Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY9326

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
2200607304
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft diverse dieren voorhanden gehad welke hij de nodige zorg heeft onthouden. Al doende heeft de verdachte, die verantwoordelijk was voor het welzijn van de dieren, in strijd gehandeld met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die beoogt het toebrengen van pijn en leed aan dieren te voorkomen. Gebleken noch aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak misbruik heeft gemaakt van zijn zelfstandige beslissingsbevoegdheid om tot vervolging over te gaan op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering. Beroep op afwezigheid van alle schuld verworpen: Het hof acht het niet aannemelijk dat, indien de verdachte die dag zijn ronde wel had gemaakt, de situatie ter plaatse zodanig anders zou zijn geweest dat er geen strafbare feiten zoals bewezenverklaard zouden zijn vastgesteld. De worden teruggegeven aan de verdachte, nu zij zich bij de inbeslagneming in een goede conditie bevonden, er thans een nieuwe ruimere locatie is waar de dieren gehuisvest zullen kunnen worden en waar, indien de juiste maatregelen worden getroffen en de verdachte in een goed onderhoud voorziet, een goede verzorging mogelijk is.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006073-04

Parketnummer(s): 11-015353-04

Datum uitspraak: 19 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Dordrecht van

4 oktober 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

22 juni 2005 en 6 september 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 5.000,- subsidiair 100 dagen hechtenis waarvan EUR 2.500,- subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met beslissing omtrent het beslag als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard, omdat het openbaar ministerie misbruik heeft gemaakt van zijn vervolgingsbevoegdheid, nu het van de Algemene Inspectie Dienst opdracht gekregen heeft het buitenwettelijke beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te doen handhaven.

Voorts heeft de raadsman in zijn pleitnota aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard, nu er sprake is van een verkapt appel tegen de beslissing van de rechter in Dordrecht in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raadkamer.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Naar het oordeel van het hof is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken noch aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak misbruik heeft gemaakt van zijn zelfstandige beslissingsbevoegdheid om tot vervolging over te gaan op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering. Voor het bestaan van de gestelde opdracht vindt het hof geen aanwijzing.

Voorts is het hof, gelet op de appelakte d.d. 14 oktober 2004 en de appelmemorie d.d. 21 oktober 2004 van oordeel dat het hoger beroep van het openbaar ministerie zich richt tegen alle door de politierechter genomen beslissingen, waaronder de beslissing tot verbeurdverklaring. Een verkapt beroep tegen een andere beslissing is hierin niet te lezen.

Het hof verwerpt de verweren op de gronden zoals hierboven aangegeven. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Onrechtmatig verkregen bewijs

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat al het bewijs onrechtmatig is verkregen, nu niet is gebleken van enig redelijk vermoeden van schuld tegen de verdachte ten tijde van diens aanhouding.

Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens het proces-verbaal van de Politie Zuid-Holland-Zuid d.d. 10 januari 2004, dossiernummer [nummer] opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, herkende [naam] brigadier van politie, naar aanleiding van een televisie-uitzending over een wolvenopvangcentrum, het erf van de verdachte als de locatie waar de opnames waren gemaakt. Bovengenoemde opsporingsambtenaar heeft ter plaatse vervolgens tenminste één levende wolf aangetroffen. Na contact van de Algemene Inspectiedienst met bureau LASER, afdeling Cites, bleek dat er bij deze instanties geen informatie bekend was omtrent het verblijf van wolven, zijnde een beschermde diersoort, ter plaatse, hetgeen heeft geleid tot een onderzoek naar de naleving door de verdachte van de wettelijke voorschriften. Daarbij is de verdenking gerezen van tal van wetsovertredingen. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden tegen de verdachte ten tijde van diens aanhouding op 3 december 2003 een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van het voorschrift gesteld bij

artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld omdat het onderzoeksteam is opgetreden voordat hij zijn dagelijkse verzorgingsronde langs de dierenverblijven heeft kunnen maken. Indien hij dit wel had kunnen doen zou er geen strafbaar feit zijn vastgesteld.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof is ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat het tijdstip waarop het onderzoeksteam het erf van de verdachte op 3 december 2003 heeft betreden van enige invloed is geweest op hetgeen is bewezenverklaard. Het hof acht het niet aannemelijk dat, indien de verdachte die dag zijn ronde wel had gemaakt, de situatie ter plaatse zodanig anders zou zijn geweest dat er geen strafbare feiten zoals bewezenverklaard zouden zijn vastgesteld.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een geldboete van EUR 5.000,- subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan EUR 2.500,- subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en, in afwijking van zijn schriftelijke vordering, tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen dieren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft diverse dieren voorhanden gehad welke hij de nodige zorg heeft onthouden. Zo was de bodem van de kooien waarin de wolven en de dingo’s verbleven op een aantal plaatsen voorzien van gebroken gaas en staken er scherpe delen omhoog. Ook was er veelal geen goede schuilplaats dan wel schone en/ of droge ligplaats voorhanden.

Al doende heeft de verdachte, die verantwoordelijk was voor het welzijn van de dieren, in strijd gehandeld met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die beoogt het toebrengen van pijn en leed aan dieren te voorkomen.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de dieren bij de inbeslagneming in een goede conditie waren en dat de verdachte is verhuisd naar een nieuwe locatie waar de dieren ondergebracht kunnen worden in betere omstandigheden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Beslag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen dieren nu het belang van de dieren om een definitieve bestemming te krijgen dient te prevaleren boven het belang van de verdachte. Zolang de zaak nog niet onherroepelijk is blijft de situatie voor de dieren onzeker. Voorts is het openbaar ministerie in hoger beroep gekomen omdat naar het oordeel van de advocaat-generaal de nieuwe locatie waar de verdachte de dieren wil huisvesten onvoldoende garanties biedt om een nieuwe overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren te voorkomen.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven dieren overweegt het hof als volgt:

Nu de dieren zich bij de inbeslagneming in een goede conditie bevonden, er thans een nieuwe ruimere locatie is waar de dieren gehuisvest zullen kunnen worden en waar, indien de juiste maatregelen worden getroffen en de verdachte in een goed onderhoud voorziet, een goede verzorging mogelijk is, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte van de inbeslaggenomen dieren, te weten 3 wolven, 2 dingo's met 6 jongen, zijnde de vruchten van de dingo’s, 2 wasberen met 4 jongen, zijnde de vruchten van de wasberen en 2 neusberen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 23 (oud), 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37, 121 en 122 (oud) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt, dat een op EUR 1.000,00 (duizend euro) bepaald gedeelte van de geldboete, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 (twintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de teruggave van 3 wolven, 2 dingo's met 6 jongen, 2 wasberen met 4 jongen en 2 neusberen aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning,

mr. J. Borgesius en mr. S.K. Welbedacht, in bijzijn van de griffier mr. J.P. Lahr.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 september 2006.