Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY5780

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
1279-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling (en vaststelling van de omvang) van huwelijksgoederengemeenschap volgens Nederlands recht. Verknochtheid van onder meer huwelijkscadeaus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 19 april 2006

Rekestnummer : 1279-H-05

Rekestnr. rechtbank : 03-2999

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: voorheen mr. F. Arslan,

tegen

[verweerder],

verblijvende in de penitentiaire inrichting [x],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. I.J. Pieters.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 25 oktober 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 25 juli 2005.

De man heeft op 6 december 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 18 november 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Op 24 februari 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de toenmalige procureur van de vrouw, mr. F. Arslan en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. L.M. Verkuil. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Voorts is de man bijgestaan door een tolk in de Turkse taal, mevrouw E. Yasa.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikkingen van 1 december 2003 en 9 september 2004 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw tot de verdeling van de gemeenschap van goederen en de boedelscheiding alsnog toe te wijzen. De man bestrijdt haar beroep.

3. Geen grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht. Mitsdien zal het hof van de toepasselijkheid van dat recht uitgaan.

Waardering

4. Het hof leest in grief 1 dat de vrouw van mening is dat de voormalige echtelijke woning aan haar moet worden toebedeeld, onder de voorwaarde dat de waarde van de woning gelijkgesteld dient te worden aan de op de onroerende zaak rustende hypothecaire geldlening.

De man heeft de grief van de vrouw gemotiveerd bestreden. Hij is van mening dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op het bedrag waarvoor de woning is getaxeerd, te weten € 72.000,-.

5. Het hof overweegt als volgt. Voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is in beginsel bepalend de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, in dit geval dus de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voor de waardering van de boedelbestanddelen dient in beginsel uitgegaan te worden van de datum van de verdeling van de goederen, tenzij partijen anders met elkaar zijn overeengekomen of zulks in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De argumenten die de vrouw heeft aangevoerd in haar toelichting op grief 1, te weten dat zij gedurende de detentie van de man de lasten van de onroerende zaak heeft voldaan is rechtens geen relevante grond om de waarde van de woning gelijk te stellen met de op de onroerende zaak rustende hypothecaire geldlening. Aangezien het tijdstip van de waardering niet ter discussie staat tussen partijen, echter alleen de waarde zelf, is het hof van oordeel dat voor de waardering van de onroerende zaak uitgegaan kan worden van het taxatierapport. Daaruit volgt dat het hof zal uitgaan van een waarde van de woning van € 72.000,-. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de overwaarde van de woning, zijnde € 72.000,- minus het bedrag van de hypothecaire geldlening, gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld. Nu daaromtrent niets is gesteld of gebleken, gaat het hof er van uit dat de kosten van de echtelijke woning die zijn betaald vóór de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, als gemeenschapsschulden zijn voldaan ten laste van het gemeenschapsvermogen. Van een verrekening ten gunste van de vrouw kan mitsdien geen sprake zijn.

6. De na de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap ontstane schulden met betrekking tot de woning en die door de vrouw zijn voldaan, blijven naar het oordeel van het hof te haren laste, nu de woning kort na die ontbinding aan haar is toebedeeld en zij daar steeds met der partijen kinderen woonachtig is geweest. Grief 1 treft geen doel.

Kosten van de onverdeelde boedel

7. Grief 2 heeft betrekking op de taxatiekosten van de onroerende zaak van € 172,42. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij ermee akkoord is dat het bedrag van € 172,42 verrekend mag worden met het bedrag dat de vrouw in het kader van de verdeling aan de man moet voldoen. Nu de man er mee instemt dat de schuld wordt betaald door middel van verrekening, is aan grief 2 de grondslag ontvallen en treft deze geen doel.

Omvang van de huwelijksgoederengemeenschap

8. In grief 3 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de schuld van de man aan zijn werkgever aangemerkt kan worden als huwelijkse schuld. Daartoe voert zij aan dat zij het zich niet kan voorstellen dat de man – gelet op het korte dienstverband – een dergelijke lening heeft kunnen krijgen. De man heeft de grief van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man heeft aangevoerd dat hij de lening onder meer is aangegaan voor de bruiloft van partijen.

