buiten brengen van informatie voor eigen onderzoek door de raadslieden. De door de AIVD onder voorwaarden verleende ontheffing van die geheimhoudingsplicht biedt naar stelling van de verdediging geen dan wel onvoldoende soelaas.

Het hof verstaat dit verzoek van de verdediging aldus, dat wordt beoogd dat het hof - vooruitlopend op de eindbeoordeling van de procedure als hiervoor onder 1 vermeld - thans bepaalt dat het openbaar ministerie de verdachte en diens raadslieden dient te vrijwaren van strafvervolging indien zij staatsgeheime informatie zouden onthullen, zo het hof al van oordeel zou zijn dat op de verdachte en diens raadslieden in het kader van de onderhavige strafzaak bedoelde geheimhoudingsplicht rust.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De geheimhoudingsverplichting op grond van de Wiv 2002 kent slechts de in die wet genoemde uitzonderingen.

Dit brengt met zich dat voor de situatie waarin de verdachte zich thans bevindt slechts de weg van artikel 86 lid 1 van voormelde wet openstaat. De belangen van staatsveiligheid, die de Wiv 2002 en de artikelen 98 en volgende van het Wetboek van Strafrecht beogen te beschermen, staan aan een volledige ontheffing van de geheimhoudingsverplichting zoals door de verdediging gewenst, alsmede aan een door het openbaar ministerie te verlenen vrijwaring van strafvervolging terzake onthulling van staatsgeheimen in de weg. Het is evident dat bedoelde geheimhoudingsverplichting een beperking vormt van het – anders geheel - vrije en vertrouwelijke overleg tussen de verdachte en zijn raadslieden en dat deze – zo zij onverkort van kracht zou zijn - aan een eerlijk proces in de weg zou staan.

In casu is verdachte op de voet van laatstgemeld artikel van de Wiv 2002 onder voorwaarden door de AIVD ontheven van die verplichting, zoals ook zijn beide raadslieden. De aan die ontheffing gekoppelde voorwaarden, die alle betrekking hebben op belangen van staatsveiligheid in relatie tot belangen van de verdediging in de onderhavige strafrechtelijke procedure, komen het hof in het kader van de belangen van staatsveiligheid niet onredelijk en in het kader van het verdedigingsbelang niet onwerkbaar voor. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen enerzijds dat de verdediging desgevraagd slechts een hypothetisch geval van belemmering naar voren heeft gebracht en anderzijds dat op basis van het dossier vaststaat dat, nadat de verdachte onder vermelding van voornamen van medewerkers van de AIVD een tweetal onderzoeksrichtingen had aangegeven, de rijksrecherche ook is overgegaan tot het horen van betrokkenen, die vervolgens ook door de verdediging in het kader van een getuigenverhoor door de rechter-commissaris konden worden bevraagd.

Tot slot geldt dat aan de verdachte en de verdediging, wanneer zij menen dat de ruimte waarover zij middels voormelde ontheffing beschikken niet voldoende is voor het voeren van een verdediging die aan de eisen van het EVRM voldoet en zij mitsdien naar eigen inschatting zijn/hun geheimhoudingsverplichting verder menen te moeten doorbreken dan de ontheffingsvoorwaarden toelaten, een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond, te weten het belang van een behoorlijke verdediging in de zin van artikel 6 EVRM. De advocaat-generaal heeft ter zitting van 28 september 2006 toegezegd dat niet tot vervolging zal worden overgegaan, wanneer een eventuele schending van de geheimhoudingsplicht door de verdachte - en naar het hof aanneemt eveneens door diens raadslieden - gerechtvaardigd is door een beroep op artikel 6 EVRM.

3. Gecensureerde documenten

De verdediging heeft het hof verzocht het openbaar ministerie te bevelen de in de tenlastelegging genoemde documenten in ongecensureerde vorm aan het dossier toe te voegen, dan wel te gelasten dat aan het hof en aan de procesdeelnemers inzage in de ongecensureerde documenten wordt verleend. De advocaat-generaal heeft zich tegen inwilliging van dit verzoek verzet en verklaard dat de AIVD op grond van de belangen van staatsveiligheid niet bereid is de bedoelde documenten in ongecensureerde vorm aan het dossier te doen toevoegen of daarin inzage te verlenen.

