Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY5423

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2200510305
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB6217, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB6217
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer m.b.t. onrechtmatige doorzoeking van de woning verworpen; de verdachte kon ten tijde van het binnentreden niet als bewoner of als degene die zich voordoet als gebruiker van die woning worden aangemerkt. Wijziging tenlastelegging, waarbij de tenlastegelegde pleegperiode van het dealen in cocaïne wordt verruimd, acht het hof in casu toegestaan. Hieraan doet niet af dat de verdachte gedurende een deel van die periode gedetineerd is geweest. Feiten dermate ernstig dat niet - hoewel door de reclassering geadviseerd - met een andere of lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden kan worden volstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005103-05

Parketnummer(s): 09-925454-05, 09-407798-05 en 09-407847-05

Datum uitspraak: 30 juni 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoge[straatnaam 1]n het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 augustus 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 14 maart 2006 en 16 juni 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de onder 1 primair (impliciet primair) tenlastegelegde poging tot moord vrijgesproken en ter zake van de onder 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag, alsmede ter zake van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, met verbeurd-verklaring van het inbeslaggenomen schouderholster.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren zijdens de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat:

1. de in eerste aanleg gevorderde wijziging tenlastelegging ten onrechte is toegelaten, omdat het door de uitbreiding van de periode niet meer hetzelfde feit betreft, en dat de wijziging om die reden alsnog in hoger beroep dient te worden afgewezen;

2. en dat er sprake is van onrechtmatige doorzoekingen in de woningen aan de [straatnaam 1] en aan de [straatnaam 2] te 's-Gravenhage, zodat de in de [straatnaam 1] aangetroffen bolletjes cocaïne dienen te worden uitgesloten van het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde en de andere onrechtmatige doorzoeking dient te leiden tot strafvermindering wegens de onherstelbaarheid van dat verzuim;

voor de onderbouwing van welke verweren het hof verwijst naar het in de pleitnota van de raadsman weergegevene.

Het hof overweegt met betrekking tot de wijziging tenlastelegging het volgende.

De uitbreiding van de periode waarbinnen de feiten zouden hebben plaatsgevonden levert geen ander feitencomplex op dan het feitencomplex dat in de oorspronkelijke tenlastelegging is opgenomen. Het hof acht de wijziging tenlastelegging derhalve toelaatbaar. Hieraan doet niet af dat de verdachte volgens de raadsman van 31 augustus 2003 tot en met 29 december 2003 gedetineerd is geweest.

Het hof is evenwel van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte in de periode van van 1 augustus 2003 tot 1 augustus 2004 de onder 2 tenlastegelegde handelingen heeft begaan, nu de verdachte een groot deel van die periode gedetineerd is geweest en de verklaringen van kopers in dat licht bezien onvoldoende duidelijkheid verschaffen omtrent verdachtes handelen in die tenlastegelegde periode.

Met betrekking tot het verweer aangaande de onrechtmatige doorzoeking aan de woning aan de [straatnaam 2] te 's-Gravenhage overweegt het hof het volgende.

Blijkens het in het overzichtsprocesverbaal op dossierpagina 10 en 11 gerelateerde ([pv-nummer]), heeft er naar aanleiding van een verklaring van K.B. [K.] een doorzoeking in die woning plaatsgevonden op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie, waarbij niemand in de woning is aangetroffen (dossierpagina 129, [pv-nummer]). Uit voormeld overzichtsproces-verbaal blijkt dat een hulpofficier van justitie, mr. [S.], vooraf hiertoe een machtiging tot binnentreden zou hebben afgegeven, als vereist in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Deze machtiging bevindt zich echter niet in het dossier en is derhalve niet toetsbaar aan de wettelijke voorschriften. De verdachte is evenwel bij de doorzoeking niet getroffen in een belang dat de - al dan niet overtreden - normen beogen te beschermen, nu die [K.] heeft verklaard dat de verdachte af en toe in die woning slaapt (dossierpagina 70, [pv-nummer]) en dat zij daar het desbetreffende wapen heeft gezien. De verdachte kon ten tijde van het binnentreden derhalve niet als bewoner of als degene die zich voordoet als gebruiker van die woning worden aangemerkt. Voorts vormde [K.]'s verklaring omtrent de aanwezigheid van het wapen aldaar reeds voldoende grond tot het binnentreden van die woning op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Het verweer betreffende de onrechtmatige doorzoeking aan de [straatnaam 1] te 's-Gravenhage behoeft geen bespreking, nu het hof - ongeacht wat er zij van de juistheid van dit verweer - de verdachte van het aanwezig hebben van de aldaar aangetroffen bolletjes cocaïne met een totaalgewicht van 2,4 gram zal vrijspreken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Vrijspraak

