Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY5712

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
1118
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Waardering ondernemingsvermogen van een landbouwondeneming. Termijn meerwaardebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 24 mei 2006

Rolnummer : C04/01118

Rolnr. rb. : 01/2454

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W.K. van Duren,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. B.A. Wille.

HET GEDING

Bij exploot van 8 juli 2004 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 19 december 2001, 27 november 2002 en 28 april 2004, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de vrouw twee grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de man de grieven bestreden. Tevens heeft hij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van drie grieven.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de vrouw de grieven bestreden en een productie overgelegd.

De man heeft nog een akte genomen, waarin hij zich over de productie van de vrouw heeft uitgelaten en waarbij hij zelf nog een productie heeft overgelegd.

De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd. Laatstgenoemde akte van de man ontbreekt in het procesdossier van de vrouw.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 1 in het bestreden vonnis van 28 april 2004 is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

Het gevorderde in hoger beroep

2. In hoger beroep vordert de vrouw bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de vonnissen van 19 december 2001, 27 november 2002 en 28 april 2004 door de rechtbank

`s-Gravenhage tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen, door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ontbonden, vast te stellen als volgt;

Onderneming € 1.392.500,00

Auto Fiat Scudo € 10.000,00

Inboedel € 10.000,00

Beleggingsrekening € 18.519,00

Totaal € 1.431.019,00

Minus schulden

Hypothecaire geldlening € 32.672,00

Overige € 2.554,00

Totaal € 35.226,00 € 35.226,00

Omvang voormalige huwelijks goederen gemeenschap € 1.395.793,00

Waarvan toekomt aan de vrouw € 697.896,00

Bij aanbetaling vrouw op Fiat Scudo € 10.000,00

Af hetgeen door de vrouw is ontvangen € 50.000,00

Blijft € 657.896,00

Bij de gebruiksvergoeding € PM

Indien en voorzover de man niet in staat mocht zijn het bedrag te financieren, vordert de vrouw verdeling aldus dat de voormalige echtelijke woning en de overige opstallen met het erfperceel en de passiva aan de man worden toegescheiden en de overige landerijen aan de vrouw worden toegescheiden, onder de uitdrukkelijke toezegging zijdens de vrouw dat zij bereid is dit perceel aan de man te verpachten, mits hij afziet van het voorkeursrecht van de pachter.

Meer subsidiair vordert de vrouw dat het door de rechtbank geformuleerde meerwaardebeding in relatie tot de going-concernwaarde onbeperkt in tijd dient te zijn.

3. De man heeft de vordering van de vrouw gemotiveerd weersproken en heeft incidenteel gevorderd dat het eindvonnis van de rechtbank wordt vernietigd voorzover de man aan de vrouw wegens overbedeling dient te voldoen de € 179.511,50 en dat het bedrag wordt gesteld op € 170.085,00.

Kostenveroordeling incident

4. De eerste grief van de vrouw, die gericht is tegen de kostenveroordeling van het tussenvonnis van 19 december 2001, is ook volgens de man gegrond. Derhalve dient dat vonnis in zoverre te worden vernietigd.

Waardering ondernemingsvermogen

5. In de tweede grief onder B stelt de vrouw dat de rechtbank in het kader van de waardering van het ondernemingsvermogen ten onrechte is uit gegaan van de going concern waarde. De vrouw is van mening dat voor de waardering van het ondernemingsvermogen uitgegaan moet worden van de waarde in het economische verkeer vrij opleverbaar bij agrarische bestemming. De vrouw heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde waarderingsmethodiek het navolgende aangevoerd. De zoon van partijen heeft geen enkele belangstelling voor het agrarische bedrijf. Bij de waardering van de onderneming dient gekeken te worden naar de toekomstverwachting van het bedrijf. Het is algemeen bekend dat agrarische bedrijfsvoering nauwelijks meer rendabel is te noemen. De vrouw stelt dat de man moet aantonen dat het bedrijf levensvatbaar is. Het kan van de vrouw niet worden verlangd dat zij met een aanzienlijk lagere waarde genoegen moet nemen omdat de man een verliesgevende onderneming wil voortzetten. De vrouw heeft haar baan opgezegd toen partijen trouwden en zij heeft zich ruim 22 jaar met hart en ziel voor de boerderij ingezet. Het bedrijf is niet vele generaties in het bezit geweest van de familie van de man. De man is een klusbedrijf begonnen. Vanaf 1998 worden door de man activa van de onderneming verkocht om de financiële reserves te versterken.