Zoals hiervoor overwogen is het de AIVD die op grond van zijn eigen taak en verantwoordelijkheid de zeggenschap heeft ten aanzien van de vraag welke voor de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte mogelijk relevante documenten en gegevens – gelet op de belangen van staatsveiligheid – al dan niet in de strafzaak kunnen worden ingebracht. Op basis van deze kwaliteit van de AIVD en gegeven het in deze door de advocaat-generaal verwoorde standpunt van de AIVD, is het niet de competentie van het hof om anderszins te beslissen.

Gelet evenwel op de belangen van de verdediging om haar standpunt te bepalen over de vraag of en in hoeverre de bedoelde documenten als staatsgeheimen zijn aan te merken en gelet op de noodzaak voor het hof om het staatsgeheime karakter van deze documenten te beoordelen, kan naar het oordeel van het hof wel van de AIVD worden verlangd om – zonder prijsgeven van geheime informatie – per gecensureerde passage in de documenten aan te geven om welk type informatie de passage handelt en welk belang van staatsveiligheid in concreto bij censurering in het geding is, zodat inzichtelijk wordt op welke wijze met het bekendmaken van de gecensureerde tekst de staatsveiligheid wordt bedreigd.

Aan de advocaat-generaal zal worden verzocht daartoe een ambtsbericht van de AIVD in het geding te brengen alsmede een proces-verbaal van verifiëring van de landelijk officier van justitie terreurbestrijding. Voorts zal aan de advocaat-generaal worden verzocht een ambtsbericht van de AIVD in het geding te brengen, waarin per document wordt aangegeven welke rubricering van staatsgeheim (zeer geheim, geheim of confidentieel) aan de onderscheiden documenten wordt gegeven, waarbij – zo mogelijk – ware aan te geven waarop die rubricering berust. Naar ’s hofs oordeel is het niet noodzakelijk de getuigen [plaatsvervangend hoofd van de AIVD] en [beveiligingsambtenaar bij de AIVD] daarover opnieuw te bevragen.

4. Het interne onderzoek van de AIVD

De verdediging heeft het hof verzocht het openbaar ministerie op te dragen het rapport inzake het interne onderzoek van de AIVD in de onderhavige zaak aan het dossier toe te voegen. De verdediging wenst de betrouwbaarheid van het uit dat onderzoek verkregen materiaal te toetsen en de gelegenheid te hebben te bezien of ontlastend materiaal uit dat onderzoek ten onrechte niet aan het strafdossier is toegevoegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof gaat er van uit dat het verzoek van de verdediging alle onderzoek betreft, dat door de AIVD is verricht nadat bekend was geworden dat een derde, te weten Hassan Oubisdass, beschikte over het weekrapport "stand van zaken week 31". Of dit interne onderzoek in een rapport is neergelegd, kan overigens uit het dossier niet blijken. In het dossier bevinden zich aangiftes van de AIVD, gegrond op dat onderzoek.

Vooropgesteld moet worden, dat het verzoek van de verdediging niet ziet op onder het openbaar ministerie berustende stukken als bedoeld in artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering; geen van de procesdeelnemers is van de inhoud van het interne onderzoek op de hoogte, uitgezonderd hetgeen hieromtrent door getuigen is verklaard en in bedoelde aangiftes is neergelegd. Van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ is dan ook geen sprake.

Nog afgezien van de vraag of de AIVD, gelet op zijn hierboven onder 1 reeds beschreven taak en verantwoordelijkheid, bereid zou zijn het rapport dan wel schriftelijke stukken betreffende zijn interne onderzoek aan het openbaar ministerie ter hand te stellen ter voeging in het dossier, dient de vraag te worden beoordeeld of deze stukken, niet afkomstig van een opsporingsinstantie, redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de verdediging.

De verdediging heeft in de onderhavige zaak niet, laat staan onderbouwd, aangevoerd dat het door de AIVD in het kader van zijn interne onderzoek verzamelde materiaal onrechtmatig verkregen of onbetrouwbaar is, slechts dat de door de dienst verstrekte documenten en informatie door de rijksrecherche en vervolgens het openbaar ministerie voor zoete koek zijn aangenomen en niet kunnen worden getoetst. Het hof is voorshands van oordeel – zonder daarbij te willen vooruitlopen op zijn eindbeslissing omtrent de in de laatste alinea onder 1. vermelde vraag - dat toetsing van voormeld materiaal mogelijk is aan de hand van de verklaringen van de bevraagde getuigen, zij het ten aanzien van de medewerkers van de AIVD ten gevolge van hun geheimhoudingsplicht met enige beperking.

