Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY6274

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
04/346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schending zorgplicht werkgever. Werkgever heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs van hem kon worden geverd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 7 juli 2006

Rolnummer: 04/346

Zaaknummer rechtbank: 478126.03

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[WERKNEMER],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. L.S.J. de Korte,

tegen

KALMAR SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Kalmar,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 26 februari 2004 is [werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 27 november 2003, gewezen tussen partijen. [werknemer] heeft bij memorie van grieven (met producties) één grief opgeworpen, die door Kalmar bij memorie van antwoord (eveneens met producties) is bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 4.1 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan. Daarnaast staan in hoger beroep de volgende feiten vast.

2. Het gaat in dit geval om het volgende.

2.1 [werknemer], [geboortedatum], is in september 1968 in dienst getreden van Kalmar, toen nog Groot-Hensen BV genaamd. De arbeidsovereen-komst is geëindigd in maart 2003 door vervroegde uittreding van [werknemer].

2.2 Op 20 december 1995 is [werknemer] bij een ongeval gewond geraakt, toen hij voor Kalmar in opdracht en op het bedrijfsterrein van Seaport Terminals B.V. onderhouds- en reparatiewerkzaamheden in de machinekamer van een havenkraan moest verrichten. De machinekamer is gelegen op een hoogte van circa 12 meter boven de kade. [werknemer] is bij het beklimmen van de havenkraan gevallen ten gevolge waarvan hij onder meer een schedelbasisfractuur en hersenkneuzing heeft opgelopen. [werknemer] is daarvoor van 20 december 1995 tot 4 januari 1996 opgenomen geweest in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam.

2.3 Van dit ongeval is een rapport opgemaakt door J.H. Galjaardt, Inspecteur bij de Inspectiedienst SZW, tevens Inspecteur van de Arbeid. Dit rapport houdt onder meer in:

“(…) De machinekamer, welke zich boven in de kraan bevindt, is te bereiken via enkele vaste aan de kraan bevestigde ladders, bordessen en trappen. De ladders zijn voorzien van grijpscepters, de bordessen en trappen zijn voorzien van hekwerk. (...).

Toedracht van het ongeval

Getroffene was onderweg naar de machinekamer van de haventopkraan (…). Aan zijn linkerschouder hing, aan een touw van circa 60 centimeter lengte, een kunststof gereedschapskoffer met een gewicht van circa 8 kg. (…). Vanaf de begane grond moet eerst een verticale ladder, vast bevestigd aan de kraan, worden beklommen. (…). Deze ladder is circa 2,70 meter lang. Op 3,60 meter vanaf de vloer van de havenkade bevindt zich een bordes (...). Getroffene had bijna de bovenzijde van de ladder bereikt en wilde met zijn rechterhand het hekwerk van het bordes vastpakken. Tijdens deze handeling greep hij mis en viel al draaiend en dalend om het aangrijpingspunt van zijn linkerhand achterover op de grond.

Bevindingen onderzoek

Getroffene moest in de machinekamer van haventopkraan nummer 7 werkzaamheden verrichten aan de remmen van het hijswerk. Om de machinekamer te bereiken dient gebruik gemaakt te worden van verticale ladders, bordessen en trappen.

De verticale ladders zijn van grijpscepters voorzien welke naast de ladderboom zijn aangebracht (…). Deze klimvoorzieningen zijn permanent bevestigd aan de haventopkraan en verkeerden in goede staat. Voor een veilig gebruik van de verticale ladders dient men beide handen tijdens het klimmen te kunnen gebruiken. Getroffene had een kunststofkoffer, van circa 8 kg inclusief inhoud, middels een touw aan zijn linkerschouder hangen en zodoende beide handen beschikbaar tijdens het naar boven klimmen via de verticale ladder. Getroffene droeg deugdelijk en voor het doel geschikt schoeisel.

Conclusie

Getroffene is een ervaren (leidinggevende) werknemer en is al meer dan 23 jaar als monteur werkzaam in het kraanonderhoud. De toegangsmiddelen, ladders, bordessen en trappen naar de machinekamer van de haventopkraan verkeerden in goede staat en voldoen aan de vigerende wetgeving. De door de getroffene gedragen persoonlijke beschermingsmiddelen, doorwerkjas, veiligheidsschoenen en handschoenen, zijn voor dit doel geschikt. Met betrekking tot het dragen van de kunststofkoffer en het plaatsvinden van het ongeval is geen causaal verband te leggen mede gezien de ervaring van de getroffene en het gewicht van de kunststofkoffer. De werkzaamheden behoefden niet onder een bepaalde tijdsdruk te worden uitgevoerd. Gezien het bovenstaande heb ik, rapporteur, afgezien van het opmaken van een proces-verbaal van vermoedelijke overtreding en volsta met dit ongevalrapport. “

