Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY9310

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
2200468705
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak schietpartij: Het hof acht de diverse verklaringen, die aldus als niet eensluidend en niet eenduidig moeten worden aangemerkt, - mede in aanmerking genomen ieders eigen belang om in strijd met de waarheid te verklaren - onvoldoende betrouwbaar voor de conclusie dat boven redelijke twijfel is verheven dat het de verdachte is geweest, die al dan niet gericht op het slachtoffer heeft geschoten en/of hem in zijn been heeft geraakt, ook in aanmerking genomen voormelde bevindingen van technische aard. Daarnaast geen bewijs voorhanden dat de verdachte als medepleger van de schietpartij kan worden aangemerkt.

De ontkennende verdachte is wel voor een roofoverval veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 22-004687-05

parketnummer 09-650016-05

datum uitspraak 8 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 8 juli 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1955,

thans gedetineerd in [adres detentie].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 februari 2006, 7 april 2006 juncto 10 april 2006 en 24 augustus 2006 juncto 25 augustus 2006. Het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2006 en 10 april 2006, alsmede het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2006 en 25 augustus 2006, is telkens onderbroken geweest op de voet van het bepaalde in artikel 277, tweede lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde/slachtoffer] is beslist als nader in het vonnis omschreven. Voorts is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

5. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Met betrekking tot feit 2 (zaak "Schietpartij [adres]") overweegt het hof als volgt.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit neemt het hof als vaststaand aan dat [naam vrouw] de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] in contact heeft gebracht met haar ex-vriend [benadeelde/slachtoffer] in verband met een drugsdeal en dat zij daartoe de drie mannen in een door haar bestuurde auto naar de [adres] in Den Haag heeft gebracht, waar de mannen zijn uitgestapt. [benadeelde/slachtoffer] heeft in zijn aangifte een andere verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid op de [adres] en heeft verklaard dat hij aldaar, toen hij tussen twee geparkeerde auto's doorliep, door een kogel in het rechteronderbeen is geraakt, niet heeft gezien wie op hem heeft geschoten en dat even later door een man (later door hem bij een zogenaamde foto-oslo-confrontatie herkend als [medeverdachte]) twee maal is geschoten, doch niet op hem gericht. Het hof gaat met betrekking tot het schietincident van deze lezing van de aangever uit. Ter plekke zijn drie kogelhulzen gevonden, waarvan er twee zeer waarschijnlijk zijn verschoten met een en hetzelfde vuurwapen, terwijl ten aanzien van de derde niet valt uit te sluiten dat deze uit een tweede, soortgelijk vuurwapen komt. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] heeft geschoten en dat hij, [medeverdachte], het pistool van [benadeelde/slachtoffer] heeft opgeraapt dat deze had laten vallen. Hij ontkent zelf te hebben geschoten of een wapen bij zich te hebben gehad. De verdachte ontkent ter plekke aanwezig te zijn geweest en ontkent ook overigens iedere betrokkenheid. Voorts ontkent hij [medeverdachte] en na te noemen [getuige 1] of [getuige 2] te kennen. Getuige [getuige 1] heeft daarentegen verklaard van [verdachte] te hebben gehoord dat deze er wel bij was, maar dat [medeverdachte] de schutter was. [getuige 2] heeft verklaard van zijn kenn[voornaam verdachte]erdachte] te hebben gehoord dat deze een worsteling had gehad met de ex-vriend van [voornoemde vrouw], die een pistool had, en dat daarbij was geschoten. [getuige 2] heeft begrepen dat er over en weer is geschoten, door [voornaam verdachte] en/of [voornaam medeverdachte] ([medeverdachte]) en door de ex-vriend.

Het hof acht de diverse verklaringen, die aldus als niet eensluidend en niet eenduidig moeten worden aangemerkt, voorts - mede in aanmerking genomen ieders eigen belang om in strijd met de waarheid te verklaren - onvoldoende betrouwbaar voor de conclusie dat boven redelijke twijfel is verheven dat het de verdachte is geweest, die al dan niet gericht op [benadeelde/slachtoffer] heeft geschoten en/of hem in zijn been heeft geraakt, ook in aanmerking genomen voormelde bevindingen van technische aard.

