Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY5959

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
11-08-2006
Zaaknummer
1258-H-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BB3775, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BB3775
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor erkenning. De vader lijdt aan het syndroom van Asperger en woont in Engeland. Dit staat erkenning niet in de weg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 14 juni 2006

Rekestnummer. : 1258-H-05

Rekestnr. rechtbank : 01-3656

[verzoekster],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E.H. de Milliano-Machielse,

tegen

[verweerder],

wonende te Londen (Groot Brittannië),

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.D.A. Geleijns.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. mr. A.B. Baumgarten,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen [de minderjarige],

kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

2. de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 17 oktober 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 juli 2005.

De man heeft op 22 maart 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 8 december 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 18 april 2006 een aanvullend stuk ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 10 maart 2006 laten weten ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Het openbaar ministerie heeft het hof op 8 mei 2006 op voorhand een schriftelijke conclusie doen toekomen.

Op 10 mei 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de procureur van de moeder, de vader, bijgestaan door zijn procureur, de bijzondere curator en namens de raad: de heer W. Harlingen. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Ten behoeve van de vader is als tolk in de Engelse taal verschenen mevrouw drs. M. Kramp, die de bij de wet voorgeschreven belofte heeft afgelegd. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de procureur van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal mr. J.P. Wittop Koning, heeft het woord gevoerd overeenkomstig de voormelde schriftelijke conclusie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 2 december 2002 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige], geboren [in] 2000, verder: [de minderjarige], door de man.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking voor zover daarbij de toestemming van appellante tot erkenning van [de minderjarige] is vervangen, te vernietigen en het - naar het hof verstaat - inleidend verzoek van geïntimeerde af te wijzen.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren althans haar appèl af te wijzen en de bestreden beschikking geheel te bekrachtigen.

4. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar stelling dat de man aan het syndroom van Asperger lijdt onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de moeder heeft zij haar vermoeden dienaangaande met veel feiten en aan de hand van deskundigenverklaringen onderbouwd. Zij is dan ook van mening dat de rechtbank de man aan een persoonlijkheidsonderzoek had dienen te onderwerpen en geen genoegen had mogen nemen met de eenvoudige ontkenning van de man dat hij niet aan voormeld syndroom lijdt. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar bezwaren dat erkenning recht geeft op omgang, nu omgang in deze procedure niet aan de orde is. Erkenning geeft in principe recht op omgang, zodat omgang indirect wel aan de orde is, aldus de moeder. Zij acht omgang tussen de man en [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige]. De moeder bestrijdt vervolgens het oordeel van de rechtbank dat de kans dat de moeder door de erkenning weer in een depressie geraakt en hierdoor risico op schade voor [de minderjarige] ontstaat niet in de rede ligt. De moeder stelt dat erkenning door de man voor haar een zware psychische belasting vormt en dat gezien haar eerdere depressies een nieuwe zware depressie zeker te verwachten is. Dit zal volgens de moeder directe en heftige gevolgen hebben voor de opvoedingssituatie van [de minderjarige], hetgeen niet in haar belang is. Voorts is de moeder van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de visie van de moeder dat de beslissing inzake de erkenning uitgesteld moet worden naar de late puberteit van [de minderjarige], omdat zij dan zelf kan beslissen of zij door de man erkend wil worden, niet deelt. De moeder acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij pas met de man geconfronteerd wordt als zij voldoende onderscheidend vermogen bezit om te kunnen begrijpen wie hij is. Bovendien zal [de minderjarige] pas met de man - die de Nederlandse taal niet spreekt - kunnen communiceren als zij de Engelse taal machtig is. De moeder bestrijdt tenslotte het oordeel van de rechtbank dat zij niet meer naar voren heeft gebracht dan haar emotionele weerstand tegen de erkenning en dat deze weerstand onvoldoende is om het verzoek van de man af te wijzen. Volgens de moeder heeft zij tevens op feiten gebaseerde bezwaren naar voren gebracht, onder andere dat de man niet met haar wil communiceren ondanks haar vergaande inspanningen daartoe, zijn desinteresse in [de minderjarige] en zijn gebrek aan visie hoe hij een bijdrage kan leveren aan de opvoeding van [de minderjarige]. Gezien het vorenstaande is de moeder van mening dat de rechtbank ten onrechte de toestemming van de moeder tot erkenning door de man van [de minderjarige] heeft vervangen.

