Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY8151

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
2200217005
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2005:AT1010, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij een roofoverval, een poging daartoe, een wederrechtelijke vrijheidsberoving en de voorbereidingen van een bankoverval heeft de verdachte een organiserende en dirigerende rol gespeeld, ook al was hij door zijn fysieke gesteldheid niet steeds in staat om uitvoeringshandelingen te verrichten. In beginsel acht het hof – gelet op de veelheid en de ernst van de bewezenverklaarde feiten – een gevangenisstraf van lange duur passend. Gelet op de omstandigheid dat, vanwege zijn ernstige fysieke beperkingen, de te ondergane detentie door de verdachte als zwaarder zal worden ervaren dan door een gedetineerde die deze beperkingen niet heeft, wordt een beduidend kortere gevangenisstraf opgelegd dan gevorderd.

Bij de voorbereidingen van de bankoverval was geen sprake van vrijwillige terugtred.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 22-002170-05

parketnummers 09-757214-04 en 09-004069-04

datum uitspraak 8 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 maart 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op

[geboortedatum] 1975,

thans gedetineerd in [adres detentie].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 februari 2006, 23 maart 2006 juncto 3 april 2006 juncto 7 april 2006 en 24 augustus 2006 juncto 25 augustus 2006. Het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2006, 3 april 2006 en 7 april 2006, alsmede het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2006 en 25 augustus 2006, is telkens onderbroken geweest op de voet van het bepaalde in artikel 277, tweede lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding met parketnummer 09-757214-04, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en hetgeen bij inleidende dagvaarding met parketnummer 09-004069-04 vermeld staat.

Van de nadere omschrijving tenlastelegging en van de dagvaarding met parketnummer 09-004069-04 zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in de nadere omschrijving tenlastelegging en in de dagvaarding met parketnummer

09-004069-04 zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1, 2 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief,

3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent het inbeslaggenomen voorwerp is beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Geldigheid inleidende dagvaarding (feit 5)

Door de verdediging is aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van de voorbereiding van een overval op een filiaal van de [bank] te ’s-Gravenhage (feit 5; zaaksdossier 13) nietig is, nu deze niet vermeldt een invulling van de onderscheiden bestanddelen van artikel 46 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zowel wat betreft de middelen als de delictshandeling, immers een voldoende feitelijke omschrijving daarvan in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering ontbreekt.

Het hof verwerpt deze stelling, omdat naar zijn oordeel zowel de voorbereidingsmiddelen waarop de tenlastelegging ziet, in casu een of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), een of meer telefoon(s) en/of een of meer auto(’s), als de verweten gedragingen zoals omschreven in de tenlastelegging, alsmede meer in het algemeen de overige bestanddelen van artikel 46 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, voldoende concreet zijn omschreven. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de bewoordingen waarin de gedragingen zijn beschreven naast een kwalificatieve betekenis ook een feitelijke betekenis hebben. Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe dat de opgave van het tenlastegelegde feit zo duidelijk is dat de verdachte zich naar behoren kan verdedigen, terwijl bovendien voor de rechter duidelijk moet zijn wat het object van diens onderzoek is. Zowel uit het onderzoek door de politie als uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het de verdachte duidelijk is geweest voor welke handelingen op welke tijd en plaats en met welke middelen, hij zich diende te verantwoorden. Derhalve is aan de strekking van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldaan.

5. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Overwegingen van het hof

6.1. Ten aanzien van feiten 1 en 2 (zaak 5):

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat tussen de verdachte en de medeverdachten ten aanzien van de feiten sprake is geweest van bewuste, nauwe en volledige samenwerking en gezamenlijke uitvoering. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat:

- de overval (mede) in opdracht van de verdachte is geëntameerd;

- het plan van de overval tevoren door de verdachte en zijn mededaders is besproken;

- de verdachte wapen(s) ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de overval;

- de verdachte en de medeverdachten naar de betreffende woning zijn gereden, waarbij de verdachte de weg heeft gewezen;

- de verdachte, terwijl zijn medeverdachten doende waren met de overval, telefonisch overleg heeft gehad met een van zijn medeverdachten en daarbij instructies heeft gegeven omtrent de uitvoering van de overval.

