Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY7973

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
2200111205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag (voorwaardelijk opzet) en een bankoverval: een gevangenisstraf van twaalf jaren opgelegd.

Na aanvankelijk op diverse tijdstippen consistent en gedetailleerd te hebben verklaard dat – kort gezegd – hij, de verdachte, degene is geweest die de revolver heeft gehanteerd op het fatale moment, is de verdachte later op die verklaring teruggekomen. Niet hij, maar zijn medeverdachte zou de revolver op het fatale moment hebben gehanteerd. Het hof gaat hieraan voorbij en houdt de verdachte aan zijn eerdere bekentenis. Deze ziet immers op een feitelijke situatie in de fietsenwinkel, zoals die ook bevestiging vindt in getuigenverklaringen en past bij de bevindingen van de pathaloog-anathoom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001112-05

Parketnummer(s): 09-757352-04

Datum uitspraak: 11 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 februari 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 september 2005, 27 maart 2006, 19 juni 2006 en 28 augustus 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de nadere omschrijving tenlastelegging en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich beroepen op nietigheid van de inleidende dagvaarding, daartoe stellende – kort gezegd – dat doodschieten om af te persen een innerlijke tegenstrijdigheid bevat.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de inleidende dagvaarding, op voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafrecht in eerste aanleg nader omschreven en op vordering van de advocaat-generaal in hoger beroep gewijzigd, voldoet aan de wettelijke vereisten en niet innerlijk tegenstrijdig is. De enkele omstandigheid dat de in de tenlastelegging genoemde gedragingen niet in iedere combinatie met elkaar verenigbaar zijn, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 primair bewezen verklaarde

Na aanvankelijk op diverse tijdstippen consistent en gedetailleerd te hebben verklaard dat – kort gezegd – hij, de verdachte, degene is geweest die de revolver heeft gehanteerd op het fatale moment, is de verdachte later op die verklaring teruggekomen. Niet hij, maar zijn medeverdachte zou de revolver op het fatale moment hebben gehanteerd. Het hof gaat hieraan voorbij en houdt de verdachte aan zijn eerdere bekentenis. Deze ziet immers op een feitelijke situatie in de fietsenwinkel, zoals die ook bevestiging vindt in getuigenverklaringen en past bij de bevindingen van de pathaloog-anathoom. Voorts acht het hof onaannemelijk de stelling van de verdachte, dat hij heeft verklaard de schutter te zijn geweest uitsluitend om € 25.000,00 te krijgen van zijn mededader. Zijn mededader was immers al jarenlang zijn (problematische) schuldenaar en het bezoek aan [slachtoffer] was bedoeld om eindelijk die oude schuld van de mededader te incasseren.

Het hof gaat er op grond van het bovenstaande van uit dat de verdachte:

- in wat een overvalsituatie was althans zeer nabijkwam;

- een geladen revolver die – naar hij uit ervaring wist – onbetrouwbaar was in die zin dat deze min of meer spontaan dan wel ontijdig kon afgaan;

- heeft gestoken in de richting van het slachtoffer.

Dit laat naar ’s hofs oordeel redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat de verdachte daarmee bewust het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat [slachtoffer] door een schot uit de door hem, de verdachte, gehanteerde revolver dodelijk getroffen zou kunnen worden. Verdachtes opzet was aldus in voorwaardelijke zin op de dood van [slachtoffer] gericht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder dat het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte iemand het leven heeft gekost, en diens nabestaanden onherstelbaar leed heeft toegebracht. De onder 3 bewezen verklaarde bankoverval moet voor de slachtoffers een afschuwelijke ervaring zijn geweest die hen nog lang zal heugen. De ernst van deze feiten spreekt voor zich en behoeft geen nader betoog.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen, dat enerzijds de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 12 juli 2006, reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, alsmede dat psycholoog drs. S.M.J. van Zeijl in haar rapport Pro Justitia d.d. 28 oktober 2004 stelt, dat de kans op herhaling ‘sterk verhoogd’ is, welke conclusie het hof overneemt en tot de zijne maakt, hetgeen uit oogpunt van maatschappelijke beveiliging een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur vordert. Anderzijds heeft het feit dat er slechts sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van J. [slachtoffer] een matigend effect op de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte sub 1 tenlastegelegde tot een bedrag van € 7.783,09. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 5.170,49.

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.170,49 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 288 (oud) en 317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 26 (oud) en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van

€ 5.170,49 (vijfduizend honderdzeventig euro en negenenveertig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door de mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij], van een bedrag van € 5.170,49 (vijfduizend honderdzeventig euro en negenenveertig cent), voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] komt te vervallen voorzover de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. G.P.A. Aler en mr. M.P.J.G. van der Putten-Göbbels, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 september 2006.