6. De man heeft de grief gemotiveerd weersproken. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de onderneming tegen de agrarische waarde moet worden gewaardeerd – zijnde de waarde waarbij een lonende exploitatie nog juist tot de mogelijkheden behoort - voert de man het navolgende aan. De man heeft in de jaren 1983 en 1984 de onroerende zaken van het bedrijf van zijn ouders gekocht nadat zijn ouders de onroerende zaken eerst aan hem hadden verpacht. De waarde van de onroerende zaken – vrij van pacht – was ƒ 900.000,00 en de waarde in verpachte staat was ƒ 500.000,00. De ouders van de man hebben door deze bevoordeling willen bewerkstelligen dat de man in financieel oogpunt de onderneming kon continueren. De onderneming is voor de man – thans 50 jaar oud – een bron van inkomsten. De oudste zoon van partijen heeft belangstelling om de onderneming op termijn over te nemen. De man verkoopt alleen activa in het kader van een normale bedrijfsvoering. Hij heeft in 2000 land en melkquotum bijgekocht.

Financiële gegevens landbouwonderneming

7. Bij conclusie van antwoord is door de man een accountantsverslag van de onderneming in het geding gebracht over het jaar 1999. Uit de jaarrekening van de onderneming volgt dat het doel van de onderneming was, veehouderij en klussenbedrijf. De bedrijfsgrootte was 22.67.20 HA en het melkquotum bedroeg voor het heffingsjaar 1999/2000 270.410 kg met een referentie vetgehalte van 4.12%. De bedrijfswinst was: in 1997 ƒ 66.600,00, 1998

ƒ 83.430,00, 1999 ƒ 35.142,00. Het bedrijfskapitaal was in 1998 ƒ 734.649,00 en in 1999

ƒ 611.545,00. Uit de concept jaarrekening van 2000 volgt dat er een resultaat is bereikt van

ƒ 56.126,00.en het bedrijfskapitaal is toegenomen ten opzichte van 1999 tot ƒ 614.536,00.

Levensvatbare onderneming

8. Naar het oordeel van het hof is de stelling van de vrouw dat de man een verliesgevende nering wil voortzetten niet gebaseerd op objectieve gegevens. Niet relevant is de algemene economische situatie in de branche. Relevant is of in dit concrete geval sprake is van een verliesgevende onderneming. Uit de jaarrekening volgt dat de onderneming winstgevend is en dat de onderneming solvabel is. Op basis van de door de man in het geding gebrachte financiële gegevens is het hof van oordeel dat de door de man geëxploiteerde onderneming levensvatbaar is.

Uitgangspunt waardering ondernemingsvermogen

9. Uit het betoog van de vrouw volgt dat bij de waardering van het ondernemingsvermogen in beginsel uitgegaan dient te worden van de hoogst mogelijke waarde.

10. De man is van mening dat de onderneming voor een zodanige prijs in de verdeling moet worden betrokken dat een lonende exploitatie nog juist tot de mogelijkheden behoort.

11. Het hof is met de vrouw van oordeel dat in beginsel bij de waardering van ondernemingsvermogen uitgegaan dient te worden van de hoogst mogelijke waarde zijnde de waarde die onder de beste marktomstandigheden kan worden gerealiseerd. De feiten en omstandigheden kunnen in een specifiek geval met zich mede brengen dat van voormelde waarderingsgrondslag kan worden afgeweken. Wanneer de rechter op grond van 3:185 BW de verdeling van een gemeenschap vaststelt heeft hij een grote mate van vrijheid in de wijze waarop hij de verdeling vaststelt en de prijs waarvoor hij de boedelbestanddelen in de verdeling betrekt. Bij de verdeling van de gemeenschap houdt de rechter rekening met de belangen van partijen en het algemene belang. Onder het algemene belang wordt verstaan dat de continuïteit van een levensvatbare onderneming niet in gevaar komt alsgevolg van de wijze van verdeling. Na de verdeling dient de financiering van de onderneming zodanig te zijn dat deze voldoet aan normale bancaire normen en aan hetgeen gebruikelijk is in de branche. Uit rechtsoverweging 8 volgt dat er sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Er is een algemeen economisch belang dat de onderhavige landbouwonderneming niet wordt geliquideerd. In het kader van de afweging van de persoonlijke belangen acht het hof het van belang, dat de vrouw als kraamverzorgster in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, de vrouw in het kader van de verdeling een aanzienlijk bedrag zal ontvangen, de man voor zijn levensonderhoud aangewezen is op de inkomsten die voortvloeien uit de onderneming, de man gezien zijn leeftijd en arbeidservaring moeizaam elders werk zal kunnen vinden om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Gezien vorenstaande algemene en persoonlijke omstandigheden is het hof van oordeel dat bij de prijsbepaling waarvoor het ondernemingsvermogen in de verdeling dient te worden betrokken uitgegaan dient te worden van een zodanige prijs dat een lonende exploitatie van de onderneming nog juist tot de mogelijkheden behoort.

