Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY9318

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
2200538205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat het, mede gelet op de verklaringen ter terechtzitting in hoger broep van een expert op het gebied van vervalsingen en een medewerker van de FIOD, in casu voor de verdachte zeer moeilijk – zo niet onmogelijk – is geweest om vast te stellen of een document vals of vervalst was en dat derhalve geen sprake is van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op het voorhanden hebben van valse of vervalste documenten noch van het aanleveren daarvan aan de Belastingdienst, zodat de verdachte van beide tenlastegelgde feiten dient te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 296

Uitspraak

Rolnummer: 22-005382-05

Parketnummer(s): 10-993119-04

Datum uitspraak: 21 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 31 augustus 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 september 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit overweegt het hof als volgt.

De verdachte wordt ervan verdacht valse of vervalste legitimatiebewijzen ter controle aan de Belastingdienst te hebben aangeboden. De verdachte heeft als verweer aangevoerd, dat hij niet heeft gezien dat de bewijzen nagemaakt waren en dat hij derhalve geen opzet heeft gehad op het hem onder 2 ten laste gelegde feit.

Ter terechtzitting heeft de heer P.F. Kranenburg, werkzaam als wachtmeester 1e klasse bij de Koninklijke Marechaussee op Schiphol en expert op het gebied van vervalsingen, uitgelegd hoe een vervalsing of een vals document kan worden herkend. Daarbij is duidelijk geworden, dat bijzondere kennis vereist is om vast te kunnen stellen of een document nagemaakt is en dat het voor een leek bijzonder moeilijk is om direct te zien of een document is nagemaakt. Er zijn nauwelijks toegankelijke bronnen om hieromtrent kennis op te doen en aan die bronnen is weinig bekendheid gegeven. Voorts heeft de heer F.J. Machielsen, werkzaam bij de FIOD, verklaard, dat de systemen aan de hand waarvan hij controle kan uitoefenen op documenten niet voor het publiek toegankelijk zijn.

Aldus is het hof van oordeel dat het voor verdachte zeer moeilijk – zo niet onmogelijk – is geweest om vast te stellen of een document vals of vervalst was en dat derhalve geen sprake is van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op het voorhanden hebben van valse of vervalste documenten noch van het aanleveren daarvan aan de Belastingdienst, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.

In aansluiting op het vorenstaande overweegt het hof over het onder 1 tenlastegelegde feit als volgt. De onjuistheid en onvolledigheid van de aangifte, genoemd in het onder 1 tenlastegelegde feit, bestaat hieruit dat de verdachte een lager bedrag aan belasting zou hebben aangegeven dan hij had moeten doen, omdat hij ten onrechte het tabeltarief heeft gehanteerd terwijl hij het anoniementarief had dienen te hanteren voor zijn werknemers die zich met nagemaakte documenten, en dus niet behoorlijk, hadden laten identificeren. Nu naar het oordeel van het hof het opzet ontbreekt op het voorhanden hebben van nagemaakte documenten (feit 2), ontbreekt naar het oordeel van het hof tevens het opzet op het onder 1 tenlastegelegde. Aangezien de verdachte niet wist en ook nauwelijks kon weten, dat de documenten nagemaakt waren, kon hij immers ook niet weten dat van een aantal van zijn werknemers de identiteit niet was vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en dat voor hen dan het anoniementarief gehanteerd diende te worden in plaats van het tabeltarief. Derhalve dient de verdachte ook van dit feit vrijgesproken te worden.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte van beide feiten behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M. Mees, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 september 2006.

Mr. M. Mees is buiten staat dit arrest te ondertekenen.