De verdediging heeft in het kader van dit verzoek voorts nog aangevoerd dat haar is gebleken dat door de AIVD de verdachte ontlastend materiaal inzake door hem verrichte computerbewegingen is achtergehouden. De verdediging doelt daarbij op verslaglegging omtrent de kennelijk negatieve resultaten van het onderzoek dat is gedaan naar de vraag of door de verdachte ook computerhandelingen zijn verricht ten aanzien van andere gelekte documenten, dan waaromtrent in het dossier van computerhandeling door de verdachte wordt gerept.

Omtrent het onderzoek naar de computerbewegingen van de verdachte en hetgeen dat onderzoek heeft opgeleverd, is de ICT-medewerker bij de AIVD die bedoeld onderzoek heeft verricht, als getuige 05/20040094 bevraagd, zodat ook ten aanzien van dat onderzoek en de daaruit verkregen gegevens in belastende en ontlastende zin toetsing mogelijk is geweest.

Dat door de AIVD dan wel door het openbaar ministerie anderszins de verdachte ontlastende gegevens worden achtergehouden, wordt door de verdediging niet gesteld.

Indien bij het (verdere) interne onderzoek van de AIVD (op grond van het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie) zou zijn gebleken dat de eerder door de dienst aan het openbaar ministerie verstrekte informatie (gedeeltelijk) onjuist was geweest, had de dienst – mede gelet op het bepaalde in artikel 43 van de Wiv 2002 – het openbaar ministerie daarvan op de hoogte dienen te stellen. Zulks is niet gebeurd; het hof heeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de AIVD zijn plicht in dezen heeft verzaakt.

Waar er tot nu toe geen enkel aanknopingspunt is om aan te nemen dat het zich in het dossier bevindende relevante materiaal onbetrouwbaar is of dat daaraan ontlastende onderzoeksgegevens ontbreken, dient het verzoek om de uitkomsten van het interne AIVD-onderzoek aan het dossier toe te voegen, te worden afgewezen.

In het verband van het verwijt dat de rijksrecherche de resultaten van het onderzoek van de AIVD voor zoete koek heeft aangenomen, stelt de verdediging dat - anders dan uit het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel 11 zou kunnen worden opgemaakt - het niet de rijksrechercheur [rijksrechercheur] zelf is geweest die de in het bureau van de verdachte in het kantoor van de AIVD aangetroffen kopie van het tapgesprek van 12 januari 2004 op een sterke lamp heeft gelegd, maar (een medewerker/medewerkers van) de AIVD. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

Nauwkeurige lezing van het desbetreffende proces-verbaal leidt het hof tot de conclusie dat op grond van de bewoordingen van dit relaas en in het bijzonder de tekst “… is op een sterke lamp gelegd waaronder de gewitte tekst zichtbaar werd…” niet kan worden vastgesteld, of het de rijksrecherche is geweest, die dit onderzoek heeft verricht. Waar uit het getuigenverhoor van [rijksrechercheur] ‘slechts’ blijkt dat deze alle gelekte stukken, behoudens de stand van zaken week 24, in ongecensureerde vorm heeft gezien, acht het hof het noodzakelijk dat rijksrechercheur [rijksrechercheur] in een nader proces-verbaal relateert met betrekking tot welke gelekte documenten de rijksrecherche zelf onderzoekshandelingen heeft verricht en wat de aard van die onderzoekshandelingen is, zoals bijvoorbeeld het tegen het licht houden als voormeld of het vergelijken van bij derden aangetroffen teksten met al dan niet middels de computer van de verdachte bewerkte originele teksten afkomstig van de AIVD. Het hof is van oordeel dat – mocht de rijksrecherche de bedoelde onderzoekingen niet zelf hebben verricht – zulks alsnog zou moeten geschieden en dat van de uitkomsten van dat onderzoek zo nauwkeurig mogelijk onderbouwd (ook: beeld-) verslag dient te worden gedaan. Aan de advocaat-generaal zal worden verzocht van een en ander proces-verbaal te doen opmaken.

