Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY6283

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
16-08-2006
Zaaknummer
05/147 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In de onderhavige zaak zij er geen redenen om af te wijken van het beginsel dat, indien de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, de voorzieningenrechter in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 14 juli 2006

Rolnummer: 05/147 KG

Kort gedingnummer rechtbank: 211/2004

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

VERENIGING VAN EIGENAREN APPARTEMENTEN CENTRUM AQUADELTA,

gevestigd te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duivenland,

appellante,

hierna te noemen: de VVE,

procureur: mr. P.S. Kamminga,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. H.C. Grootveld.

Het geding

Bij exploot van 23 december 2004 is de VVE in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 9 december 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg, in kort geding gewezen tussen partijen. De VVE heeft bij memorie van grieven twee grieven opgeworpen, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte (met productie) genomen en de VVE een antwoord-akte. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het dossier van de VVE ontbreken de bijlagen bij de pleitnotities van mr. G.Th.C. van der Bilt.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder "De feiten" een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [geïntimeerde] is eigenaar van een appartement in appartementencomplex "Centrum Aquadelta" van Recreatiepark Aquadelta, gelegen te Bruinisse aan de Hageweg 't Centrum 239, kadastraal aangeduid Bruinisse H 513 A150. Het appartementencomplex bestaat uit 275 appartementsrechten.

2.2 Aquadelta Beheer B.V. II (verder te noemen: ADB) is eigenares van 185 van voornoemde 275 appartementen. ADB is tevens administrateur van de VVE.

2.3 Blijkens de notulen van de vergadering van 11 november 1988 is onder meer het volgende besloten:

"3a Betalingsvoorwaarden

De voorzitter stelt de betalingsvoorwaarden als navolgend voor aan de leden ter Vergadering aanwezig en verzoekt hun erover te stemmen.

Betalingsvoorwaarden: de leden moeten voor 16 juli en 16 oktober (zijnde de data waarop de betalingstermijnen vervallen) hun verenigingsbijdrage betalen. De kosten van inkasso en de wettelijke rente zijn bij te late betaling altijd voor rekening van de eigenaar. Ingeval van te late betaling zal altijd een inkassobureau worden ingeschakeld.

Na stemming wordt het voorstel unaniem aangenomen."

Tijdens de vergadering van de VVE van 1 november 1996 is een soortgelijk voorstel aangenomen, waarbij hetgeen tijdens de vergadering van 11 november 1988 ten aanzien van de wettelijke rente en de kosten van incasso is besloten in stand te laten.

2.4 Sedert ongeveer 1992 wordt binnen de VVE gesproken over renovatie van het complex. Tijdens de vergadering van de VVE van 18 mei 2001 is door de architect een voorstel gepresenteerd om het complex te renoveren. Dit voorstel is uitgewerkt in een rapport dat is besproken tijdens de vergadering van 15 maart 2003.

2.5 Tijdens de ledenvergadering van 17 mei 2003 is het besluit tot renovatie van (de gemeenschappelijke gedeeltes) van het appartementencomplex genomen.

2.6 Twaalf leden van de VVE konden zich met dit besluit niet verenigen en hebben bij verzoekschrift van 17 mei 2003 de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Zierikzee verzocht het besluit nietig te verklaren dan wel te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] behoorde niet tot deze twaalf leden.

2.7 Bij beschikking van 28 oktober 2003 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. Vervolgens is bij arrest van 2 juli 2004 van dit hof deze beschikking bekrachtigd. Tijdens deze procedure hebben zich 31 belanghebbenden geschaard aan de zijde van de inmiddels nog elf overgebleven appellanten.

Daarna hebben voornoemde appelanten beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van dit hof.

2.8 Op 21 oktober 2004 heeft de VVE [geïntimeerde] gedagvaard in kort geding en – kort gezegd – betaling gevorderd van de renovatiekosten ad € 18.912,72, en gemaakte advocaatkosten ad € 771,47, beide vermeerderd met de wettelijke rente.

2.9 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de VVE geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde advocaatkosten, zodat de VVE ter zake niet ontvankelijk werd verklaard en heeft de gevorderde renovatiekosten afgewezen, omdat door toewijzing een onomkeerbare situatie zou ontstaan, die niet meer terug zou zijn te draaien in het geval het besluit door de Hoge Raad wordt vernietigd.

2.10 In hoger beroep is voorts als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden, het volgende komen vast te staan.

2.11 De in 2.7 bedoelde cassatieprocedure is inmiddels geroyeerd, omdat de individuele eigenaren inmiddels een compromis hebben gesloten met de VVE.

2.12 In de door de VVE tegen [geïntimeerde] aangespannen bodemprocedure (rolnr. 69/05) heeft de rechtbank Middelburg op 4 januari 2006 uitspraak gedaan. Bij vonnis van genoemde datum heeft de rechtbank de vordering van de VVE als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

3 De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.1 Het hof overweegt als volgt.

De onderhavige zaak betreft een kort gedingprocedure. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is noodzakelijk dat het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Verder zal, nu de vordering een geldvordering betreft, de rechter bij de afweging van belangen van partijen het restitutierisico moeten betrekken.

Indien de voorzieningenrechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient de voorzieningenrechter in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht. Hetzelfde geldt voor het hof, indien het hof is geroepen in hoger beroep een oordeel te geven in kort geding. Dit betekent voor de onderhavige zaak, dat – nu de bodemrechter de vordering heeft afgewezen – de vordering bij wijze van voorlopige voorziening in beginsel niet toewijsbaar is. Dat er in de onderhavige zaak redenen zijn om af te wijken van dit beginsel is niet gesteld, noch gebleken. Dit betekent dat het bestreden vonnis in stand kan blijven.

3.2 De VVE zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis in kort geding van 9 december 2004 door de rechtbank Middelburg, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt de VVE in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.484,- , waarvan te voldoen:

a) aan de griffier van het hof € 1.263,-, te weten € 369,- voor in debet gesteld griffierecht en € 894,- voor salaris procureur waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv, en

b) aan [geïntimeerde] voor niet in debet gesteld vast recht € 221,-.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In 't Velt-Meijer, C.G. Beyer-Lazonder en M.J. van der Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2006 in bijzijn van de griffier.