12. Uit het deskundigenrapport van De koning & Witzier volgt dat een lonende exploitatie slechts mogelijk is indien de onderneming voor een prijs van € 444.000,00 in de verdeling wordt betrokken. Het hof is van oordeel dat van die prijs van het ondernemingsvermogen moet worden uit gegaan. Grief 2 B treft geen doel.

Bezwaar tegen het deskundigen rapport.

13. In grief 2 A stelt de vrouw dat een redelijk oordelend deskundige niet tot de becijferingen had kunnen komen zoals opgenomen in het deskundigenrapport. De vrouw is van mening dat de onroerende zaken te laag gewaardeerd zijn. De vrouw heeft door Drs C. Zadelhoff een second opinion laten opstellen. De man stelt dat de vrouw haar bewering alleen onderbouwt met een door een partijdeskundige opgesteld taxatierapport. De partijdeskundige heeft hem niet gehoord.

14. Uit het deskundigenrapport van De Koning & Witzier volgt dat partijen door de deskundige zijn uitgenodigd om bij de taxatie aanwezig te zijn. Bij de taxatie zijn partijen en hun raadslieden aanwezig geweest. Uit het taxatierapport volgt dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de going concernwaarde uitgelegd dient te worden als zijnde de waarde van de onderneming waarbij een juist lonende exploitatie mogelijk is zonder inbreng van vermogen. Naar het oordeel van het hof is het deskundigenbericht met de nodige zorg tot stand gekomen. Partijen en hun raadslieden zijn in de gelegenheid geweest om hun opmerkingen te maken. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het deskundigenbericht als een kennelijke misslag dient te worden aangemerkt. Het enkele feit dat een door de vrouw ingeschakelde deskundige op een hogere waarde uitkomt dan de door de rechtbank ingeschakelde deskundige doet geen afbreuk aan het deskundigenrapport. Grief 2 A treft eveneens geen doel.

Meerwaardebeding

15. In de derde grief stelt de vrouw dat zij bezwaar heeft tegen het door de rechtbank geformuleerde meerwaardebeding. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de man ter nakoming van het meerwaardebeding hypothecaire zekerheid dient te verstrekken. Voorts is de vrouw van mening dat de door de rechtbank gestelde termijn tekort is. Uit punt 6.1 van de memorie van antwoord van de man volgt dat hij geen bezwaar heeft tegen het meerwaardebeding. De man heeft er wel bezwaar tegen indien het meerwaardebeding levenslang zou gelden. Voorts volgt uit het betoog van de man dat de meerwaardebeding niet zijn normale bedrijfsvoering mag belemmeren. In dat kader is de man van mening dat een hypothecaire zekerheid niet gewenst is.

Termijn meerwaardebeding

16. De strekking van het meerwaardebeding is om te voorkomen dat de man na een zekere periode alsnog de landbouwonderneming verkoopt en de mogelijk gerealiseerde winst alleen incasseert. Het hof is van oordeel dat het meerwaardebeding een normale bedrijfsuitvoering niet mag blokkeren. In het kader van een normale bedrijfsuitvoering dient het mogelijk te zijn dat activa worden verkocht en dat de verkoopopbrengst weer wordt gebruikt voor de exploitatie van de onderneming. Het hof is van oordeel dat het vestigen van een recht van hypotheek ten behoeve van de vrouw niet wenselijk is in het kader van de bedrijfsvoering van de man. Door het vestigen van een recht van hypotheek kan dit mogelijk de toekomstige financiering van de onderneming belemmeren. In het kader van de continuïteitsgedachte van de landbouwonderneming acht het hof dit niet wenselijk. Gezien het karakter van het meerwaardebeding acht het hof de door de rechtbank gesteld termijn van 15 jaar al lang. In een periode van 15 jaar kan in bedrijfseconomische zin zeer veel gebeuren. De termijn van het meerwaardebeding dient een gezonde bedrijfseconomische ontwikkeling van de landbouwonderneming niet in de weg te staan. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen acht het hof het niet wenselijk dat de door de rechtbank gestelde termijn nog verder wordt opgerekt.

Bedrijfsauto

17. De vrouw stelt dat de bedrijfsauto niet is gewaardeerd en dat deze niet in de verdeling is betrokken. De man stelt dat de auto tot het ondernemingsvermogen behoort en dat de waarde is verdisconteerd in de door de deskundige vastgestelde waarde van de onderneming. Tussen partijen staat vast dat de bestelauto tot het ondernemingsvermogen behoort. Gezien het feit dat de bestelauto tot het ondernemingsvermogen behoort, is het hof van oordeel dat de waarde van de auto is verdisconteerd in de door de deskundige vastgestelde waarde van het ondernemingsvermogen. Zoals hiervoor is overwogen heeft de deskundige de going concernwaarde vastgesteld op € 444.000,00. Dat de koopsom van de bestelauto destijds deels uit het saldo van de bankrekening van de vrouw is gefinancierd doet daaraan niet af. Relevant is de vraag of de bestelauto tot het ondernemingsvermogen behoort. Grief 4 treft geen doel. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft grief 5 geen verdere bespreking.

