Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY8018

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
2200238505
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2005:AT1016, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en haar mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een tweetal roofovervallen in woningen, waarbij het gebruik van wapens en geweld niet is geschuwd. Voorts hebben de verdachte en haar mededader een vuurwapen met daarbijbehorende munitie voorhanden gehad. In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met haar jeugdige leeftijd, alsmede met hetgeen is vermeld in een omtrent de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden opgemaakt reclasseringsrapport. Vrijspraak voor één van de overvallen: verdachte kan daarbij niet als medepleger of medeplichtige worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 22-002385-05

parketnummer 09-004040-04

datum uitspraak 8 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 maart 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1982,

thans gedetineerd in [adres]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 februari 2006, 7 april 2006 juncto 10 april 2006 en 24 augustus 2006 juncto 25 augustus 2006. Het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2006 en 10 april 2006, alsmede het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2006 en 25 augustus 2006, is telkens onderbroken geweest op de voet van het bepaalde in artikel 277, tweede lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en van welke nadere omschrijving tenlastelegging een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2, 3 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief en 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, alsmede omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [belanghebbende 3] en [benadeelde partij 4] is beslist als nader in het vonnis omschreven. Voorts is aan de verdachte telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vrijspraak

Met betrekking tot feit 1 (zaak 11) overweegt het hof als volgt.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit is komen vast te staan dat zij, gezeten in de auto bij haar geliefde [mededader 1] en andere daders van de overval op hoteleigenaar [B.], op de hoogte is geraakt van het plan voor die overval.

Nadat de daders van de overval bij het hotel uit de auto zijn gestapt, is de verdachte in de auto op hen blijven wachten.

De verdachte heeft ontkend op de uitkijk te hebben gestaan en de verklaringen van medeverdachten daaromtrent zijn niet eenduidig. Haar verklaring, dat zij slechts met haar geliefde was meegegaan omdat zij die avond samen naar Duitsland zouden gaan, wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [mededader 2]. Dat zij, zoals door een van de medeverdachten is verklaard, boos was dat de overval was mislukt, vindt geen bevestiging in enige andere verklaring en is door de verdachte ontkend.

Dat de verdachte op de uitkijk heeft gestaan, acht het hof op basis van de verschillende verklaringen niet boven gerede twijfel verheven en ook overigens heeft de verdachte geen enkele uitvoeringshandeling verricht.

Dat de verdachte een vuurwapen aan een of meer van de in de tenlastelegging bedoelde personen heeft gegeven, is evenmin komen vast te staan. De enige die daarover heeft verklaard, is [mededader 1], die evenwel tegenover de politie en de rechter-commissaris tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd op dit punt.

Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat niet is komen vast te staan dat er ter uitvoering van een gezamenlijk plan een zodanige volledige en nauwe samenwerking is geweest, dat van strafbaar medeplegen in de zin van de wet kan worden gesproken, terwijl evenmin voor medeplichtigheid voldoende bewijs is.

De verdachte dient derhalve van dit feit, zowel primair als subsidiair, te worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

8. Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 3 (zaak 2):

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat tussen de verdachte en de medeverdachten ten aanzien van deze overval sprake is geweest van bewuste, nauwe en volledige samenwerking en van gezamenlijke uitvoering.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat:

- het initiatief en het plan voor de overval van de verdachte afkomstig zijn geweest;

- de verdachte met de medeverdachten per auto naar de woning aan de [adres] is gegaan, waar de geplande overval zou plaatsvinden;

- de verdachte aan de medeverdachten die woning heeft aangewezen en hun aanwijzingen voor de overval heeft gegeven;

- de verdachte bij die woning heeft aangebeld en daarbij een voor de bewoners bekende naam heeft genoemd teneinde de bewoners te bewegen de voordeur te openen;

- de verdachte de medeverdachten gelegenheid heeft gegeven om vervolgens (naar zij ook waarnam:) gewapend de woning binnen te dringen;

- terwijl de beide medeverdachten in de woning doende waren met de overval, de verdachte met een van de medeverdachten telefonisch contact heeft onderhouden

teneinde te informeren naar de voortgang van de overval en/of daarover te overleggen;

