Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY7499

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
05-09-2006
Zaaknummer
BK-06/00001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn de uitgaven voor de behandeling (liposuctie/lieslift) aan te merken als met ziekte verband houdende uitgaven voor geneeskundige hulp als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001; de achteraf opgestelde verklaringen bieden naar oordeel Hof onvoldoende grond om aan te nemen dat behandeling op voorschrift van een zodanige hulpverlener is verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1653
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

27 juni 2006

nummer BK-06/00001

UITSPRAAK

op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2005, nummer AWB 05/3214, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De Inspecteur P, heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.951.

1.2. Het tegen de aanslag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank 's-Gravenhage. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 103. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 mei 2006, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op datum en is ongehuwd.

3.2. In 2002 heeft zij € 29.686 aan loon uit dienstbetrekking genoten. Aan premie ziektekostenverzekering heeft zij in 2002

€ 1.815,48 voldaan.

3.3. Op 17 januari 2002 heeft zij in een kliniek voor plastische en reconstructieve chirurgie te Q een behandeling door een chirurg ondergaan. Blijkens de daarvan opgemaakte factuur van 4 januari 2002 betrof deze behandeling: liposuctie en lieslift. Het daarvoor verschuldigde bedrag van € 5.672,25 heeft belanghebbende op 4 januari 2002 per bank voldaan.

3.4. Gedagtekend 11 juli 2002 heeft de huisarts van belanghebbende een verwijsbriefje opgemaakt, luidende:

'litteken bovenbeen rechts + links. Verwijzing plastisch chirurg'

3.5. Op basis van deze verwijzing heeft belanghebbende in dezelfde kliniek in 2002 een tweede behandeling ondergaan. De kliniek heeft haar daarvoor geen kosten in rekening gebracht.

3.6. Gedagtekend 10 februari 2005 heeft voormelde huisarts een 'medische verklaring' betreffende belanghebbende afgegeven, luidende:

'Bovenvermelde patiente is bekend in mijn praktijk met huidoverschot aan de zowel binnen- als zijkanten van beide dijbenen. De patiente heeft psychische problemen daarmee gerelateerd waarvoor een correctieve operatie- lipectomie werd geindiceerd. Patiente werd in 2002 naar de plastisch chirurg in Rotterdam doorverwezen waar ook het ingrijp werd verricht.'

3.7. Gedagtekend 11 januari 2006 heeft voormelde huisarts wederom een 'medische verklaring' betreffende belanghebbende afgegeven, luidende:

'Mocht mijn verklaring d.d. 10-02-2005 niet duidelijk zijn geweest, dan verklaar ik hiermee dat de psychische problemen niet alleen betrekking hadden op de correctieve operatie- lipectomie, doch vanzelfsprekend ook op de daaraan voorafgaande liposuctie en lieslift d.d. 17-01-2002.'

3.8. Bij haar aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar, welke uitkwam op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.292, heeft belanghebbende rekening gehouden met een persoonsgebonden aftrek, bestaande uit buitengewone uitgaven wegens ziekte van € 4.659. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur dit bedrag niet in aftrek toegelaten.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het in 3.8 vermelde bedrag van € 4.659 terecht niet in aftrek is toegelaten, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in 3.3 vermelde behandeling (hierna: de behandeling) is geschied op voorschrift van een arts en dat de behandeling in direct verband heeft gestaan met een ziekte van belanghebbende. Tegen dat oordeel keert zich de grief van belanghebbende.

5.2. In wezen spitst het geschil zich toe op het antwoord op de vraag of de uitgaven voor de behandeling zijn aan te merken als met ziekte verband houdende uitgaven voor geneeskundige hulp als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

5.3. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aftrek van als buitengewone uitgaven aan te merken kosten van ziekte is dat de daarmee verband houdende behandeling is geschied op voorschrift van een naar Nederlandse begrippen

als genees- of heelkundige aan te merken hulpverlener. Ten aanzien van de behandeling is zulks niet aannemelijk gemaakt. De in 3.6 en 3.7 vermelde, achteraf opgestelde, verklaringen bieden naar het oordeel van het Hof onvoldoende grond om aan te nemen dat de behandeling op voorschrift van een zodanige hulpverlener is verricht, terwijl de in 3.4 vermelde verwijzing geen betrekking heeft op de behandeling.

5.4. Het beroep dat belanghebbende op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 november 2005, nummer 04/04608, LJN: AU8249, heeft gedaan, doet aan het in 5.3 gegeven oordeel niet af. In het in die zaak berechte geval heeft dat Gerechtshof immers wél aannemelijk geacht dat voor desbetreffende behandeling een medische noodzaak aanwezig was.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat de in 5.2 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan hoger beroep.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Tijnagel, Van Walderveen en Brandsma, in tegenwoordigheid van de gerechtsauditeur mr. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 27 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van de Vijver) (Tijnagel)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-06/00001 blz. 5/1