Met betrekking tot de onder 1 primair (impliciet primair) tenlastegelegde poging tot moord overweegt het hof het volgende. Naar het oordeel van het hof is - gelet op het onderzoek ter terechtzitting en anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd - niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag, alsmede het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde: Poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 3 en 5 bewezenverklaarde: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde: Wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte ter zake van de onder 1 primair (impliciet primair) tenlastegelegde poging tot moord, alsmede ter zake van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest, met ontrekking aan het verkeer (schriftelijke vordering) dan wel verbeurdverklaring (requisitoiraantekeningen) van het inbeslaggenomen schouderholster.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is met zijn vriendin Kimberley [K.] meegegaan om samen met haar en haar vriendin Olga [G.] na een avond stappen - alle drie nog onder invloed van harddrugs en drank - naar de woning van het latere slachtoffer Z. [B.] te gaan, nadat hij te horen had gekregen dat Olga door het slachtoffer was geslagen en dat het slachtoffer mogelijk de mobiele telefoon van Kimberley had gestolen. In de hal van de lift is het tot een confrontatie met het slachtoffer gekomen. Nadat het slachtoffer door die [G.] in zijn gezicht was gekrabd en geslagen en door die [K.] een traanverwekkende stof in zijn gezicht was gespoten, heeft de verdachte het slachtoffer in het trappenhuis met een vuurwapen in zijn hand achtervolgd. Hij heeft toen gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven door in de richting van het slachtoffer met dat vuurwapen te schieten. Het hof rekent de verdachte dit handelen zwaar aan, in de eerste plaats omdat het slachtoffer daarbij het leven had kunnen laten en daarnaast omdat dergelijk handelen veel angst en onrust bij het slachtoffer en anderen teweegbrengt. Dit laatste geldt in dit geval te meer, nu deze schietpartij in het trapportaal van een woongebouw heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de verdachte zich bezig gehouden met de verkoop en verstrekking van cocaïne. Cocaïne is een stof waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar dat ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit en overlast. Daarnaast heeft de verdachte tweemaal in zeer korte tijd politiefunctionarissen grof beledigd en eenmaal heeft hij verzet gepleegd tijdens zijn aanhouding. Dergelijk gedrag acht het hof ontoelaatbaar.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, d.d. 23 februari 2006, is de verdachte reeds vele malen met politie en justitie in aanraking geweest en reeds meermalen veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Opiumwet, vermogensdelicten, die wel eens met geweld en bedreiging met geweld gepaard zijn gegaan en overtreding van de Wet wapens en munitie. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof acht dit zorgwekkend, te meer gezien verdachtes jeugdige leeftijd.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het voorlichtingsrapport van Psycho-Medisch Centrum Parnassia, d.d. 26 juli 2005, betreffende de verdachte. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Bij betrokkene wordt de kans op recidive ingeschat op hoog. Factoren die de recidive sterk beïnvloeden zijn de leefgebieden drugs en alcohol. De kans op recidive is groot, indien hij geen begeleiding dan wel een behandeling ten aanzien van zijn middelengebruik krijgt. Betrokkene gaf te kennen zijn leven wel te willen beteren, maar dat hij niet weet waar te beginnen. Betrokkene zou bijvoorbeeld graag een opleiding willen volgen. De wegen om zich aan te melden, zo gaf hij te kennen, zijn voor hem een raadsel. Betrokkene neemt een afwachtende houding aan en neemt niet snel het initiatief. Betrokkene zal derhalve gebaat zijn bij begeleiding op leefgebieden alcohol- en druggebruik, werk en scholing. Geadviseerd wordt om naast een onvoorwaarde-lijke straf een deel voorwaardelijk op te leggen met een verplicht reclasseringscontact, waarbij betrokkene zich niet mag onttrekken aan een nog te indiceren behandeling van Verslavingszorg. Voorts wordt het van belang geacht dat een taakstraf wordt opgelegd.

Het hof is echter van oordeel dat met name het onder 1 en 2 bewezenverklaarde dermate ernstige feiten zijn, dat, mede gelet op de generale en speciale preventie, niet met een andere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden kan worden volstaan, zoals in eerste aanleg is opgelegd en door het hof passend en geboden wordt geacht.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met behulp waarvan het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang of de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36c, 45(oud), 57, 63, 180, 266, 267 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair (imliciet primair) tenlastegelegde poging tot moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag, alsmede het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een schouderholster, kleur zwart, type Pielcu.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. A.L.J. van Strien en mr. N. Schaar, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juni 2006.

Mr. Van Strien is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.