- de verdachte tijdens de overval nabij de woning in de vluchtauto de terugkeer van de medeverdachten heeft afgewacht en na de overval samen met hen is weggereden naar haar woning;

- de verdachte er bij aanwezig is geweest (tijdens de terugreis in de vluchtauto) toen de buit van de overval werd verdeeld;

- de verdachte ook heeft meegeprofiteerd van het buit- gemaakte geldbedrag.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

3 primair:

de voortgezette handeling van:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

4:

de voortgezette handeling van:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2, 3 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief en 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte en haar mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een tweetal roofovervallen in woningen, waarbij het gebruik van wapens en geweld niet is geschuwd. Tijdens een van deze overvallen hebben de verdachte en haar mededaders de slachtoffers, die zich in de besloten veiligheid en intimiteit van hun woning waanden, bedreigd met een heet strijkijzer. Dit zijn ernstige feiten waarbij de verdachte en haar mededaders zich uitsluitend hebben laten leiden door hun zucht naar geldelijk gewin. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang de psychische gevolgen ondervinden van wat hun is aangedaan.

Voorts hebben de verdachte en haar mededader een vuurwapen met daarbijbehorende munitie voorhanden gehad. Wapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten, zoals ook in het onderhavige geval is gebleken. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met haar jeugdige leeftijd, alsmede met hetgeen is vermeld in een omtrent de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden opgemaakt reclasseringsrapport d.d. 20 oktober 2004.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

12. Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen zal worden beslist zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een pistool, kaliber 9 mm, merk FN en tien kogelpatronen,

kaliber 9 mm, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

13. Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van na te melden aan de verdachte tenlastegelegde feiten tot bedragen van:

terzake van feit 3 (zaak 2):

- [benadeelde partij 1] tot een bedrag van in totaal € 1.300,-, te weten € 1.000,- aan materiële schade en € 300,- als voorschot op immateriële schade;

- [benadeelde partij 2] tot een bedrag van in totaal € 3.050,-, te weten € 2.750,- aan materiële schade en € 300,- als voorschot op immateriële schade;

terzake van feit 4 (zaak 6):

- [belanghebbende 3] tot een bedrag van € 500,-, als voorschot op immateriële schade;

- [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 500,-, als voorschot op immateriële schade.

In eerste aanleg zijn de vorderingen voor wat betreft de immateriële schade toegewezen als gevorderd, voor het overige zijn Oleana en Hosepha niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

In hoger beroep zijn de vorderingen van rechtswege aan de orde tot de in eerste aanleg toegewezen bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen tot de in eerste aanleg toegewezen bedragen.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Namens de verdachte zijn de vorderingen van de benadeelde partijen betwist.

Naar het oordeel van het hof hebben de benadeelde partijen genoegzaam aangetoond dat de bij wijze van voorschot gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten, voor zover ieder van hen betreffende. De vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve bij wijze van voorschot worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

14. Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 3 en

4 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht, ziet het hof aanleiding aan de verdachte telkens een verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op te leggen op de wijze zoals hierna is vermeld.

15. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 47, 56, 57, 310, 312 (oud) en 317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de

Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2,

3 primair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een pistool, kaliber 9 mm, merk FN en tien kogelpatronen, kaliber 9 mm.

Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van na te melden benadeelde partijen tot na te melden bedragen bij wijze van voorschot en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[benadeelde partij 1] een bedrag van € 300,-;

[benadeelde partij 2] een bedrag van € 300,-;

[belanghebbende 3] een bedrag van € 500,-;

[benadeelde partij 4] een bedrag van € 500,-.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in verband met hun vorderingen hebben gemaakt

– welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil – en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichtingen op tot betaling aan de Staat van

- een bedrag van € 300,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen;

- een bedrag van € 300,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen;

- een bedrag van € 500,- ten behoeve van het slachtoffer [belanghebbende 3], voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;

- een bedrag van € 500,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen,

telkens met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van de slachtoffers niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers en omgekeerd.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormelde bedragen door de mededaders de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Verstaat dat de verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers komt te vervallen voorzover de mededaders hebben voldaan aan hun verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. van Boven,

mr. J. Kramer en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2006.