5. De man ontkent dat hij aan het syndroom van Asperger lijdt. Zijn persoonlijkheid heeft de moeder destijds niet belet een relatie met hem aan te gaan en ook na het beëindigen daarvan nog contact met hem te zoeken, aldus de man. Bovendien is de reputatie van de door de moeder aangevoerde deskundige op het gebied van het syndroom van Asperger twijfelachtig. De man verklaart echter nog steeds bereid te zijn een persoonlijkheidsonderzoek te ondergaan. Hij is van mening dat, ook indien hij aan voormeld syndroom zou lijden, dit hem nog niet diskwalificeert als juridische ouder, casu quo dat daardoor nog niet voldaan is aan het criterium dat erkenning de ongestoorde verhouding tussen de moeder en [de minderjarige] en/of de belangen van [de minderjarige] schaadt. De man is met de rechtbank van mening dat de omgangsregeling in de onderhavige procedure niet aan de orde is. Hij erkent echter dat hij graag een omgangsregeling wil hebben met [de minderjarige], hetgeen ook de reden is dat hij juridisch vader wil worden. Immers, juridisch vaderschap geeft een rechtsingang tot een omgangsverzoek als er, zoals in de onderhavige zaak, geen sprake is van ‘family life’. Naar zijn mening is omgang met hem in het belang van [de minderjarige]. De man is van mening dat de moeder niet heeft onderbouwd dat zij aan depressies heeft geleden of dat een depressie te verwachten is. Zij is een zelfstandige vrouw die haar zaken goed op orde heeft, ook in haar gezinssituatie, zodat het ontstaan van een depressie door de erkenning niet waarschijnlijk is. Voorts stelt de man dat uitstel van de beslissing inzake erkenning betekent dat er de komende tien jaar geen enkel contact zal zijn tussen hem en [de minderjarige]. Volgens de man heeft de raad tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank te kennen gegeven het in het belang van de identificatieontwikkeling van [de minderjarige] te achten dat de man het kind mag erkennen, zodat uitstel niet in het belang is van [de minderjarige]. De man ziet de taal daarbij niet als een probleem, immers toen hij nog bij de moeder woonde, had hij ook goed contact met haar andere kinderen. De man stelt dat de bezwaren die de moeder aanvoert terug zijn te leiden tot emotionele weerstand bij de moeder. Bovendien zien zij meer op omgang dan op erkenning. De man ontkent het door de moeder gestelde omtrent haar inspanningen de communicatie tussen partijen te herstellen. Hij verklaart dat er gesprekken zijn geweest, maar dat deze op niets zijn uitgelopen. De moeder heeft daarna alle contact tussen de man en [de minderjarige] verhinderd en hem meegedeeld door te zullen procederen tot het Europese Hof om de erkenning te voorkomen. Tenslotte verklaart de man dat hij veel interesse heeft in [de minderjarige] en dit heeft getoond door bijvoorbeeld een bijdrage in het levensonderhoud van [de minderjarige] aan te bieden en in Cambodja gedeeltelijk een school te financieren die de naam van [de minderjarige] draagt. Hij stelt altijd al een relatie met [de minderjarige] te hebben willen opbouwen. De moeder heeft echter tot op heden verhinderd dat de man een rol in het leven van [de minderjarige] kan spelen. Gezien het vorenstaande is de man van mening dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

6. De bijzondere curator verklaart zijn standpunt in eerste aanleg te handhaven. Naar zijn mening staat niets eraan in de weg het verzoek van de man toe te wijzen.

7. De raad handhaaft zijn uiteindelijke advies - zoals geuit tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg - toestemming tot erkenning van [de minderjarige] aan de man te verlenen, daar dit in het belang is van [de minderjarige] en zij het recht heeft haar vader te kennen. Weliswaar lijken de conceptadviezen van de raad verwarrend, maar dit heeft te maken met de complexiteit van de zaak. De raad stelt steeds te hebben getracht in het belang van [de minderjarige] een advies uit te brengen waarvoor bij beide partijen voldoende draagvlak zou bestaan. De raad verklaart ten slotte dat uit eigen ervaring is gebleken dat het mogelijk is een kind van vijf jaar oud uit te leggen wie zijn biologische vader is.

