Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY7988

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
2200241705
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en zijn mededaders hebben zich in een periode van een aantal maanden, telkens in wisselende samenstelling, schuldig gemaakt aan een reeks zware delicten, waaronder roofovervallen in woningen, het voorbereiden van een bankoverval, een overval in een videotheek en wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het gebruik van wapens en geweld niet is geschuwd. Voorts heeft de verdachte met een vuurwapen kogels afgevuurd in de richting van twee slachtoffers, tengevolge waarvan laatstgenoemden letsel hebben bekomen. Het daarbij gevoerde beroep op noodweer is door het hof verworpen: "Door aldus welbewust een ontmoeting aan te gaan, waarbij de mogelijkheid van een schietpartij als reëel was in te schatten, heeft de verdachte zich willens en wetens aan een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van hemzelf en/of van zijn kompanen door de beoogde verkoper(s) blootgesteld. Het risico van (vuurwapen)geweld heeft de verdachte aldus welbewust opgezocht, zodat hem een beroep op de noodzakelijke verdediging tegen zodanige aanranding ook hierom niet toekomt."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 22-002417-05

parketnummers 09-757373-04 en 09-004064-04

datum uitspraak 8 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 maart 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]

(Dominicaanse Republiek) op [geboortedatum] 1980,

thans gedetineerd in [adres detentie]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 februari 2006, 23 maart 2006 juncto 3 april 2006 juncto 7 april 2006 en 24 augustus 2006 juncto 25 augustus 2006. Het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2006, 3 april 2006 en 7 april 2006, alsmede het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2006 en 25 augustus 2006, is telkens onderbroken geweest op de voet van het bepaalde in artikel 277, tweede lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding met parketnummer 09-757373-04, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en hetgeen bij inleidende dagvaarding met parketnummer 09-004064-04 vermeld staat.

Van de nadere omschrijving tenlastelegging en van de dagvaarding met parketnummer 09-004064-04 zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in de nadere omschrijving tenlastelegging en in de dagvaarding met parketnummer

09-004064-04 zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 7 tenlastegelegde vrijgesproken, terzake van het onder

9 primair, 10 primair en 11 primair tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en terzake van het onder 1, 2 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4, 5 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 6, 8, 12, 13 en 14 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, alsmede omtrent onder meer de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is beslist als nader in het vonnis omschreven. Voorts is aan de verdachte telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting van 2 februari 2006 niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

5. Geldigheid inleidende dagvaarding (feit 12)

Door de verdediging is aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van de voorbereiding van een overval op een filiaal van de [bank] te ’s-Gravenhage

(feit 12; zaaksdossier 13) nietig is, nu deze niet vermeldt een invulling van de onderscheiden bestanddelen van artikel 46 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zowel wat betreft de middelen als de delictshandeling, immers een voldoende feitelijke omschrijving daarvan in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering ontbreekt.

Het hof verwerpt deze stelling, omdat naar zijn oordeel zowel de voorbereidingsmiddelen waarop de tenlastelegging ziet, in casu een of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), een of meer telefoon(s) en/of een of meer auto(’s), als de verweten gedragingen zoals omschreven in de tenlastelegging, alsmede meer in het algemeen de overige bestanddelen van

artikel 46 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, voldoende concreet zijn omschreven. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de bewoordingen waarin de gedragingen zijn beschreven naast een kwalificatieve betekenis ook een feitelijke betekenis hebben. Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe dat de opgave van het tenlastegelegde feit zo duidelijk is dat de verdachte zich naar behoren kan verdedigen, terwijl bovendien voor de rechter duidelijk moet zijn wat het object van diens onderzoek is. Zowel uit het onderzoek door de politie als uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het

de verdachte duidelijk is geweest voor welke handelingen op welke tijd en plaats en met welke middelen, hij zich diende te verantwoorden. Derhalve is aan de strekking van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldaan.

6. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. Overwegingen van het hof

7.1. Ten aanzien van feiten 1 en 2 (zaak 5):

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer dat:

- de verdachte en zijn kompanen voorzien van vuurwapens (althans van op vuurwapens gelijkende voorwerpen) de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1], waarin ook het slachtoffer [slachtoffer 2] verbleef, zijn binnengedrongen;

- het slachtoffer [slachtoffer 1] onder bedreiging van een dergelijk vuurwapen de trap op naar de bovenwoning is gedirigeerd en aldaar gedurende de doorzoeking van de woning onder schot is gehouden;

- het slachtoffer [slachtoffer 1] onder bedreiging van een honkbalknuppel dreigend is toegevoegd: “maak maar een beweging”;

- het slachtoffer [slachtoffer 2] onder bedreiging van een vorenbedoeld vuurwapen is bevolen op een bank te gaan zitten, vervolgens om op te staan en zich naar een andere kamer te begeven en aldaar te blijven;

- de beide slachtoffers gedurende enige uren onder bedreiging van geweld in de woning hebben verbleven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat de beide slachtoffers gedurende enige uren onder bedreiging met geweld zodanig in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt geweest dat het hun niet mogelijk was zich te verwijderen uit de desbetreffende ruimten van de woning en zich te onttrekken aan het toezicht van de overvallers zonder geweld te ondergaan of te plegen, zodat ten aanzien van de beide slachtoffers sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

7.2. Ten aanzien van feit 3 (zaak 8):

Op grond van de door het hof bewezenverklaarde omstandigheden, bezien in verband met de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof bewezen dat de beide slachtoffers, vader en zoon [X], gedurende geruime tijd onder bedreiging met vuurwapengeweld ernstig in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt geweest en dat het hun niet mogelijk is geweest zich te onttrekken aan toezicht van de verdachte en zijn kompanen zonder geweld te ondergaan of te plegen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat zoon [X] onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dat tegen zijn hoofd werd gericht, zijn woning is binnengeduwd, dat hij in de woning is vastgehouden en onder schot is gehouden, dat hij vervolgens onder bedreiging met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gedwongen is geweest om de woning via de achterdeur te verlaten, dat hij is vastgepakt en naar een auto is meegenomen, dat hij zodanig in het midden van de achterbank van die auto heeft moeten plaatsnemen, dat hij deze auto niet zonder medewerking van zijn ontvoerders kon verlaten, en dat hij aldus in de auto is meegenomen

voor een tocht door Haarlem en vervolgens naar Rijswijk. Zoon [X] verklaart in dit verband dat hij zonder bedreiging met meergenoemd vuurwapen niet met zijn ontvoerders zou hebben meegewerkt. Ten aanzien van vader [X] blijkt uit de bewijsmiddelen onder meer dat hij samen met zijn zoon gedwongen is geweest mee te gaan met zijn ontvoerders, van wie hij wist dat zij over een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, beschikten, dat hij daartoe via de achterdeur zijn woning heeft moeten verlaten, dat hij plaats heeft moeten nemen in een andere auto dan de auto waarin zijn zoon plaats moest nemen, dat naast hem in de auto een van de ontvoerders zat die zichtbaar een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, droeg, en dat hij aldus in de auto is meegenomen voor een tocht door Haarlem en vervolgens naar Rijswijk. Vader [X] verklaart in dit verband dat hij en zijn zoon gedwongen met hun ontvoerders zijn meegegaan: “Indien er geen sprake zou zijn geweest van een vuurwapen dan waren [mijn zoon] en ik niet met hen meegegaan (…). Het was door het aantal en de wijze waarop zij zich bedreigend of intimiderend opstelden dat [mijn zoon] en ik met hen zijn meegegaan.”

Aldus acht het hof bewezen dat ten aanzien van beide slachtoffers sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Wetboek van Strafrecht.

7.3. Ten aanzien van feit 4 (zaak 11):

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit staat vast dat de verdachte op de hoogte was van het plan om de hem bekende hoteleigenaar [Y] te beroven en dat hij [Y] niet heeft gewaarschuwd.

Ook heeft de verdachte de avond voor de overval telefonisch aan een onbekende vrouw meegedeeld “dat hij thuis blijft wachten tot ze komen, want hij kan daar niet zijn omdat die mensen hem namelijk kennen, dus sturen ze [voornaam mededader 1] met twee Colombianen” en heeft hij in de nacht van de overval, toen [mededader 3], die in het hotel wachtte op zijn mededaders [mededader 1], [mededader 2], [mededader 5] en “[mededader 6]” hem belde en zei dat de eigenaar net was aangekomen, gezegd dat “ze” er bijna waren. Na de overval heeft hij telefonisch aan [mededader 1] gezegd dat deze de auto moet “wegzetten” en ten huize van [mededader 4], toen de buitgemaakte portemonnee op tafel kwam, heeft hij de inhoud daarvan in een plastic tasje gedaan en weggegooid.