Gebruiksvergoeding

18. In grief 6 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte haar geen gebruiksvergoeding ten laste van de man heeft toegekend voor het gebruik door de man van de onroerende zaken en het melkquotum. In haar toelichting stelt de vrouw de gebruiksvergoeding op PM. De man heeft de vordering van de vrouw bestreden. Hij stelt dat de waardestijging van de onderneming is verdisconteerd in de per die peildatum vastgestelde agrarische waarde van de onderneming.

19. De vrouw geeft geen enkele onderbouwing voor haar grief. Naar het oordeel van het hof brengt een goede procesorde met zich mede dat de vrouw haar grief had dienen te onderbouwen. Door dit niet te doen geeft zij niet aan waar de man zich tegen dient te verweren. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet voldaan aan haar stelplicht. Grief 6 treft geen doel.

Incidenteel appèl

20. In de eerste incidentele grief leest het hof dat de man van mening is dat de rechtbank op een onjuiste wijze de omvang van de boedel heeft vastgesteld. Het hof leest in de grief van de man voorts dat het bedrag van € 50.000,00 niet in de berekening van de omvang van de gemeenschap mag worden betrokken. De vrouw stelt dat de rechtbank het voorschot niet als actief heeft aangemerkt. Voor wat betreft de verrekening van het voorschot refereert de vrouw zich aan het oordeel van het hof. Het hof is met de man van oordeel dat de rechtbank het voorschot van € 50.000,00 op een onjuiste wijze in de berekening heeft betrokken. In de recapitulatie zal het hof de omvang van de gemeenschap vaststellen.

21. De tweede grief betreft de latente belastingclaim van € 11.655,-. De man is van mening dat deze ten onrechte niet in de verdeling is betrokken. De vrouw heeft de grief weersproken. Gezien het feit dat de man de onderneming voortzet en door de wijze van verdeling daartoe in staat blijft is het hof van oordeel dat in dit geval geen rekening moet worden gehouden met een latente belastingclaim op het ondernemingsvermogen. Grief 2 treft geen doel.

22. De derde grief betreft de door de rechtbank in rechtsoverweging 3.25 en 3.26 in aanmerking genomen hypotheekschuld van € 32.672,-. Die schuld is verdisconteerd in het door Alfa accountants genoemde ondernemingsvermogen per 31 december 2002. De vrouw heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof constateert dat de hypotheekschuld bij de berekeningswijze van de rechtbank tweemaal is afgetrokken. Deze grief treft dus doel.

Recapitulatie, omvang gemeenschap

23. Op grond van het voorgaande dient het te verrekenen bedrag opnieuw te worden berekend. Het hof berekent het door de man aan de vrouw wegens overbedeling uit te keren bedrag als volgt.

Activa

Going concernwaarde van de onderneming: € 444.000,00

De inboedel € 10.000,00

Terzake van beleggersrekeningen,

aandelenportefeuille en vorderingen +PM € 18.519,00

Saldi van bank- en spaarrekeningen € 19.195,00

De opbrengst van de Mazda € 9.075,00

Totaal € 500.789,00

Passiva

overige schulden € 2.554,00

Omvang huwelijksgoederengemeenschap € 500.789,00 - € 2.554,00 = € 498.235,00 beide partijen zijn gerechtigd tot de helft € 249.117,50.

De vrouw heeft reeds ontvangen:

Voorschot: € 50.000,-

Saldo bank- en spaarrekeningen € 19.195,-

Opbrengst Mazda € 9.075,-

€ 78.270,-

De vrouw heeft nog te vorderen van de man € 249.117,50 - € 78.270,00 = € 170.847,50

Gedeeltelijke vernietiging

24. Het bovenstaande brengt mee dat het vonnis van 19 december 2001 voorzover het betreft de kostenveroordeling in het incident moet worden vernietigd en dat het vonnis van 28 april 2004 moet worden vernietigd voorzover de man aan de vrouw wegens overbedeling aan de vrouw moet betalen het bedrag van € 179.511,50.

25. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de kosten van deze procedure worden gecompenseerd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt het vonnis door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen op 19 december 2001 gewezen, doch alleen voor wat betreft de kostenveroordeling in het incident;

vernietigt het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen de partijen op 28 april 2004 gewezen voorzover de man aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag moet voldoen van € 179.511,50 en inzoverre opnieuw rechtdoende,

veroordeelt de man om wegens overbedeling aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 170.847,50

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Reinking en Labohm, bijgestaan door de griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.