Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY9331

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
2200592304
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC9542, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC9542
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grootschalige faillissementsfraude. De verdachte heeft, zelfs na een rechterlijk bevel, aan de faillissementscurator belangrijke papieren onthouden en zijn vennootschappen belasting laten ontduiken. De verdachte heeft zich meester gemaakt van grote sommen die aan anderen toekomen. Dit alles is ontwrichtend in het zakenleven. Ook heeft de verdachte een stereoapparaat van een klant verduisterd. Het hof neemt de verdachte deze feiten zeer kwalijk. Hij is er lang mee doorgegaan en moet als zakenman hebben beseft wat hij anderen aandeed. Hierom dient een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk, te worden opgelegd. Verdachtes lang volgehouden tegenwerking van de faillissementscuratoren wijst erop dat de inkeer, waarvan hij ter terechtzitting heeft blijk gegeven, pas laat is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005923-04

Parketnummer(s): 11-006137-02

Datum uitspraak: 19 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 30 september 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 mei 2006 en 6 september 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, primair bepleit dat het openbaar ministerie niet- ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard omdat er stukken in het dossier ontbreken waardoor de verdediging niet alle door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen heeft kunnen toetsen. Subsidiair verzoekt de raadsman aanhouding van de zaak om het dossier te completeren met de ontbrekende stukken.

Het hof overweegt hierover als volgt. Naar het oordeel van het hof is ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie stukken, die van enig belang zouden kunnen zijn voor enige in deze strafzaak door het hof te nemen beslissing, aan het dossier heeft onthouden. Dit geldt te meer nu het hof op 24 juni 2005 met onmiddellijke ingang de voorlopige hechtenis van de verdachte heeft opgeheven en daarbij de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk heeft verzocht om deze, in de ogen van de verdediging, ontbrekende ontlastende stukken over te leggen, dan wel duidelijk te maken welke stukken dit zou betreffen. Vervolgens is de behandeling keer op keer aangehouden om tijd te gunnen voor het raadplegen van stukken bij de faillissementscuratoren. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep stukken overgelegd. Voor zover gebleken heeft de verdachte inmiddels alle gewenste stukken kunnen inzien ter voorbereiding van de verdediging.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek is het hof van oordeel dat ter terechtzitting in hoger beroep, in het verlengde van bovenstaande overwegingen, niet is gebleken dat een nieuwe aanhouding van de behandeling ter terechtzitting noodzakelijk is voor enige in deze strafzaak door het hof te nemen beslissing. Het hof verwerpt dan ook het verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn, in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ten gevolge van het tijdsverloop sedert de tenlastegelegde feiten, welke een aanvang vinden in 1998, terwijl de berechting in eerste aanleg pas op 16 september 2004 heeft plaatsgevonden, waarna op 30 september 2004 vonnis is gewezen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. De curator in het faillissement van [naam BV], [naam curator] heeft op 28 augustus 2001 aangifte gedaan van strafbare feiten, gepleegd bij het faillissement van [naam BV] Op 10 januari 2002 heeft de curator in he[naam BV 2]BV 2], [curator 2], aangifte gedaan van strafbare feiten gepleegd bij het faillissement van [naam BV 2]. De verdachte was bestuurder van beide rechtspersonen. De verdachte is op 9 april 2002 aangehouden en in verzekering gesteld. Het hof gaat bij de beoordeling van dit verweer uit van deze datum als aanvang van de redelijke termijn.

De behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg is op 25 maart 2004 aangevangen. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 30 september 2004. Naar het oordeel van het hof is het tijdsverloop tussen de aanhouding en de inverzekeringstelling op 9 april 2002 en het wijzen van het vonnis op 30 september 2004 niet zodanig geweest, dat gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van bovengenoemde verdragsbepaling. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen de complexiteit en de omvang van het opsporingsonderzoek, alsmede de aard van de gerezen verdenkingen met betrekking tot de rol van de verdachte bij de faillissementen.

Ambtshalve merkt het hof op dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep reeds op 17 juni 2005 is aangevangen, waarbij de behandeling diverse malen is aangehouden op verzoek van en in het belang van de verdediging, met name omdat de verdachte diverse malen van raadsman wisselde. Eventuele overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep kan enkel aan de verdachte worden toegerekend.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Wat feit 4 betreft merkt het hof het geschrift aan als bestemd om tot bewijs te dienen, omdat het, ingediend na een ambtshalve aanslag, was gegoten in de vorm van een aangifte.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrekken;

en:

Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde vervreemden;

en:

Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, in genoemd artikel bedoeld.

3: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

4: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5: Opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichtingen, niet, niet juist of niet volledig nakomen, meermalen gepleegd.

7: Verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte, die een schoon strafblad had, deed zaken in verschillende besloten vennootschappen. Toen de zaken slecht gingen, heeft hij maandenlang ruim EUR 90.000,- die aan de ene vennootschap moesten worden betaald, in een andere vennootschap geïnd en toen de leeggehaalde vennootschap laten failleren. Zo maakte hij de schuldeisers hun geld afhandig. De schuldeisers van een andere vennootschap heeft hij voor tonnen getild door in het zicht van faillissement alle voorraden over te doen aan een andere vennootschap voor een prijs die nog geen tiende was van zijn eigen opgave van de waarde, en zonder te betalen.

Hij heeft, zelfs na een rechterlijk bevel, aan de faillissementscurator belangrijke papieren onthouden en zijn vennootschappen belasting laten ontduiken. De verdachte heeft zich meester gemaakt van grote sommen die aan anderen toekomen. Dit alles is ontwrichtend in het zakenleven. Ook heeft de verdachte een stereoapparaat van een klant verduisterd.

Het hof neemt de verdachte deze feiten zeer kwalijk. Hij is er lang mee doorgegaan en moet als zakenman hebben beseft wat hij anderen aandeed. Hierom kan niet worden volstaan met een lichtere straf dan met een langdurige, deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Zijn lang volgehouden tegenwerking van de faillissementscuratoren wijst erop dat de inkeer, waarvan hij ter terechtzitting heeft blijk gegeven, pas laat is gekomen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van materiele schade als gevolg van het aan de verdachte onder 7 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.250,-. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt dat door de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet wordt betwist en dat de vordering op de wet is gegrond. De vordering zal derhalve worden toegewezen, met proceskosten.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 7 bewezenverklaarde feit aan [benadeelde partij] is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.250,- ten behoeve van de benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 36f, 57, 225, 321 en 343 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 69(oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 18 (oud) van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat een op 6 (zes) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van EUR 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij,

[benadeelde partij], [adres benadeelde partij], van een bedrag van EUR 1.250 (duizend tweehonderdvijftig euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning,

mr. J. Borgesius en mr. S.K. Welbedacht, in bijzijn van de griffier mr. J.P. Lahr.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 september 2006.