Hoewel de verdachte blijkens het vorenstaande op de hoogte was van de actuele stand van zaken, heeft hij geen uitvoeringshandelingen verricht en is evenmin bij de overval lijfelijk aanwezig geweest; hij verbleef ten tijde van de overval ten huize van [mededader 4]. Hij had tegen de daders gezegd niet aan de overval te willen meedoen. De verklaringen van de daders van de overval over de rol van [verdachte] bij het maken van het plan of het verdelen van een eventuele buit zijn niet eenduidig en het tapgesprek, waarin de verdachte spreekt over het sturen van onder anderen [voornaam mededader 1] ([mededader 1]) is niet letterlijk uitgewerkt.

Het vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat er ten aanzien van de verdachte ter uitvoering van een gezamenlijk plan een zodanige volledige en nauwe samenwerking is geweest, dat van strafbaar medeplegen in de zin van de wet kan worden gesproken.

De verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

7.4. Ten aanzien van feiten 9 primair, 10 primair en subsidiair en 11 primair (zaak 9):

Aan de hand van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte op 4 mei 2004 te Vlaardingen een kogel heeft afgevuurd in de richting van [A], welke kogel aan de binnenzijde van zijn linker bovenbeen is ingegaan en nabij het bekken is uitgegaan, alsmede dat hij meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting[B], waarbij deze [B] is geraakt naast de zesde nekwervel, onder het rechtersleutelbeen, in de linkerschouder en arm.

Door aldus in de richting van deze personen kogels af te vuren, die zijn terechtgekomen in de nabijheid van hun vitale organen, heeft de verdachte willens en wetens de naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk aan te merken kans aanvaard dat hij hierbij deze personen op zodanige wijze zou raken, dat zij dientengevolge zouden kunnen overlijden, en was aldus het opzet van de verdachte voorwaardelijk op die gevolgen gericht.

Ten aanzien van [A[B] heeft de verdachte zich aldus naar het oordeel van het hof op de bewezen verklaarde wijze telkens schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.

Aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep wordt niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat het de verdachte is geweest die een of meer kogels heeft afgevuurd op [C], zoals in de tenlastelegging bedoeld. De verdachte dient derhalve wat [C] betreft te worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde.

Door de verdediging is, voor zover hier van belang, ten aanzien van de poging tot doodslag betreffende [A[B] een beroep gedaan op noodweer, subsidiair op noodweerexces.

Dit beroep wordt reeds verworpen, omdat aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [A] en/of

[C] e[B] van de verdachte en/of zijn kompanen, zoals door de verdediging geschetst. De verklaringen omtrent de feitelijke toedracht van deze schietpartij van de daarbij betrokken personen zijn in dit opzicht onderling dermate tegenstrijdig, dat het hof aan de hand daarvan niet tot de aannemelijkheid kan concluderen van de toedracht zoals door de verdediging geschetst. Weliswaar kan - in het bijzonder aan de hand van de in de woning aangetroffen munitiedelen en het daaromtrent opgemaakte rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) – geconcludeerd worden dat ook van de zijde van [A] en/of [C] en/of [voorletter van B]. [B] met (een) vuurwapen(s) is geschoten tijdens het incident en dat door deze personen derhalve daaromtrent onjuiste verklaringen zijn afgelegd, maar daaruit volgt naar het oordeel van het hof geenszins dat het ook deze personen zijn geweest die de aanval hebben geopend of de dreiging van zo’n aanval in het leven hebben geroepen. Waar de verdediging in dit verband stelt dat sprake is geweest van een voorgenomen “ripdeal”(*) van de zijde van de verkoper(s), omdat in de woning geen handelshoeveelheid cocaïne is aangetroffen, acht het hof die versie weliswaar mogelijk maar niet voldoende aannemelijk geworden, terwijl het hof evenzeer de reëel te achten mogelijkheid openhoudt dat van de zijde van de verdachte sprake is geweest van een voorgenomen “ripdeal”, nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte bij gelegenheid van het incident beschikte over een geldsom om de partij cocaïne te betalen. Geen der betrokkenen bevestigt een geldsom bij de verdachte te hebben gezien. Daarbij komt dat de verdachte zijn beide kompanen, die hem bij de ontmoeting met de verkoper(s) vergezelden, tevoren heeft voorzien van wapens (geschikt tot afdreiging) en zichzelf van een geladen pistool. Tenslotte acht het hof het geenszins uitgesloten dat beide partijen bij dit schietincident uit waren op een “ripdeal”.

