Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4895

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
22-004930-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof neemt - mede op grond van zijn eigen waarneming van het ongecontroleerde, vooral verbaal agressieve gedrag van de verdachte ter terechtzitting - de conclusies van het PBC ten aanzien van de ziekelijke stoornis en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en maakt die tot de zijne. Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte veroorzaakt niet alleen aanmerkelijke schade en ergernis, maar jaagt tevens omstanders angst aan en verdient een scherpe strafrechtelijke reactie in de vorm van een langdurige vrijheidsstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft het hof de verminderde toerekeningsvatbaarheid in aanmerking genomen. Gelet op de duur van de inmiddels ondergane voorlopige hechtenis is er geen ruimte om daarnaast ook nog een voorwaardelijk gedeelte op te leggen.

Met betrekking tot de vraag of tbs met bevel tot verpleging kan worden opgelegd, overweegt het hof dat dan onder meer aan de voorwaarden zal moeten zijn voldaan dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling én van de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde eist (art. 37a, 1e lid, jo artikel 37b, 1e lid Sr). Naar 's hofs oordeel vloeit uit deze voorwaarden voort dat niet alleen het feit voldoende ernstig moet zijn om de maatregel te rechtvaardigen, maar dat die rechtvaardiging ook gevonden moet worden in de taxatie van de ernst van de risico's van verdachtes gedrag in de toekomst. Het is in het bijzonder ten aanzien van die laatste voorwaarde, de toekomstige risico's betreffende, dat het hof tot de slotsom is gekomen dat die risico's niet zodanig zijn dat zij de oplegging van de gevorderde maatregel rechtvaardigen. Een en ander leidt tot de slotsom dat de verdachte weliswaar aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt en vanuit die invalshoek bezien alle belang bij behandeling heeft (zoals ook zijn naaste omgeving) en dat hij vanuit die stoornis met enige regelmaat onaangepast en soms ook explosief gedrag vertoont dat voor zijn omgeving niet alleen hinderlijk en verontrustend, maar óók beangstigend is, maar dat niet gezegd kan worden dat de toekomstige risico's van dat gedrag zodanig zijn dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van tbs én van de verpleging van overheidswege eist. Die maatregel dient derhalve achterwege te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004930-05

Parketnummer: 09-925507-04

Datum uitspraak: 13 juli 2006 (bij vervroeging)

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 augustus 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

22 maart 2006 en 10 juli 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Verzoeken van de verdediging

De raadsman van de verdachte, mr. V.A. Groeneveld, heeft verzocht - de niet ter terechtzitting verschenen - [getuige] opnieuw op te roepen als getuige.

Het hof acht het - mede in aanmerking genomen het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1514/2006/34402-2 d.d. 26 juni 2006 - onaannemelijk dat de verzochte getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Voorts heeft de raadsman verzocht een tegenonderzoek te doen verrichten naar de geestvermogens van de verdachte door een andere instantie dan het Pieter Baan Centrum (PBC) en de rapporteurs van het aanvullende PBC-rapport, d.d. 3 juli 2006, I. Schilperoort, psycholoog, en P.K.J. Ronhaar, psychiater, op te roepen als getuige-deskundige.

Reeds gelet op de hiernavolgende overwegingen en beslissing ten aanzien van de gevorderde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van de verdachte, acht het hof het verzochte tegenonderzoek en het horen van deze getuigen-deskundigen niet noodzakelijk, zodat beide verzoeken worden afgewezen.

Ten slotte heeft de raadsman verzocht een maatregelenrapport door de reclassering op te laten maken.

Dit verzoek wordt - gelet op de conclusie van het PBC met betrekking tot de zinloosheid van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de hiernavolgende overwegingen en beslissing ten aanzien van de gevorderde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van de verdachte - eveneens afgewezen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 mei 2004 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 300 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en andere personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het:

- tonen van een mes aan voornoemde [slachtoffer 2] en andere personen en

- daarbij dreigend zeggen: "als iemand dichterbij komt dan ga ik hem doodmaken" en "als jullie iets zeggen maak ik jullie allemaal af" en "als ik langer dan drie maanden krijg dan gooi ik een handgranaat naar binnen" en "als iemand de politie belt maak ik jullie allemaal dood", en pakken en vervolgens op de grond gooien van de kassa(lade).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan of vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve - met inachtneming van hetgeen hierna ten aanzien van de toerekenbaarheid wordt overwogen - strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Motivering van de op te leggen sanctie

1. De advocaat-generaal mr. Terpstra heeft - mede in aanmerking nemend de bevindingen en conclusies van het Pieter Baan Centrum (PBC) dat omtrent de verdachte rapporteerde - gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest en dat de terbeschikkingstelling (tbs) van de verdachte zal worden gelast, met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof overweegt ten aanzien van de op te leggen sanctie(s) als volgt.