9. Naar het oordeel van het hof kan de enkele veronderstelling van de vrouw dat het onvoorstelbaar is dat de man bij een kort dienstverband een lening van zijn werkgever zou krijgen, niet leiden tot het slagen van haar grief. De vrouw heeft ook overigens geen argumenten aangedragen, die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de lening nimmer door de man is afgesloten, dan wel dat de lening geen gemeenschapsschuld is. Derhalve faalt deze grief.

Wanneer is sprake van een verknocht goed?

10. In grief 4 leest het hof dat de vrouw van mening is dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat de huwelijkse cadeaus als verknochte goederen dienen te worden aangemerkt. De man heeft gesteld dat de huwelijkscadeaus in de huwelijksgemeenschap vallen. De vrouw heeft ter zake de verknochtheid aangevoerd dat het naar Turkse en Islamitische gebruiken en rituelen gebruikelijk is dat de vrouw een bruidsschat krijgt die kan bestaan uit geld, gouden sieraden en andere waardevolle spullen. Volgens de vrouw ligt in Turkse gebruiken, maar ook volgens de Islam, vast dat als de vrouw als maagd in het huwelijk treedt, zij een bruidsschat krijgt.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 1:94 lid 3 BW vallen niet in de gemeenschap de goederen en schulden die op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn aan een der echtgenoten. De argumenten die de vrouw hiervoor heeft aangevoerd om tot verknochtheid te concluderen, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de gevolgtrekking te komen dat de huwelijkscadeaus verknochte goederen zijn aan de zijde van de vrouw. Grief 4 treft evenmin doel.

Berekening

12. De advocaat van de man heeft ter zitting een berekening in het geding gebracht, waaruit volgens de man blijkt welk bedrag de vrouw aan hem is verschuldigd ter zake van overbedeling.

Geldcadeaus

13. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn de hiervoor breder omschreven huwelijksgiften geen verknochte goederen. De hoogte van de geldcadeaus, in totaal € 13.344,76, is niet in geschil, zodat het hof van dit bedrag uitgaat.

Gouden sieraden

14. De waarde van de sieraden is evenmin in geschil tussen partijen. Wel stelt de vrouw dat zij het niet redelijk acht dat zij de helft van de waarde van de sieraden aan de man dient te vergoeden, nu zij de sieraden niet in haar bezit heeft. Zij vermoedt dat de sieraden in opdracht van de man uit de echtelijke woning zijn weggehaald.

15. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan heeft bewezen, dat de sieraden in het bezit van de man zijn. Het hof zal derhalve aan de stellingen van de vrouw op dit punt voorbij gaan. Nu de waarde van de sieraden niet in geschil is, dient de vrouw de helft van de waarde aan de man te vergoeden.

34 stukjes goud

16. Ten aanzien van de stukjes goud stelt de vrouw dat de waarde daarvan fl. 18,- per stukje is en niet € 18,-. De man stelt dat van de waarde in euro’s moet worden uitgegaan. Over het aantal stukjes goud zijn partijen het eens.

17. Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de stukjes goud, stelt het hof de waarde van het goud in redelijkheid vast op € 13,-, zijnde het gemiddelde van fl. 18,- (€ 8,17) en € 18,-. Het hof houdt derhalve rekening met een bedrag van € 442,-.

11 gesloten enveloppen

18. Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd verklaard dat het bedrag dat zij in gesloten enveloppen hebben ontvangen € 220,- bedraagt. Het hof neemt dit bedrag dan ook in aanmerking.

19. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de waarde van de te verdelen huwelijksgemeenschap € 25.903,57 bedraagt. De gemeenschap bevindt zich reeds in het bezit van de vrouw, zodat zij aan de man dient te voldoen een bedrag van € 12.951,79. Het vorenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking wat betreft punt 1.2 dient te worden vernietigd en dat de bestreden beschikking voor het overige dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking wat betreft punt 1.2 in het dictum en, opnieuw beschikkende:

bepaalt dat aan de man wordt toegescheiden:

- de helft van de waarde van de huwelijkscadeaus, zijnde € 15.163,90 welk bedrag de vrouw aan de man dient te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Plaggemars, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2006.