Het beroep op noodweer(exces) dient bovendien op de volgende (zelfstandige) grond te worden verworpen:

Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de verdachte daadwerkelijk een drugstransactie wilde aangaan in de zin dat hij een partij cocaïne wilde afnemen tegen contante betaling en dat hij in het kader van die voorgenomen transactie werd geconfronteerd met een poging tot gewelddadige beroving door de verkoper(s) van hem, verdachte, moet vooropgesteld worden dat in elk geval bij diegenen die zodanige drugstransacties aangaan het fenomeen van een mogelijke “ripdeal”, waarbij vaak (vuurwapen)geweld gebezigd wordt, bekend wordt verondersteld. Dit geldt temeer voor de verdachte, die immers kort tevoren (op 19 maart 2004) als berovende partij betrokken was bij een “ripdeal” in de woning aan [adres] te Den Haag (zaak 3: zie de bewijsmiddelen aldaar). Dat de verdachte van het risico van een “ripdeal” ook doordrongen was bij het ingaan van zijn ontmoeting met de beoogde verkoper, blijkt uit de omstandigheid dat hij (als eerder vermeld) zijn beide kompanen, die hem bij deze ontmoeting vergezelden, tevoren heeft voorzien van wapens (geschikt tot afdreiging) en zichzelf van een geladen pistool en dat hij – volgens verklaring van [mededader 3] (zaaksdossier 9, pag. 240)– onderweg naar de ontmoeting met de verkoper zijn kompanen geïnstrueerd heeft dat, in het geval dat de verkoper een wapen zou trekken, zij ook hun wapens zouden moeten trekken. Ook uit de eigen verklaring van de verdachte, afgelegd ter zitting in hoger beroep, blijkt dat hij terdege er mee rekening heeft gehouden dat de beoogde transactie op een beroving met (vuurwapen)geweld zou kunnen uitlopen: “ Ik wist dat dit soort situaties zich in de drugshandel voordoen, zeker als je zaken doet met mensen die je niet of nauwelijks kent.(…) [mededader 5] en [mededader 3] voelden (…) al nattigheid. Ik heb tegen hen gezegd (…) dat ze moesten zorgen dat ze sneller zouden zijn dan de Antillianen”.

Door aldus welbewust een ontmoeting aan te gaan, waarbij de mogelijkheid van een schietpartij als reëel was in te schatten, heeft de verdachte zich willens en wetens aan een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van hemzelf en/of van zijn kompanen door de beoogde verkoper(s) blootgesteld. Het risico van (vuurwapen)geweld heeft de verdachte aldus welbewust opgezocht, zodat hem een beroep op de noodzakelijke verdediging tegen zodanige aanranding ook hierom niet toekomt.

(*): Het hof verstaat in dit verband onder een “ripdeal”: een - in het kader van een door de “verkoper” respectievelijk “koper” voorgewende koop/verkoop transactie - ondernomen beroving door de “verkoper” van de koper van zijn koopsom respectievelijk door de “koper” van de verkoper van zijn koopwaar.

7.5. Ten aanzien van feit 12 (zaak 13):

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat wat betreft de geplande overval op een filiaal van de [bank] te ’s-Gravenhage (zaaksdossier 13) de bewezenverklaarde voorbereidingsmiddelen, te weten mobiele telefoons en een auto, niet kennelijk bestemd zijn voor een crimineel doel.