5. Aanvullende onderzoeken

De verdediging heeft verzocht nader onderzoek te doen verrichten naar het handschrift en de DNA sporen op de envelop die in de woning van [een derde] aan de [adres] te Utrecht is aangetroffen, in dier voege dat het handschrift en de DNA sporen zullen worden vergeleken met de handschriften en de DNA profielen van alle AIVD-medewerkers die als collega’s van de verdachte in de relevante periode werkzaam waren op de afdeling Contra Islamitisch Terrorisme.

Dit verzoek moet reeds afstuiten op de omstandigheid dat de AIVD-medewerkers niet bereid zijn op vrijwillige basis mee te werken aan zodanige onderzoeken, zoals ondubbelzinnig blijkt uit de brief van het plaatsvervangend hoofd van de AIVD aan de advocaat-generaal van 21 september 2006, terwijl strafvorderlijke dwang niet tot de mogelijkheden behoort nu geen dezer medewerkers als verdachte in de onderhavige strafzaak kan worden aangemerkt.

6. Getuigenverzoeken

Met betrekking tot de verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen moet worden voorop gesteld dat het hof bij de beoordeling daarvan heeft uit te gaan van de stand van het onderzoek en de resultaten daarvan tot dusver. Wat betreft de getuigen die AIVD-medewerkers zijn, is hun geheimhoudingsplicht ten aanzien van staatsgeheimen een gegeven dat onvermijdelijk ook bij de beoordeling moet worden betrokken.

De verdediging heeft het hof verzocht de in eerste aanleg door de rechter-commissaris met toepassing van artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als getuigen gehoorde AIVD-medewerkers opnieuw te (doen) horen. Daartoe is aangevoerd dat de wijze van verhoor van deze getuigen (grimering, afscherming in box, stemvervorming) afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging en dat zij door deze getuigen bovenmatig met een beroep op geheimhouding is geconfronteerd.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat de door de rechter-commissaris gekozen wijze van verhoor van deze getuigen niet geheel begrijpelijk voorkomt, nu het verhoor heeft plaatsgevonden in de beslotenheid van het kabinet van de rechter-commissaris en de verdachte als collega van de getuigen met hun identiteit bekend wordt verondersteld. Evenmin is het hof in alle gevallen inzichtelijk geworden hoe door sommige getuigen hun geheimhoudingsplicht is gehanteerd en welke rol de officier van justitie en rechter-commissaris daarbij hebben vervuld. Het is het hof overigens opgevallen dat de verdediging niet heeft nagelaten bij herhaling vragen aan deze getuigen te stellen waarvan evident is dat zij op een beroep op geheimhouding moesten afstuiten. Een en ander heeft onmiskenbaar enigermate afbreuk gedaan aan de kwaliteit van deze verhoren.

Het hof acht deze afbreuk evenwel niet van dien aard en ernst dat daardoor de noodzaak is ontstaan om deze getuigen opnieuw te (doen) horen noch dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces zodanig in gevaar is gebracht dat het verdedigingsbelang daartoe noopt. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken de inhoud van het geheel aan getuigenverklaringen, zoals bij de rechter-commissaris afgelegd, bezien in samenhang met de resultaten van het opsporingsonderzoek. Naar ’s hofs oordeel is er geen sprake van geweest dat aan het recht op ondervraging van belastende getuigen (in het bijzonder de getuige [beveiligingsambtenaar bij de AIVD]) in relevante mate te kort is gedaan. Met inachtneming van de beperkingen die de geheimhoudingsplicht van de getuigen nu eenmaal met zich brengt, is aan de verdediging - wat alle getuigen betreft – bovendien voldoende gelegenheid gegeven om onderzoek te doen naar voor de verdachte ontlastende gegevens, met welk doel de verdediging deze getuigen immers heeft voorgedragen.

Het hof overweegt in dit verband – ten overvloede – dat eerdaags de inwerkingtreding van de Wet afgeschermde getuigen te verwachten valt. De procedure die in deze regeling is voorzien biedt de rechter-commissaris de mogelijkheid om – buiten tegenwoordigheid van verdediging en openbaar ministerie – de AIVD-getuige te ondervragen over mogelijk ontlastende gegevens, op door de verdediging aangereikte vraagstelling. De verdediging heeft ter regiezitting echter kenbaar gemaakt géén heil in deze weg te zien.