2.4 In september 1995 is door G.W. van Leeuwen, adviseur arbeidsomstan-digheden verbonden aan Arboned Rijnmond, een Arbo Risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI & E) opgemaakt. Hoofdstuk 4.2, Primair proces, luidt als volgt:

“De werkzaamheden van (Kalmar) zijn gericht op de volgende aktiviteiten:

Onderhoud, reparatie, inspectie, renovatie, verzorgen van transporten, montage.

Het betreft hier aktiviteiten gericht op bewegingswerktuigen en staalconstructies zoals kranen, sluizen, stuwen, bruggen.

Sectoren waarvoor gewerkt wordt zijn hoofdzakelijk:

havenbedrijven, scheepswerven, betoncentrales, zand- en grindbedrijven, elektrische centrales, gemeenten, provinciale waterstaten (…).”

2.5 [werknemer] was een ervaren kracht en leidinggevende. Ten tijde van het ongeval was hij werkzaam als voorman-monteur / projectleider, ook wel leidinggevend monteur genaamd. Hij maakte toen ongeveer 5 jaar deel uit van de commissie Veiligheid, Gezondheid, Welzijn en Milieu van Kalmar (hierna: VGW-commissie).

2.6 [werknemer] vordert van Kalmar vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval op 20 december 1995, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [werknemer] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Kalmar haar zorgplicht volgens artikel 7:658 BW heeft geschonden.

Nadat [werknemer] de in eerste aanleg geboden mogelijkheid te repliceren onbenut voorbij had laten gaan, heeft de rechtbank de vordering afgewezen, oordelend dat Kalmar niet tekort is geschoten in haar zorg- en veiligheidsverplichtingen.

3. De grieven.

[werknemer] heeft tegen het vonnis van de rechtbank één algemene grief gericht welke ertoe strekt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor te leggen.

4. Het hof overweegt als volgt.

4.1 Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW dient de werknemer te stellen en bij gemotiveerde betwisting van de werkgever te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Kalmar heeft niet betwist dat [werknemer] bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden voor Kalmar een ongeval is overkomen en dat hij daardoor schade heeft geleden en nog zal lijden. Dat betekent dat Kalmar aansprakelijk is voor de door [werknemer] tengevolge van zijn val geleden schade, tenzij Kalmar aantoont dat zij de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen om een ongeval zoals dat [werknemer] is overkomen is nagekomen of dat nakoming van die verplichtingen het ongeval niet zou hebben voorkomen, dan wel dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [werknemer]. Het enkele feit dat het ongeval zich heeft voorgedaan (niet in de gebouwen of op de terreinen van Kalmar maar) op het terrein van haar klant Seaport Terminals staat niet aan aansprakelijkheid van Kalmar in de weg.

4.2 Voor de beoordeling hiervan dient als uitgangspunt dat naar vaste recht-spraak met artikel 7:658 lid 1 BW niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeids-ongevallen. Deze bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verlangd hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.3 Het hof stelt vast dat partijen van mening verschillen met betrekking tot de hoogte waarop de door [werknemer] te beklimmen verticale ladder trap begint (90 cm. of 1,20 m.) en de lengte van die ladder (2,70 m. of 2,45 m.) maar dat zij het erover eens zijn dat deze ladder uitkomt op een bordes dat zich op 3,60 m. of 3,65 m. boven de havenkade bevindt. Het hof acht deze verschillen voor de beoordeling niet van belang. [werknemer] heeft zich in zijn stellingen met betrekking tot de toedracht van het ongeval uitdrukkelijk aangesloten bij het vermelde in het in rov. 1.3 weergeven rapport. Kalmar heeft in CvA sub 5 en MvA sub 10 een toedrachtsbeschrijving gegeven. Deze toedrachtsbeschrijving houdt geen gemotiveerde betwisting van de stellingen van [werknemer] met betrekking tot de toedracht van het ongeval in. Dat betekent dat het hof er vanuit gaat dat [werknemer], toen hij de bovenzijde van de eerste ladder had bereikt en, zich met zijn linkerhand vasthoudend aan de railing (grijpscepter) aan de linkerkant van de eerste ladder, op het bordes wilde stappen, hij met zijn rechterhand de railing aan de rechterkant misgreep en zijn evenwicht verloor. Vervolgens is hij, al draaiend en dalend om het aangrijpingspunt van zijn linkerhand, achterover op de havenkade gevallen. (Dat Kalmar in MvA sub 41 spreekt over “misgegrepen met zijn linkerhand”, beschouwt het hof als een verschrijving nu overal elders in de stukken ervan wordt uitgegaan dat [werknemer] zich met zijn linkerhand aan de grijpscepter vasthield en ook Kalmar dat in MvA sub 10 noemt.)

