Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY6276

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
05/1126 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Gehoudenheid aan concurrentiebeding in opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Geldigheidsduur van het concurrentiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 14 juli 2006

Rolnummer: 05/1126 KG

Zaaknummer rechtbank: 161305 VV EXPL 05-51

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[werknemer]

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. S.F. van der Valk,

tegen

INTEGRA SPOORWEGVEILIGHEID B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Integra,

procureur: mr. E.M. van Hilten-Kostense,

Het geding

Bij exploot van 4 augustus 2005 is [werknemer] in hoger beroep gekomen van het von-nis van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, van 7 juli 2005, in kort ge-ding ge--we-zen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [werknemer] drie grieven te-gen voornoemd vonnis aan-ge--voerd, die door Integra bij memorie van ant-woord zijn be-stre-den. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals deze door de rechtbank onder "omschrijving van het geschil" als zodanig zijn vastgesteld, nu daartegen als zodanig niet is ge-griefd of anderszins is opgekomen.

2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het navolgende.

2.1. [werknemer] is op 18 mei 2002 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Integra als veiligheidsfunctionaris. Dit contract is opgevolgd door een tweede arbeidsovereen-komst, getekend op 13 december 2002, voor de duur van één jaar (15 december 2002 - 15 december 2003). Dit betroffen min/max contracten voor minimaal 10 en maximaal 160 uren per maand.

2.2. Vervolgens is op 7 mei 2003 een derde overeenkomst gesloten voor bepaalde tijd tot 1 april 2005. Dit laatste contract betrof een nul-urencontract.

Voor de perioden 21 september 2003 - 21 december 2003, 21 december 2003 - 21 juni 2004 en 1 september 2004 - 20 de-cember 2004 zijn aanvullende afspraken gemaakt op grond waarvan [werknemer] voor 160 uur per maand gegarandeerd werk had.

Nadien was geen sprake van een urengarantie en heeft [werknemer] gewerkt en be-taald gekregen voor zover hij werd opgeroepen: de eerste perio-de ging het om 90 uren per vier weken en in januari 2005 om 70 uur per vier we-ken.

2.3. [werknemer] had laatstelijk de functie leider werkplekbeveiliging PW, welke functie is ingedeeld in de laagste van de bij Integra gehanteerde vijf salarisschalen.

2.4. In elk van de voornoemde contracten is het volgende concurrentiebeding op-ge-nomen (met dien verstande dat in de eerste twee contracten de vermelding van de boetebedragen in cijfers en in letters andersom is):

"1. Het is de werknemer verboden gedurende de dienstbetrekking, alsmede binnen 12 maanden na beëindiging van de dienstbetrekking, direct of indirect, fulltime dan wel partieel, in Nederland of elders, een zaak te drijven, te doen drijven, dan wel in loon-dienst of op enigerlei andere wijze, hetzij direct of indirect, financieel betrokken te zijn waar spoorwegveiligheid diensten worden verricht zoals bij Integra Beveiliging B.V., c.q. Integra Spoorwegveiligheid B.V. en aan haar gelieerde ondernemingen, met inbegrip van adviesbureaus, trainings- en opleidings-instituten. Op straffe van en verbeurte aan Integra Beveiliging B.V. cq Integra Spoorwegveiligheid B.V. van een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete groot elfduizend driehonderd en vijfenveertig euro (€ 11.345,-) en vierhonderd vierenvijftig euro (€ 454,00) per dag onverminderd zijn gehoudenheid aan Integra Beveiliging B.V. cq Integra Spoorwegveiligheid B.V. een volledige schadevergoeding te dezer zake te betalen.

2. Overtreding van dit verbod tijdens het dienstverband zal als reden voor ontslag op staande voet kunnen worden aangemerkt.

3. Artikel 9.1 en 9.2 is nadrukkelijk tussen werknemer en werkgever besproken en door beide partijen in de alinea van dit artikel geaccordeerd."