Voorts heeft de verdediging verzocht de in eerste aanleg door de rechter-commissaris als getuigen gehoorde AIVD-leidinggevende mr. [plaatsvervangend hoofd van de AIVD], de landelijk officier van justitie terreurbestrijding [landelijk officier terreurbestrijding] en de rijksrechercheur [rijksrechercheur] opnieuw aan een verhoor te onderwerpen. Gelet op de thans voorliggende verklaringen van deze getuigen, acht het hof dit verzoek volstrekt onvoldoende gemotiveerd. Naar aanleiding van de door de verdediging gestelde relevante vragen hebben deze getuigen verklaringen afgelegd en voor zover de getuigen [plaatsvervangend hoofd van de AIVD] en [landelijk officier terreurbestrijding] zich op hun geheimhoudingsplicht hebben beroepen, komt het hof dat beroep bepaald niet onbegrijpelijk voor. Het hof acht derhalve niet de noodzaak aanwezig om deze getuigen opnieuw te (doen) horen. Hetzelfde heeft te gelden voor de getuige [X]. Dat de verdediging de betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen betwist, is volstrekt onvoldoende grond om hem opnieuw te horen. De inhoud van het dagbladartikel, waarin deze getuige beweerdelijk wordt geciteerd, levert - gelet op zijn eenduidige en eensluidende verklaringen ten overstaan van de rijksrecherche en van de rechter-commissaris - evenmin een omstandigheid op die daartoe noopt.

Voorts heeft de verdediging verzocht een aantal niet eerder gehoorde AIVD medewerkers alsmede [Y] als getuigen te horen. Gelet op de daarop gegeven toelichting heeft de verdediging daarbij voor ogen het aan het licht brengen van alternatieve, de verdachte ontlastende scenario’s voor het aan derden verstrekken van de in de tenlastelegging genoemde documenten, te weten: ‘lekken’ door (een) andere AIVD-medewerker(s) of ‘verstoring’ door de AIVD. Uit de verklaringen van de in eerste aanleg door de rechter-commissaris gehoorde getuigen kan weliswaar blijken dat die documenten veelal toegankelijk waren voor tientallen AIVD-medewerkers, maar in die verklaringen is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor zelfs een begin van plausibiliteit van die alternatieve scenario’s, zulks mede bezien in verband met de de verdachte belastende feiten en omstandigheden die in de door de rechtbank gebezigde bewijsconstructie zijn opgenomen en waarvoor de verdachte zelf tot dusver veelal geen verklaring heeft willen geven. Aldus acht het hof het verzoek ook in zoverre volstrekt onvoldoende gemotiveerd. Het hof is dan ook van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet oproepen van bedoelde getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.

7. ‘Verboden plaats’

In het ambtsbericht van het hoofd van de AIVD aan de landelijk officier van justitie terrorismebestrijding van 10 februari 2005 (proces-verbaal p. 897 e.v.) staat vermeld dat de kantoorgebouwen van de AIVD aangewezen zijn als ‘verboden plaats’ in de zin van de Wet bescherming staatsgeheimen. Het hof verzoekt de advocaat-generaal een afschrift van de desbetreffende ministeriële beschikking in het geding te brengen.

BESLISSING

Het hof:

Verzoekt de advocaat-generaal de ambtsberichten van de AIVD en het proces-verbaal van de landelijk officier van justitie terreurbestrijding, zoals bedoeld onder 3 (‘Gecensureerde documenten’), in het geding te brengen;

Verzoekt de advocaat-generaal het/de proces(sen)-verbaal, zoals bedoeld onder 4 (‘Het interne onderzoek van de AIVD’), door de rijksrecherche te doen opmaken;

Verzoekt de advocaat-generaal het afschrift van de ministeriële beschikking, zoals bedoeld onder 7 (‘Verboden plaats’), in het geding te brengen;

Stelt de stukken hiertoe in handen van de advocaat-generaal bij dit hof;

Wijst de verzoeken overigens af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. van Boven,

mr. G.P.A. Aler en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2006.