Evenmin is er bewijs voorhanden dat er ter uitvoering van een gezamenlijk plan om [benadeelde/slachtoffer] te doden of op enige wijze zwaar te mishandelen een zodanige volledige en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] is geweest, dat van strafbaar medeplegen in de zin van de wet kan worden gesproken.

Dit brengt met zich mee dat de verdachte van dit feit, in alle drie tenlastegelegde varianten, dient te worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

9. Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft gemotiveerd vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde terzake de overval op de [adres overval] te 's-Gravenhage (zaaksdossier 4). Ondanks de pertinente ontkenning van de verdachte dat hij ooit in de woning van [medeverdachte 1] te Voorburg is geweest en ooit eerder in 's-Gravenhage is geweest, leidt het hof uit de verklaringen van [getuige 2] en [vriendin van medeverdachte 1] af, dat de verdachte in de woning van [medeverdachte 1] en [vriendin van medeverdachte 1] te Voorburg verbleef direct voorafgaand aan de onderhavige overval, die toen ook besproken werd. Uit de verklaring van [vriendin van medeverdachte 1] leidt het hof voorts af dat onder andere de verdachte op [datum] 2004 's ochtends met [medeverdachte 1] uit die woning is weggegaan om de overval te gaan plegen, en uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij op deze datum de onderhavige overval op de [adres overval] te 's-Gravenhage samen met onder andere de verdachte heeft gepleegd. Een van de aangevers heeft [medeverdachte 1] bij een zogenaamde foto-oslo-confrontatie ook herkend. De politie heeft aan [medeverdachte 1] en aan [vriendin van medeverdachte 1] een foto getoond van verdachte, aan de hand waarvan zij de verdachte als betrokkene bij de overval hebben herkend. [getuige 2] is ter terechtzitting van het hof als getuige gehoord en zijn verklaring acht het hof in de kern genomen geloofwaardig. Uit het verhoor van [vriendin van medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van het hof, heeft het hof afgeleid dat zij zich thans het gebeuren niet kan of wil herinneren, maar desgevraagd heeft zij bevestigd bij de politie de waarheid te hebben gesproken, zodat het hof die verklaring voor het bewijs gebruikt. Aan het verhoor van [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting op 7 april 2006 voor zover betrekking hebbend op de persoon van verdachte en zijn rol bij de overval, gaat het hof voorbij, nu hij er ter terechtzitting op 10 april 2006 bij de behandeling van deze zaak blijk van heeft gegeven zich de onderhavige overval volledig te herinneren, ook wat betreft de rol van de mededaders daarbij, en in de kern genomen te verklaren overeenkomstig zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd. Deze laatste verklaring acht het hof dan ook eveneens geloofwaardig. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat [medeverdachte 1] een tatouage heeft als door een van de aangevers beschreven voor dader 3, welke beschrijving wat dit punt betreft echter kennelijk ziet op de beschreven dader 1. Het feit dat verdachte geen tatouage heeft en nimmer heeft gehad, is derhalve voor hem niet ontlastend.

Het hof is aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen en met inachtneming van vorenstaande overwegingen tot een bewezenverklaring van feit 1 gekomen.

10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

11. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12. Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot vrijspraak van de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een roofoverval in een woning, waarbij het gebruik van wapens en geweld niet is geschuwd. Daarbij hebben de verdachte en zijn mededaders de slachtoffers, die zich in de besloten veiligheid en intimiteit van hun eigen woning waanden, onder meer bedreigd met een heet strijkijzer teneinde hen aan het praten te krijgen over waar zich mogelijke buit zou bevinden. Dit is een zeer ernstig feit waarbij de verdachte en zijn mededaders zich uitsluitend hebben laten leiden door hun zucht naar geldelijk gewin. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang de psychische gevolgen ondervinden van wat hen is aangedaan.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 7 augustus 2006, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

13. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde/slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 652,25. In hoger beroep is deze vordering van rechtswege aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van

EUR 652,25.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot laatstgenoemd bedrag. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel

36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Nu de verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade en is er geen grond voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

14. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 310 en 312 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde/slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. van Boven,

mr. J. Kramer en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2006.