2.5. Op 9 februari 2005 is de arbeidsovereenkomst op initiatief van [werknemer], die daarbij aangaf weer in zijn "oude" vak van lasser aan het werk te willen gaan, met wederzijds goedvinden beëindigd.

2.6. Een week na beëindiging van het dienstverband is [werknemer] in dienst getreden bij J.M.V. Uitzend- en Detacheringsbureau B.V. (hierna: JMV), een firma die haar werk--nemers onder andere uitzendt naar ondernemingen die zich bezig houden met werkzaamheden in de spoorwegveiligheid.

2.7. JMV is (en was ook toen reeds) een - net als Integra - door ProRail erkend werk-plekbeveiligingsbedrijf.

2.8. Integra heeft [werknemer] gesommeerd zijn werkzaamheden bij JMV te staken, aan welke sommatie hij geen gehoor heeft gegeven.

2.9. In eerste aanleg heeft Integra bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd [werknemer] te gebieden - zakelijke weergegeven - om 24 uur na betekening van het von-nis zijn werkzaamheden bij JMV te staken en zich ook anderszins aan het concur-ren-tiebeding te houden, op straffe van een dwangsom van € 454,= per dag, onder bepa-ling dat dit gebod zal gelden tot 9 februari 2006 (…). De rechtbank heeft deze vor-de-ring toegewezen.

3. In hoger beroep staat niet ter discussie dat tussen partijen een rechtsgeldig con-cur-rentiebeding is overeengekomen.

4. Blijkens de grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, is in dit hoger be-roep aan de orde de vraag of er voldoende reden is om te verwachten dat de bo-dem-rechter zal oordelen dat Integra [werknemer] in de gegeven omstandigheden aan het concurrentiebeding kan en mag houden. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

5. [werknemer] heeft onder meer aangevoerd dat hij bij JMV een fulltime arbeidsover-een-komst had gesloten, dat dit een contract voor bepaalde tijd was en dat er op korte termijn uitzicht bestond op verlenging daarvan voor onbepaalde tijd. Dit is als zoda-nig door Integra niet weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat.

6. Integra heeft bij pleidooi in eerste aanleg (zie blz. 17 van de pleitnota) onder meer aangevoerd (zakelijk weergegeven):

- dat haar orderportefeuille sterkt fluctueert en dat zij daarom genoodzaakt is om gebruik te maken van de wetgeving die flexibele arbeidsrelaties mogelijk maakt;

- dat er in de laatste maanden van 2004 zicht op was dat het aantal op-drach-ten sterk zou teruglopen en er geen concrete vooruitzichten waren op een op korte termijn aantrekken van de markt en dat dit zelfs zo ver ging dat zij bijvoorbeeld in de maand januari 2005 nagenoeg niet heeft kunnen factureren;

-dat het personeelsbestand in de moedermaatschappij Integra Beveiliging B.V., als-me-de in de dochtervennootschappen Integra en IRIS B.V., welke laatste firma zich ook bezig houdt met spoorwegveiligheid, werd ingekrompen van 45 personen totaal in december 2004 tot 32 in januari 2005 en 29 in februari 2005.

7. Het bovenstaande brengt - mede gelet op hetgeen hierboven sub 2.2. is over-wo-gen - mee dat [werknemer] een zwaar-we-gend belang had bij het aangaan van zijn ar-beidsovereenkomst met JMV. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is ge-steld of anderszins is gebleken dat Integra - vóór of bij zijn initiatief dat leidde tot be-ëin-diging van de arbeidsrelatie met wederzijds goedvinden - enige poging heeft on-der-nomen om [werknemer] er toe te bewegen de arbeidsrelatie niet tussentijds te ver-breken en/of enig (concreet) vooruitzicht heeft geboden op (meer) vastigheid c.q. uit-breiding van het aantal uren waar-voor hij zou worden opgeroepen.