6.2. Ten aanzien van feit 3 (zaak 8):

Op grond van de door het hof bewezenverklaarde omstandigheden, bezien in verband met de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof bewezen dat de beide slachtoffers, vader en zoon [X], gedurende geruime tijd onder bedreiging met vuurwapengeweld ernstig in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt geweest en dat het hun niet mogelijk is geweest zich te onttrekken aan toezicht van de verdachte en zijn kompanen zonder geweld te ondergaan of te plegen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat zoon [X] onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dat tegen zijn hoofd werd gericht, zijn woning is binnengeduwd, dat hij in de woning is vastgehouden en onder schot is gehouden, dat hij vervolgens onder bedreiging met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gedwongen is geweest om de woning via de achterdeur te verlaten, dat hij is vastgepakt en naar een auto is meegenomen, dat hij zodanig in het midden van de achterbank van die auto heeft moeten plaatsnemen, dat hij deze auto niet zonder medewerking van zijn ontvoerders kon verlaten, en dat hij aldus in de auto is meegenomen voor een tocht door Haarlem en vervolgens naar Rijswijk. Zoon [X] verklaart in dit verband dat hij zonder bedreiging met meergenoemd vuurwapen niet met zijn ontvoerders zou hebben meegewerkt. Ten aanzien van vader [X] blijkt uit de bewijsmiddelen onder meer dat hij samen met zijn zoon gedwongen is geweest mee te gaan met zijn ontvoerders, van wie hij wist dat zij over een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, beschikten, dat hij daartoe via de achterdeur zijn woning heeft moeten verlaten, dat hij plaats heeft moeten nemen in een andere auto dan de auto waarin zijn zoon plaats moest nemen, dat naast hem in de auto een van de ontvoerders zat die zichtbaar een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, droeg, en dat hij aldus in de auto is meegenomen voor een tocht door Haarlem en vervolgens naar Rijswijk. Vader [X] verklaart in dit verband dat hij en zijn zoon gedwongen met hun ontvoerders zijn meegegaan: “Indien er geen sprake zou zijn geweest van een vuurwapen dan waren [mijn zoon] en ik niet met hen meegegaan (…). Het was door het aantal en de wijze waarop zij zich bedreigend of intimiderend opstelden dat [mijn zoon] en ik met hen zijn meegegaan.”

Aldus acht het hof bewezen dat ten aanzien van beide slachtoffers sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Wetboek van Strafrecht.

6.3. Ten aanzien van feit 5 (zaak 13):

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat wat betreft de geplande overval op een filiaal van de [bank] te ’s-Gravenhage (zaaksdossier 13) de bewezenverklaarde voorbereidingsmiddelen, te weten mobiele telefoons en een auto, niet kennelijk bestemd zijn voor een crimineel doel.

Het hof verwerpt dit verweer. Vaststaat dat de verdachte [mededader 1] in het politieverhoor heeft verklaard dat [mededader 2] een filiaal van de [bank] wilde overvallen en daarbij mensen nodig had om op de uitkijk te staan. Op

