Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY7974

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
2200111006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De raadsman had zich er tijdig van moeten vergewissen of het aanhoudingsverzoek de politierechter had bereikt en - zo ja - of het was gehonoreerd; dit heeft de raadsman nagelaten. De stelling van de raadsman dat het in Rotterdam standaardpraktijk is dat een dergelijk aanhoudingsverzoek immer wordt toegewezen, doet aan het voorgaande niet af. Deze nalatigheid van de raadsman heeft tot gevolg dat de verdachte - vanwege het (door de raadsman) te laat ingestelde rechtsmiddel - niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001110-06

Parketnummer: 10-771176-05

Datum uitspraak: 24 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van

13 januari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

10 juli 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken.

De dagvaarding van de verdachte om op 13 januari 2006 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 21 november 2005.

Bij brief van 19 december 2005 heeft mr. [raadsman], advocaat te Rotterdam, zich als raadsman van de verdachte gesteld en verzocht hem de processtukken toe te zenden en hem een last tot toevoeging te geven.

Aangezien de verzochte processtukken niet aan hem waren toegezonden, heeft de raadsman op dag van de zitting in eerste aanleg telefonisch contact gezocht met de griffie van de rechtbank te Rotterdam, teneinde alsnog de stukken te verkrijgen en aanhouding van de zaak te verzoeken. De betreffende medewerker van de griffie heeft vervolgens geadviseerd om per telefax een dergelijk verzoek te doen. Bij bericht van 13 januari 2006 - ongeveer tweeëneenhalf uur voor het geplande aanvangstijdstip van de zaak - heeft de gestelde raadsman per fax een verzoek gedaan de zaak aan te houden.

Voorts heeft de raadsman de verdachte medegedeeld dat hij niet ter terechtzitting behoefde te verschijnen en is zelf evenmin ter zitting verschenen.

De verdachte is blijkens de aantekening van het mondelinge vonnis onder parketnummer 10-771176-05 van de politierechter van 13 januari 2006 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 weken, waarvan 10 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is door voornoemde raadsman op

20 februari 2006 hoger beroep ingesteld.

Naar mededeling ter terechtzitting van het hof van de plaatsvervanger van voornoemde raadsman heeft bedoelde griffiemedewerker niet toegezegd dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden. Daarom had de raadsman zich er tijdig van moeten vergewissen of het aanhoudingsverzoek de politierechter had bereikt en - zo ja - of het was gehonoreerd; dit heeft de raadsman evenwel nagelaten. De stelling van de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen raadsman dat het in Rotterdam standaardpraktijk is dat een dergelijk aanhoudingsverzoek immer wordt toegewezen, doet aan het voorgaande niet af.

Deze nalatigheid van de raadsman heeft tot gevolg dat de verdachte – vanwege het (door de raadsman) te laat ingestelde rechtsmiddel - niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. P.A. Offers, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juli 2006.