4.4 [werknemer] heeft gesteld dat het evident is dat het beklimmen van een kraan, gelet op het altijd aanwezige gevaar van het vallen van een ladder zoals die door [werknemer] beklommen moest worden, risico’s oplevert. Zulks moge juist zijn, daaruit volgt evenwel niet dat Kalmar aansprakelijk is (vgl. rov. 4.2). In dit verband is het volgende van belang.

4.5 Overeenkomstig artikel 4 (oud) Arbeidsomstandighedenwet rustte op Kalmar de verplichting een deugdelijke inventarisatie en evaluatie van alle gevaren die het werk voor de veiligheid van haar personeel met zich brengen vast te leggen. Kalmar heeft, naar tussen partijen niet in geschil is, daaraan uitvoering gegeven door de in rov. 2.4 genoemde RI & E. De RI & E was ten tijde van het ongeval van recente datum en is, als vermeld in het rapport, opgemaakt op verzoek van de directie van Kalmar door de adviseur arbeidsomstandigheden Van Leeuwen, verbonden aan Arboned Rijnmond. Het hof gaat er vanuit dat Van Leeuwen, in aanmerking genomen zijn functie en kennelijke taak, als deskundige op het gebied van arbeidsomstandigheden is te beschouwen. Gesteld noch gebleken is bovendien dat het onderzoek van Van Leeuwen, als verwoord in de RI & E, of het RI & E-rapport zelve zodanige gebreken bevat dat Kalmar niet heeft mogen menen daarmee aan haar hiervoor bedoelde verplichting te voldoen. De kritiek van [werknemer] op de RI & E, inhoudend dat daarin geen aandacht wordt geschonken aan het gevaar van vallen bij klimmen en ook de combinatie van klimmen en het meenemen van uitrusting, maakt zulks niet anders.

4.6 [werknemer] heeft, op zich terecht, opgemerkt dat in het kader van de RI & E Seaport Terminals niet is bezocht. Het hof acht dit echter, zowel met het oog op de RI & E als de verdere zorgplicht van Kalmar, niet van belang, in aanmerking genomen de bedrijfsactiviteiten en het marktsegment waarin Kalmar optreedt alsmede de aard van de machines en werktuigen waaraan zij haar werkzaamheden verricht als omschreven in onderdeel 4.2 van de RI & E. Niet weersproken is dat de werkzaamheden waarmee [werknemer] op de fatale dag belast was (rov. 2.2), behoorden tot de reguliere activiteiten van Kalmar en [werknemer]. Voorts is gesteld noch gebleken dat de situatie bij Seaport Terminals wezenlijk anders was dan de omstandigheden die Arboned aan haar rapport ten grondslag heeft gelegd.

4.7 In aansluiting op het voorgaande geldt dat Kalmar (CvA sub 24) opgemerkt heeft dat de werkzaamheden die [werknemer] op 20 december 1995 uitvoerde niet bijzonder moeilijk of gevaarlijk waren voor een gemiddelde werknemer, laat staan voor een werknemer met de ervaring en kennis over veiligheidsregels en aspecten als [werknemer], hetgeen door [werknemer] als zodanig niet is weersproken. Aan het betoog van [werknemer] bij memorie van grieven zijn geen feiten of omstandigheden te ontlenen die hierop een ander licht werpen. Kalmar mocht, gegeven het vermelde in rov. 2.5, bij de uitvoering van dit werk de (verdere) zorg voor veiligheid ter plaatse in beginsel aan [werknemer] overlaten. Zulks geldt m.n. voor wat [werknemer] zelf als evident risico aanmerkt (rov. 4.4).