2. Omtrent de geestvermogens van de verdachte is door het PBC tweemaal een onderzoek ingesteld en gerapporteerd, aangezien de geldigheidsduur (in de zin van artikel 37.2 jo artikel 37a.3 van het Wetboek van Strafrecht) van de eerste rapportage d.d. 15 februari 2005 bij de aanvang van de (inhoudelijke) behandeling ter terechtzitting van het hof was verstreken. In de tweede rapportage d.d. 3 juli 2006 komen de gedragsdeskundigen - kort samengevat - tot de navolgende bevindingen en conclusies.

a. bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met zowel narcistische als antisociale kenmerken, waarbij centraal staat dat het zwakke, broze zelfbeeld wordt gecompenseerd door een stevige, imponerende en soms ook intimiderende en (impliciet) dreigende presentatie. Samenhangend met zijn temperament en zijn impulsiviteit is verdachtes agressieregulatie gestoord. Het antisociale is echter meer een uitingsvorm van de impulsiviteit dan dat de verdachte intentioneel ten koste van anderen uit is op eigen gewin. De psychiater constateert dienaangaande elders in deze rapportage: "in de kern heeft betrokkene geen slechte inborst";

b. de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis leidt het PBC tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat het feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend;

c. de impulsiviteit van de verdachte was tijdens de tweede opname minder sterk aanwezig dan tijdens het vorige onderzoek. Dat zou vooral te maken (kunnen) hebben met de duidelijke structuur en veilige aandacht in het PBC. De verdachte wordt niet bij machte geacht om zelf voldoende structuur in zijn leven aan te brengen om zijn temperament en impulsiviteit steeds in goede banen te leiden;

d. in het verleden is de verdachte (tijdens detenties) twee of drie keer psychotisch geweest, zonder dat de precieze aard daarvan kon worden vastgesteld. Uit de eerste rapportage van het PBC valt af te leiden dat in die perioden evenzeer of zelfs vooral van (verbaal) agressief gedrag sprake was. Het hof is van oordeel dat bij de afweging van de passende sanctionering aan dit aspect - mede vanwege de uit de rapportage blijkende onduidelijkheid aangaande de oorsprong van de psychotische episodes en de vraag of en op welke wijze zich in de toekomst nog dergelijke episodes zullen (kunnen) voordoen - geen zelfstandige betekenis dient te worden toegekend;

e. het PBC acht naar aanleiding van zijn tweede onderzoek de kans op herhaling van gewelddadige feiten even groot als naar aanleiding van het eerste, aangezien de verdachte (nog steeds) onvoldoende in staat is zijn temperament en impulsiviteit goed te reguleren. Hij is gemakkelijk krenkbaar en kan snel en heftig uiting geven aan zijn oplopende woede;

f. in de eerste rapportage werd ten aanzien van de vraag of er escalatie naar (nog) ernstiger vormen van geweld - en dan ook met ernstig fysiek letsel - te duchten is, overwogen dat "omineus ... is dat (de verdachte) blijkbaar ... - (vuur en/of steek)wapens draagt en zich niet realiseert dat dat tot ernstige gevolgen kan leiden";

g. de verdachte heeft ondanks het tijdsverloop en de gesprekken over zijn stoornis nog steeds geen verdiepend inzicht in zijn stoornis en de daarmee samenhangende beperkingen. Daarom is volgens het PBC behandeling in het kader van bijvoorbeeld een tbs met voorwaarden gedoemd te mislukken omdat hij behandeling als krenkend en beangstigend ervaart en geneigd zal zijn zich daaraan te onttrekken. Indien de verdachte zich echter in een omgeving zou bevinden die veilig genoeg is om zijn verzet op te geven, is perspectief op een succesvolle behandeling aanwezig, aldus de gedragsdeskundigen.

3. Het hof neemt - mede op grond van zijn eigen waarneming van het ongecontroleerde, vooral verbaal agressieve gedrag van de verdachte ter terechtzitting - de conclusies van het PBC ten aanzien van de ziekelijke stoornis en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en maakt die tot de zijne.