Het hof verwerpt dit verweer. Vaststaat dat de verdachte [verdachte] in het politieverhoor heeft verklaard dat

[mededader 1] een filiaal van de [bank] wilde overvallen en daarbij mensen nodig had om op de uitkijk te staan. Op 14 mei 2004 stonden onder anderen [verdachte], [mededader 2] en [mededader 3] in de straat waar de bank gevestigd was. Aldaar is [mededader 1] in zijn auto, een groene Renault Laguna, komen aanrijden met iemand die hem het bankfiliaal zou kunnen binnenlaten en heeft hij zijn auto zo geparkeerd dat hij snel kon wegrijden. Tussen degenen die op de uitkijk stonden is onderling gebeld. De verdachte [mededader 3] heeft ook verklaard dat de overval op 14 mei 2004 gepleegd zou worden door [mededader 1] met zijn auto, en dat onder anderen [verdachte], [mededader 2] en hijzelf in verband met die voorgenomen overval op een van te voren afgesproken plaats buiten de bank stonden en dat ze allemaal een telefoon hadden. Hij spreekt ook over telefonisch contact tussen [mededader 1] en [mededader 4] met betrekking tot de overval. De verdachte

[mededader 2] heeft verklaard dat [mededader 1] samen met [verdachte] het bankfiliaal wilde overvallen. Onder anderen hij en [mededader 3] stonden op 14 mei 2004 op de uitkijk bij de bank. Hij maakte daar gebruik van de telefoon van [mededader 4] en ook de anderen hadden hun eigen telefoon, omdat zij elkaar zo konden waarschuwen. Uit tapgesprekken van 14 mei 2004 en data rond deze datum blijkt dat tussen de verdachten [verdachte], [mededader 4], [mededader 2] en [mededader 3] met gebruikmaking van mobiele telefoons gesproken is met betrekking tot deze overval. Het hof acht aldus evident aangetoond dat de auto van [mededader 1] en de telefoons werden gebruikt bij een onmiddellijke dreiging dat een bankoverval zou worden gepleegd, welke misdadige bestemming voor de gemiddelde rechtsgenoot, gelet op de genoemde omstandigheden waaronder de middelen werden gebruikt, bij deze rechtsgenoot bekend, in het oog springt.

Door de verdediging is aangevoerd dat de geplande overval op een filiaal van de [bank] als gevolg van vrijwillige terugtred niet is doorgegaan. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de overval op de ochtend van 14 mei 2005 niet is doorgegaan, doch niet tengevolge van omstandigheden van de wil van de verdachte en/of de medeverdachten afhankelijk. Uit de verklaring van [mededader 3] leidt het hof af dat de overval

’s ochtends is afgeblazen omdat [mededader 1] te laat bij de bank aankwam, waarna de betrokkenen bij de geplande overval na onderling beraad zich hebben opgehouden in de woning van [mededader 4]. Uit diens verklaring blijkt voorts dat mogelijk in de namiddag nog een nieuwe poging tot een overval zou worden gedaan, waarvan echter onduidelijk is of dat is gebeurd, maar tevens dat in de ochtend van 15 mei 2004 de betrokkenen bij de overval opnieuw naar het filiaal van de [bank] zijn gereden. [mededader 2] heeft dit laatste ook verklaard en in zijn verklaring bij de politie zelfs dat op 15 mei 2004 vrijwel alle betrokkenen dezelfde positie hadden ingenomen als de dag ervoor. Uit een tapgesprek op 15 mei 2004 tussen [mededader 2] en [mededader 3] blijkt voorts nog dat over de overval op het filiaal van de [bank] is gesproken in die zin dat [mededader 2] naar [mededader 3] bij het bankfiliaal moest komen. Van een vrijwillige terugtred op de ochtend van

14 mei 2004 om een bankoverval te plegen is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake geweest. Het beroep hierop wordt derhalve verworpen.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 5, 6, 8,

9 primair, 11 primair, 12, 13 en 14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 2 primair:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd,

en van de voortgezette handeling van:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,

en

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3:

de voortgezette handeling van:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

5:

de voortgezette handeling van:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

6:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

8:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

9 primair en 11 primair:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

12:

medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

13:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

14:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

11. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12. Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13 en 14 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte en zijn mededaders hebben zich in een periode van een aantal maanden, telkens in wisselende samenstelling, schuldig gemaakt aan een reeks zware delicten, waaronder roofovervallen in woningen, het voorbereiden van een bankoverval, een overval in een videotheek en wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het gebruik van wapens en geweld niet is geschuwd. Tijdens een van de overvallen hebben de verdachte en zijn mededaders de slachtoffers, die zich in de besloten veiligheid en intimiteit van hun woning waanden, bedreigd met een heet strijkijzer. Het hof gaat er van uit dat de verdachte bij het plegen van voornoemde delicten een belangrijke uitvoerende rol heeft gespeeld. Dit zijn ernstige feiten waarbij de verdachte en zijn mededaders zich uitsluitend hebben laten leiden door hun zucht naar geldelijk gewin. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang de psychische gevolgen ondervinden van wat hun is aangedaan.