8. Aan het voorgaande doet niet af dat [werknemer] op dat moment pas bijna 25 jaar oud (of: jong) was, nog bij zijn ouders woonde en ook als lasser (het beroep dat hij uitoefende voordat hij bij Integra in dienst trad) een baan had kunnen zoeken, aan-ge-zien hij er zeker op die leeftijd belang bij had om zijn loopbaan te vervolgen op het ter-rein waar hij de laatste drie jaar actief was geweest en de nodige opleidingen had genoten en om zich een vaster inkomen te verwerven dan op dat moment bij Integra aan de orde was.

9. Het belang van Integra dient in dit specifieke geval tot op zekere hoogte voor voor-meld belang van [werknemer] te wijken. Daarbij is het volgende in aanmerking geno-men.

-Integra heeft weliswaar in opleidingen van [werknemer] geïnvesteerd, doch dit be-trof-fen steeds opleidingen die (op dat moment) noodzakelijk waren om [werknemer] bij klan---ten te kunnen inzetten, derhalve opleidingen in het belang van de bedrijfsvoering van Integra. De daarvan deel uitmakende opleidingen WTB en VHM hebben onweer-spro-ken slechts een geldigheidsduur van één jaar en moeten dus steeds opnieuw worden gevolgd, zodat het voordeel dat een opvolgend werkgever ter zake heeft is beperkt tot de resterende periode van zo'n jaar;.

-JMV was ten tijde van de indiensttreding van [werknemer] al door ProRail erkend; die erkenning is dus niet (mede) via indiensttreding van [werknemer] tot stand gekomen.

-Integra en JMV werkten op een project bij Nacap en leverden elk 50% van het beno-digde personeel; ook [werknemer] was in dat kader werkzaam; volgens Integra heeft Nacap eind 2004 duidelijk gemaakt met ingang van begin 2005 nog slechts met één van beide firma's te willen werken en in december 2004 werd duidelijk dat Nacap medio januari 2005 alleen nog verder met JMV wilde gaan; gesteld noch gebleken is dat in december 2004 een aanstelling van [werknemer] bij JMV al in kannen en kruiken was, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet het geval was.

-dat [werknemer] bij Integra - waar hij in de laagste salarisschaal was ingedeeld - be-trokken was bij en over kennis beschikte omtrent plannen van Integra ter behoud/uit-breiding van haar bedrijfsdebiet, is door Integra onvoldoende concreet onderbouwd, zodat het hof aan die stelling voorbij gaat.

-Integra heeft onweersproken met al haar werknemers een concurrentiebeding ge-slo-ten, zodat zij geacht moet worden in voldoende mate te kunnen voorkomen dat haar concurrenten proberen haar werknemers over te nemen; dat [werknemer] beschikt over gegevens met betrekking tot kennis, opleiding en ervaring van zijn ex-collega's is derhalve in het onderhavige geschil niet doorslaggevend.

10. Het bovenstaande leidt - in onderlinge samenhang bezien - tot het oordeel dat er onvoldoende reden is om te verwachten dat de bodemrechter [werknemer] langer dan gedurende zes maanden na 9 februari 2005 aan zijn con-cur-ren-tiebeding zal houden. De vordering van Integra had derhalve moeten wor-den afge-we-zen voor zover deze die periode te buiten gaat. Het vonnis van de recht-bank kan derhalve in zoverre niet in stand blijven.

11. Nu beide partijen op wezenlijke punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de kos-ten van het geding - zovel in eerste aanleg als in hoger beroep - worden gecompen-seerd.

De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van 7 juli 2005 van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, in kort geding gewezen tussen partijen uitsluitend voor zover het daarin vervatte gebod en verbod een geldigheidsduur heeft die langer is dan tot 9 augustus 2005 en [werknemer] in de proceskosten is veroordeeld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- bepaalt de einddatum van de geldigheidsduur van de in voormelde vonnis vervatte gebod en verbod op 9 augustus 2005 (in plaats van 9 februari 2006);

- verklaart dit arrest tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- bekrachtigt voormeld vonnis voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Beyer-Lazonder, M.H. van Coever-den en

T.L. Tan en is uit-ge--spro---ken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2006 in aanwe-zig-heid van de grif-fier.