4. Bij de beoordeling van de ernst van het bewezenverklaarde stelt het hof vast dat de verdachte verhaal is gaan halen op de medewerker van een koffiehuis die hem had beledigd, met het oog daarop vernielingen heeft verricht en vervolgens kennelijk heeft bedacht dat hij deze medewerker ook kon treffen door de inhoud van de kassalade weg te nemen. Toen de verdachte zich daartoe naar de kassa wilde begeven, vond hij de medewerker op zijn weg en heeft hij deze en andere aanwezigen verbaal bedreigd. Daarbij heeft hij een (zak)mes(je) tevoorschijn gehaald. Bij de kassa aangekomen heeft hij deze op de grond gegooid en geld weggenomen.

Dergelijk handelen veroorzaakt niet alleen aanmerkelijke schade en ergernis, maar jaagt tevens omstanders angst aan. In het bijzonder ook vanuit die invalshoek verdient verdachtes handelen een scherpe strafrechtelijke reactie in de vorm van een langdurige vrijheidsstraf. Bij het bepalen van de na te melden duur daarvan heeft het hof de verminderde toerekeningsvatbaarheid als bovenoverwogen in aanmerking genomen. Gelet op de duur van de inmiddels ondergane voorlopige hechtenis in deze zaak is er naar 's hofs oordeel geen ruimte om daarnaast ook nog een voorwaardelijk gedeelte op te leggen.

5. Met betrekking tot de vraag of de verdachte tevens een behandeling (onder drang of dwang) moet worden opgelegd deelt het hof de onder 2.g weergegeven conclusie van het PBC dat alleen een behandeling in het kader van een tbs met bevel tot verpleging kans op succes biedt. Wil een dergelijke maatregel kunnen worden opgelegd, dan zal onder meer aan de voorwaarden moeten zijn voldaan dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling én van de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde eist (artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2° jo artikel 37b, eerste lid Sr). Naar 's hofs oordeel vloeit uit deze voorwaarden voort dat niet alleen, zoals uit artikel 37a, eerste lid onder 1° blijkt - terugziende - het feit voldoende ernstig moet zijn om de maatregel, die vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur meebrengt, te rechtvaardigen, maar dat die rechtvaardiging ook gevonden moet worden in de taxatie van de ernst van de risico's van verdachtes gedrag in de toekomst.

6. Het is in het bijzonder ten aanzien van die laatste voorwaarde, de toekomstige risico's betreffende, dat het hof na ampele overweging tot de slotsom is gekomen dat die risico's niet zodanig zijn dat zij de oplegging van de gevorderde maatregel rechtvaardigen. Het hof heeft daarbij onder meer overwogen dat

a) de verdachte in het verleden weliswaar vele malen met justitie in aanraking is gekomen, maar dat slechts éénmaal eerder sprake was van een delict met een agressieve component: in juli 2003 is de verdachte ter zake van diefstal met (bedreiging met) geweld, alsmede een eenvoudige diefstal veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van zeven maanden. Uit de opgelegde straf leidt het hof af dat in die zaak aan de geweldscomponent kennelijk slechts betrekkelijk gewicht is toegekend;

b) ook in de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat (naast de vernielzuchtige omstandigheden) vooral de agressieve verbale bedreiging met geweld, die tot op zekere hoogte werd ondersteund door het tonen van een mes, bepalend is voor de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Hoewel het hof de hierboven onder 2.f weergegeven overweging van het PBC ten aanzien van het risico van escalatie bij wapengebruik onderkent en in beginsel ook wel onderschrijft, is het van oordeel dat de betrekkelijk marginale betekenis die het mes in casu had, onvoldoende aanknopingspunt biedt voor het aannemen van dat escalatierisico op grond van de omstandigheden van het onderhavige geval.

7. Een en ander leidt tot de slotsom dat de verdachte weliswaar aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt en vanuit die invalshoek bezien alle belang bij behandeling heeft (zoals ook zijn naaste omgeving) en dat hij vanuit die stoornis met enige regelmaat onaangepast en soms ook explosief gedrag vertoont dat voor zijn omgeving niet alleen hinderlijk en verontrustend, maar óók beangstigend is, maar dat niet gezegd kan worden dat de toekomstige risico's van dat gedrag zodanig zijn dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van tbs én van de verpleging van overheidswege eist. Die maatregel dient derhalve achterwege te blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 310 en 312 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. P.A. Offers, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2006.