Voorts heeft de verdachte met een vuurwapen kogels afgevuurd in de richting van twee slachtoffers, tengevolge waarvan laatstgenoemden letsel hebben bekomen. Het is slechts aan omstandigheden buiten verdachtes wil te danken geweest dat hij de slachtoffers niet dodelijk heeft getroffen. Met zijn handelwijze heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Tot slot heeft de verdachte samen met een mededader een nabootsing van een pistool voorhanden gehad en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie.

Gelet op de veelheid en de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht het hof een gevangenisstraf van lange duur passend.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d.

4 augustus 2006 niet eerder voor het plegen van soortgelijke feiten is veroordeeld.

Het hof is – alles overwegende – van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt, mede in aanmerking genomen de vrijspraken van de feiten 4 en 10 en de aan de medeverdachten opgelegde straffen.

13. Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen zal worden beslist zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven.

De inbeslaggenomen beleningsbonnen, zoals vermeld onder nummer 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zullen worden verbeurdverklaard, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van (een of meer van) de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De inbeslaggenomen zestien kogelpatronen, van het kaliber 9 mm, dienen te worden onttrokken aan het verkeer aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 13 bewezenverklaarde feit is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Het inbeslaggenomen vuurwapen, zoals vermeld onder nummer 7 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dient eveneens aan het verkeer te worden onttrokken, nu dit aan de verdachte toebehorende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang, welk voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane strafbare feiten is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen gouden ketting met hanger, zoals vermeld onder nummer 3 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de teruggave aan [de rechthebbende] gelasten.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen sieraden, zoals vermeld onder nummers 4, 5 en 6 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

14. Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van na te melden aan de verdachte tenlastegelegde feit tot bedragen van:

terzake van feit 5 (zaak 2):

- [benadeelde partij 1] tot een bedrag van in totaal € 1.300,-, te weten € 1.000,- aan materiële schade en € 300,- als voorschot op immateriële schade;

- [benadeelde partij 2] tot een bedrag van in totaal € 3.050,-, te weten € 2.750,- aan materiële schade en € 300,- als voorschot op immateriële schade.

In eerste aanleg zijn de vorderingen wat betreft de immateriële schade toegewezen als gevorderd. Voor het overige zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaard.

In hoger beroep zijn de vorderingen van rechtswege aan de orde tot de in eerste aanleg toegewezen bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen tot de in eerste aanleg toegewezen bedragen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Namens de verdachte zijn de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist.

Naar het oordeel van het hof hebben de benadeelde partijen genoegzaam aangetoond dat de bij wijze van voorschot gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte bovengenoemde bewezenverklaarde feit. De vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve bij wijze van voorschot worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

15. Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht, ziet het hof aanleiding aan de verdachte telkens een verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op te leggen op de wijze zoals hierna is vermeld.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 (oud), 46 (oud), 47, 55, 56, 57, 282,

285 (oud), 310, 312 (oud) en 317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 en 10 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 5, 6, 8, 9 primair, 11 primair, 12, 13 en 14 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen beleningsbonnen, zoals vermeld onder nummer 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen patronen en het inbeslaggenomen vuurwapen, zoals vermeld onder respectievelijk nummers 2 en 7 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan [de rechthebbende] van de inbeslaggenomen gouden ketting met hanger, zoals onder nummer 3 vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen sieraden, zoals vermeld onder nummers 4, 5 en 6 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van na te melden benadeelde partijen tot na te melden bedragen en veroordeelt de verdachte om bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[benadeelde partij 1] een bedrag van € 300,-;

[benadeelde partij 2] een bedrag van € 300,-.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in verband met hun vorderingen hebben gemaakt

– welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil – en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichtingen op tot betaling aan de Staat van

een bedrag van € 300,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

6 (zes) dagen;

een bedrag van € 300,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen,

telkens met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van de slachtoffers niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers en omgekeerd.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormelde bedragen door de mededaders de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Verstaat dat de verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers komt te vervallen voor zover de mededaders hebben voldaan aan hun verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. van Boven,

mr. J. Kramer en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2006.