4.8 Het hof acht voorts van belang

a. dat Van Leeuwen kennelijk geen aanleiding heeft gevonden in de door hem opgemaakte RI & E méér aandacht te vragen voor het risico te vallen dan voor het werken op hoogten boven 2,5 meter. Daargelaten het feit dat tussen partijen niet vast staat dat aan [werknemer] geen veiligheidsgordel is uitgereikt (MvA sub 43), deelt het hof niet de opvatting van [werknemer] dat met werken op hoogten gelijk gesteld dient te worden het zich naar een dergelijke hoogte begeven: het gaat om een andere bezigheid en duurt niet langer dan benodigd voor het bereiken van de feitelijke werkplek (i.c. de machinekamer van de haventopkraan);

b. dat kennelijk ook de VGW-commissie, waarvan de [werknemer] deel uitmaakte, geen aanleiding heeft gezien aandacht te vragen voor het risico te vallen bij het beklimmen van objecten of werktuigen en het naar boven meenemen van gereedschappen, zoals blijkt uit het Veiligheidsreglement uit 1989 en het gereviseerde Veiligheidsreglement uit 1996.

c. dat [werknemer] de bevindingen van Galjaardt vermeld in zijn in rov. 2.3 weer-gegeven rapport niet heeft betwist, noch gemotiveerd heeft gesteld dat de conclusie van Galjaardt dat de toegangsmiddelen, ladders, bordessen en trappen naar de machinekamer van de haventopkraan in goede staat verkeerden en voldeden aan de vigerende wetgeving niet juist is;

d. dat [werknemer] het betoog van Kalmar (CvA sub 21 e.v.) onvoldoende weersproken heeft. Gegeven de in aanhef van rov. 4.3 genoemde hoogte(n), alsmede de lengte(n) van de ladder, valt niet in te zien dat de NEN 2023 - ten aanzien waarvan [werknemer] niet heeft gesteld dat die niet van toepassing is – zou vereisen dat de ladder van een klimkooi voorzien zou moeten zijn, noch de versie zoals die ten tijde van het ongeval gold, noch de versie die kort nadien van kracht is geworden. Aan [werknemer] kan toegegeven worden dat aan de ladder “een klimkooi aangebracht had kunnen worden.” Het komt het hof evenwel niet voor – in de stukken is daarvoor onvoldoende steun te vinden – dat zulks, nogmaals: gegeven de in aanhef van rov. 4.3 genoemde hoogte(n), alsmede de lengte(n) van de ladder, een in redelijkheid van Kalmar te verlangen voorziening zou zijn.

4.9 Dat Kalmar tekortgeschoten is in haar zorg- en veiligheidsverplichting jegens [werknemer] door niet te voorzien in een deugdelijk methode om op de werkplek, i.c. de machinekamer van de havenkraan, te kunnen beschikken over de voor het uitvoeren van de werkzaamheden benodigde gereedschappen, is het hof evenmin gebleken. Zowel met behulp van een door Kalmar onweersproken aan haar personeel ter beschikking gestelde pukkel of gereedschapgordel, als met het door [werknemer] aan zijn gereedschapskoffer gebonden touw wordt bereikt dat de werknemer beide handen beschikbaar heeft tijdens het naar boven klimmen, zoals door Galjaardt terecht van belang is geoordeeld. Een hoeveelheid gereedschap met een gewicht van ongeveer 8 kg. vormt bovendien niet een zodanige hoeveelheid dat reeds om die reden van Kalmar verlangd mocht worden te voorzien in een andere transportmethode, dan wel [werknemer] op de gevaren daarvan specifiek te wijzen. De suggestie van [werknemer], het ter beschikking stellen van een rugzak, is onvoldoende onderbouwd om te kunnen leiden tot de conclusie dat dit, niet slechts op de eerste te beklimmen meters maar ook op de verdere tocht naar boven, een verbetering van de veiligheid zou opleveren meebrengend dat van Kalmar verlangd mocht worden dat zij haar personeel daarvan zou voorzien.

4.10 Kalmar heeft onweersproken aangevoerd dat zij [werknemer] heeft voorzien van veiligheidsschoenen en nieuwe handschoenen, die door de inspecteur Galjaardt als adequaat aangemerkt zijn. Aangenomen dat nieuwe handschoenen wellicht nog wat minder grip hebben, zoals gesteld door [werknemer], brengt dit geen waarschuwingsverplichting van Kalmar jegens [werknemer] met zich mee.

4.11 Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt tot de conclusie dat Kalmar heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs van haar kon worden gevergd. Dat betekent dat de vordering van [werknemer] afgewezen behoort te worden en dat het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden behoort te worden bekrachtigd. Als in het ongelijk te stellen partij wordt [werknemer] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Kalmar.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 27 november 2003, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van Kalmar in hoger beroep tot op deze uitspraak begroot op € 1.135,00 (waarvan € 241,00 voor griffierecht en € 894,00 voor salaris procureur);

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H van Coeverden, T.L. Tan en J.W. van Rijkom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2006 in bijzijn van de griffier.