Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4901

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
25-07-2006
Zaaknummer
2200554704
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005547-04

Parketnummer: 10-050051-01

Datum uitspraak: 14 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 30 september 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 11 maart 2005, 10 juni 2005, 18 oktober 2005, 9 juni 2006 en 3 juli 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissing op het verweer van de raadsman

Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2006 heeft de raadsman primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte wegens ernstige schending van een goede procesorde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het openbaar ministerie een onvoldragen onderzoek heeft afgeleverd waarbij onvoldoende en te zeer alleen gericht op de verdachte is gerechercheerd, voorts dat het onderzoek te laat weer ter hand is genomen waardoor getuigen en eventuele medeverdachten niet meer te vinden zijn. Hierdoor is mogelijk belangrijk bewijsmateriaal verloren gegaan.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

Na de schietpartij op 29 september 2001 waarbij [het slachtoffer] is omgekomen, is door onderzoek de verdenking ontstaan dat de verdachte en [M.B.] hiermee te maken hadden.

De verdachte is direct na de gebeurtenis van 29 september 2001 uit Nederland vertrokken waarna hij op 25 januari 2002 internationaal is gesignaleerd. Na zijn aanhouding in België - ruim twee jaar later - heeft de verdachte een bekentenis afgelegd waarin hij heeft aangegeven dat hij het slachtoffer heeft neergeschoten. Dat vervolgens mogelijke getuigen en medeverdachten in de zaak tegen de verdachte niet meer te vinden waren, kan niet aan het handelen van politie en justitie worden verweten. Dat voorts het onderzoek hierna vooral op de verdachte was gericht, is onder meer een gevolg van het feit dat hij aanvankelijk een bekentenis heeft afgelegd.

Het hof merkt daarbij op dat zich weliswaar onvolkomenheden in het onderzoek hebben voorgedaan, zoals het onoverzichtelijke proces-verbaal van onderzoek, het ontbreken van foto's, alsmede onduidelijkheden in het dossier waarnaar wellicht nader onderzoek had kunnen worden gedaan, doch dat deze onvolkomenheden niet van dien aard zijn dat sprake is van een zodanig ernstige schending van de procesorde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden aanwezig zijn die de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie meebrengen, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 juli 2006 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de gevangenneming van de verdachte te bevelen.

Vrijspraak

Uit de vele onderzoeken ter terechtzitting is - zelfs nadat het hof op 18 oktober 2005, conform de wens daartoe van het openbaar ministerie, een onderzoek ten gronde had gelast - de ware toedracht van de schietpartij die aan de verdachte wordt verweten, en - met name - de rol van de verdachte daarbij niet komen vast te staan, weshalve - wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs - de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe het navolgende.

De verdachte heeft op 9 juni 2004 twee bekennende verklaringen afgelegd. Hij heeft zijn bekentenis later ingetrokken. De bekennende verklaringen van de verdachte stroken op verschillende punten niet met de vele getuigenverklaringen omtrent de gebeurtenissen op 29 september 2001, welke verklaringen ook onderling uiteenlopen over de rol en de identiteit van de schutter en zijn eventuele mededader(s). Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat er in het dossier onvoldoende steunbewijs voor de bekennende verklaringen van de verdachte aanwezig is en heeft het hof niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen dat deze verklaringen van de verdachte geloof verdienen en betrouwbaar zijn.

Het hof zal de bekennende verklaringen van de verdachte derhalve niet bezigen voor het bewijs.

Ten aanzien van de getuige [naam] overweegt het hof als volgt. Deze getuige heeft d.d. 20 februari 2002 belastend verklaard over de verdachte. Het hof heeft alles in werking gesteld om deze getuige te horen nu zowel de advocaat-generaal als de raadsman van de verdachte hierom hebben verzocht, te weten:

- op de zitting van 11 maart 2005 is bevolen de getuige [naam] voor de zitting van 10 juni 2005 op te roepen;

- op de zitting van 10 juni 2005 is deze getuige niet verschenen, waarna het hof aan de advocaat-generaal heeft verzocht de getuige opnieuw op te roepen en indien een adres of verblijfplaats in Nederland bekend is met een bevel medebrenging en voorts ten aanzien van deze getuige om, naast raadpleging van de Gemeentelijke basisadministratie, de politie een onderzoek te laten instellen naar de woon- of verblijfplaats van deze getuige, zodat de getuige op dat adres (met een bevel medebrenging) kan worden opgeroepen;

- op de zitting van 18 oktober 2005 is door het hof vastgesteld dat aan het hiervoor genoemde verzoek niet is voldaan, waarna het hof een nader onderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte bij de schietpartij als tenlastegelegd heeft verzocht en waarbij het hof - onder andere - heeft verzocht de getuige, [naam], door de politie te doen horen;

- op de zitting van 9 juni 2006 is een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond binnengekomen d.d.

7 februari 2006 waaruit naar voren komt dat de getuige niet meer verhoord wenst te worden. Op deze zitting is de [naam] nogmaals opgeroepen met bevel medebrenging;

- op de zitting van 3 juli 2006 is de getuige wederom niet verschenen, omdat hij - blijkens een verslag van binnentreden woning - volgens zijn vriendin gedetineerd zit in Luxemburg. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting geen bewijs kunnen overleggen dat de getuige zich ook daadwerkelijk in Luxemburg in detentie bevindt. Zowel de advocaat-generaal als de raadsman van de verdachte hebben niet opnieuw verzocht tot oproeping van de getuige. De advocaat-generaal heeft daarbij aangegeven dat als het hof het horen van deze getuige noodzakelijk zou achten in verband met de bewijsvoering, het hof onder de beraadslaging alsnog zou kunnen beslissen deze getuige op te roepen.

Naar het oordeel van het hof is - gelet op het vorengaande - onaannemelijk dat [naam] binnen aanvaardbare tijd ter terechtzitting als getuige zal verschijnen en ziet het hof derhalve geen aanleiding opdracht te geven nogmaals te proberen de getuige te (doen) horen.

Het hof overweegt ten overvloede dat ook al zou deze getuige zijn eerder afgelegde verklaring bevestigen, deze verklaring niet concreet is over de eventuele betrokkenheid en rol van de verdachte en bovendien een de auditu verklaring betreft. De verklaring van [naam] kan daarom - naar het oordeel van het hof - onvoldoende direct of indirect aan het bewijs bijdragen.

Buiten de bovengenoemde verklaringen van de verdachte is blijkens het verhandelde ter terechtzitting, waaronder het dossier, onvoldoende bewijs aanwezig voor hetgeen de verdachte blijkens de tenlastelegging wordt verweten.

Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het hem tenlastegelegde wijst het hof de vordering van de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte te bevelen af.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Perquin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 juli 2006.