14 mei 2004 stonden onder anderen [mededader 1], [mededader 3] en [mededader 4] in de straat waar de bank gevestigd was. Aldaar is [mededader 2] in zijn auto, een groene Renault Laguna, komen aanrijden met iemand die hem het bankfiliaal zou kunnen binnenlaten en heeft hij zijn auto zo geparkeerd dat hij snel kon wegrijden. Tussen degenen die op de uitkijk stonden is onderling gebeld. De verdachte [mededader 4] heeft ook verklaard dat de overval op 14 mei 2004 gepleegd zou worden door [mededader 2] met zijn auto, en dat onder anderen [mededader 1], [mededader 3] en hijzelf in verband met die voorgenomen overval op een van te voren afgesproken plaats buiten de bank stonden en dat ze allemaal een telefoon hadden. Hij spreekt ook over telefonisch contact tussen [mededader 2] en [verdachte] met betrekking tot de overval. De verdachte [mededader 3] heeft verklaard dat [mededader 2] samen met [mededader 1] het bankfiliaal wilde overvallen. Onder anderen hij en [mededader 4] stonden op 14 mei 2004 op de uitkijk bij de bank. Hij maakte daar gebruik van de telefoon van [verdachte] en ook de anderen hadden hun eigen telefoon, omdat zij elkaar zo konden waarschuwen. Uit tapgesprekken van 14 mei 2004 en data rond deze datum blijkt dat tussen de verdachten [mededader 1], [verdachte], [mededader 3] en [mededader 4] met gebruikmaking van mobiele telefoons gesproken is met betrekking tot deze overval. Het hof acht aldus evident aangetoond dat de auto van [mededader 2] en de telefoons werden gebruikt bij een onmiddellijke dreiging dat een bankoverval zou worden gepleegd, welke misdadige bestemming voor de gemiddelde rechtsgenoot, gelet op de genoemde omstandigheden waaronder de middelen werden gebruikt, bij deze rechtsgenoot bekend, in het oog springt.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de overval op de ochtend van 14 mei 2005 niet is doorgegaan. Uit de verklaring van [mededader 4] leidt het hof af dat de overval ’s ochtends is afgeblazen omdat [mededader 2] te laat bij de bank aankwam, waarna de betrokkenen bij de geplande overval na onderling beraad zich hebben opgehouden in de woning van [verdachte]. Uit diens verklaring blijkt voorts dat mogelijk in de namiddag nog een nieuwe poging tot een overval zou worden gedaan, waarvan echter onduidelijk is of dat is gebeurd, maar tevens dat in de ochtend van 15 mei 2004 de betrokkenen bij de overval opnieuw naar het filiaal van de [bank] zijn gereden. [mededader 3] heeft dit laatste ook verklaard en in zijn verklaring bij de politie zelfs dat op 15 mei 2004 vrijwel alle betrokkenen dezelfde positie hadden ingenomen als de dag ervoor. Uit een tapgesprek op 15 mei 2004 tussen [mededader 3] en [mededader 4] blijkt voorts nog dat over de overval op het filiaal van de [bank] is gesproken in die zin dat [mededader 3] naar [mededader 4] bij het bankfiliaal moest komen. Van een vrijwillige terugtred op de ochtend van 14 mei 2004 om een bankoverval te plegen is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake geweest.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 2 primair:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd,

en van de voortgezette handeling van:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,

en

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3:

de voortgezette handeling van:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5:

medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte en zijn mededaders hebben zich in een periode van een aantal maanden, in wisselende samenstellingen, schuldig gemaakt aan een roofoverval in een woning en een poging daartoe, waarbij het gebruik van wapens en geweld niet is geschuwd. Tijdens een van de overvallen hebben de verdachte en zijn mededaders de slachtoffers, die zich in de besloten veiligheid en intimiteit van hun woning waanden, bedreigd met een heet strijkijzer en hen voorts van hun vrijheid beroofd (gehouden). Dit zijn ernstige feiten waarbij de verdachte en zijn mededaders zich uitsluitend hebben laten leiden door hun zucht naar geldelijk gewin. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang de psychische gevolgen ondervinden van wat hun is aangedaan.

Ook hebben de verdachte en zijn mededaders zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van

[zoon X] en [vader X], en hebben zij [zoon X] op de bewezenverklaarde wijze met de dood bedreigd. Bedreigingen als deze brengen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Tot slot hebben de verdachte en zijn mededaders een bankoverval voorbereid. Bij een en ander heeft de verdachte een organiserende en dirigerende rol gespeeld, ook al was hij door zijn fysieke gesteldheid niet steeds in staat om uitvoeringshandelingen te verrichten.

In beginsel acht het hof – gelet op de veelheid en de ernst van de bewezenverklaarde feiten – een gevangenisstraf van lange duur passend.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat, vanwege zijn ernstige fysieke beperkingen, de te ondergane detentie door de verdachte als zwaarder zal worden ervaren dan door een gedetineerde die deze beperkingen niet heeft. Dat brengt het hof er toe een beduidend kortere gevangenisstraf op te leggen dan gevorderd.

12. Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat omtrent het inbeslaggenomen voorwerp zal worden beslist zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een horloge, kleur blauw, van het merk Fosiel Speedway, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten nu niet kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 (oud), 46 (oud), 47, 55, 56, 57, 282, 285 (oud), 310, 312 (oud) en

317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1,

2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een horloge, kleur blauw, van het merk

Fosiel Speedway, ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. van Boven,

mr. J. Kramer en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2006.