8. Het openbaar ministerie concludeert dat de grieven van de moeder ongegrond zijn en dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Ter terechtzitting heeft het openbaar ministerie ter aanvulling nog het volgende gesteld. Uit de wetsgeschiedenis waarnaar in de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2001 (JOL 2001, 127) wordt verwezen, blijkt dat alleen in zeer duidelijke gevallen vervangende toestemming tot erkenning geweigerd zou moeten worden, bijvoorbeeld indien de verwekker de moeder heeft verkracht, of indien de verwekker zich nimmer iets van het kind heeft aangetrokken en in feite geen goede bedoelingen heeft met de erkenning. Emotionele weerstand van de moeder tegen de erkenning op zich is niet voldoende om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan alleen anders komen te liggen wanneer duidelijk zou worden dat de weerstand van de moeder zodanig negatieve gevolgen heeft voor de positie van het kind dat zijn belang wel eens niet gediend zou kunnen zijn met de erkenning. In het onderhavige geval blijkt uit het raadsrapport dat de moeder wel meningen, vermoedens, twijfels en angsten ten aanzien van de man uit, maar deze niet nader onderbouwt. Het openbaar ministerie is derhalve van mening dat de moeder onvoldoende argumenten heeft aangedragen om te kunnen spreken van meer dan emotionele weerstand tegen de erkenning die bovenvermelde uitzondering zou rechtvaardigen.

9. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne, met dien verstande dat waar de rechtbank overweegt dat primair staat het belang en de aanspraak van de man bij het tot stand komen van de familierechtelijke rechtsbetrekking het hof verstaat dat primair staat het belang van [de minderjarige] en de man bij en hun aanspraak op het tot stand komen van de familierechtelijke rechtsbetrekking. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof overweegt daarbij aanvullend nog het volgende. Overeenkomstig het door de man in zijn verweerschrift gestelde, geldt dat in het geval de man zou lijden aan het syndroom van Asperger, dit enkele feit hem nog niet zou diskwalificeren ten aanzien van het juridische vaderschap dat door de erkenning tot stand komt, noch tot de conclusie zou nopen dat erkenning de ongestoorde verhouding tussen de moeder en [de minderjarige] en/of de belangen van [de minderjarige] zou schaden. Het hof ziet derhalve geen grond voor het gelasten van een persoonlijkheidsonderzoek als door de moeder gewenst. Omtrent de grief van de moeder dat de rechtbank voorbij is gegaan aan haar bezwaren tegen omgang, overweegt het hof voorts als volgt. Zoals het openbaar ministerie in zijn conclusie stelt, heeft de Hoge Raad bepaald dat de enkele omstandigheid dat de man door de erkenning een wettelijk recht op omgang met het kind krijgt en de rechter kan verzoeken een omgangsregeling vast te stellen, op zichzelf geen grond vormt om de vervangende toestemming voor erkenning te weigeren. De moeder heeft voorts haar stelling dat een nieuwe zware depressie bij erkenning door de man van [de minderjarige] zeker te verwachten is, niet met stukken onderbouwd. Immers, de door haar toegezegde deskundigenrapporten dienaangaande hebben het hof niet tijdig bereikt. Gezien het vorenstaande acht het hof onvoldoende aannemelijk dat de psychische gesteldheid van de moeder aan de erkenning van [de minderjarige] door de man in de weg staat. Ten aanzien van de door de moeder aangevoerde argumenten voor uitstel van erkenning geldt dat noch het gebrek aan communicatie tussen de moeder en de man, noch de taalbarrière aan het nu al vestigen van een familierechtelijke betrekking in de weg staat. Voor zover de moeder betoogt dat de vader nooit blijk heeft gegeven van interesse in [de minderjarige], overweegt het hof ten slotte als volgt. Gebleken is dat de man reeds in juni 2001 zijn inleidend verzoek inzake vervangende toestemming tot erkenning heeft ingediend. Voorts is de man in de procedures die daarop volgden steeds vanuit zijn woonplaats Londen ter terechtzitting verschenen en is hij ook overgekomen ten behoeve van het raadsonderzoek. Het vorenstaande en het feit dat de man ook op andere wijzen heeft getracht betrokken te zijn bij het leven van [de minderjarige], getuigt naar het oordeel van het hof voldoende van de belangstelling van de man voor [de minderjarige].

10. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het inleidend verzoek van de man inzake het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] terecht heeft toegewezen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gerretsen-Visser, Tanja-van den Broek en Van Montfoort, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2006.