Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4862

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
04/73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:629a BW. Bij de loonvordering is geen verklaring gevoegd van een deskundige benoemd door het UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 juni 2006

Rolnummer: 04/73

Rolnummer rechtbank: 314082/03.373

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[WERKNEMER],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. J.C. Meijroos,

tegen

[WERKGEVER]

wonende en zaakdoende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [werkgever],

procureur: mr. M.G. Evers.

Het geding

Bij exploot van 9 december 2003 is [werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 29 oktober 2003 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden, gewezen tussen partijen. [werknemer] heeft bij memorie van grieven één grief opgeworpen, die door [werkgever] bij memorie van antwoord is bestreden. Tot slot heeft [werknemer] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden staat in deze zaak het volgende vast.

1.1 [werknemer] is op 18 maart 2002 in dienst getreden van [werkgever] in de functie van "all-round timmerman", op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is vervolgens twee maal verlengd.

1.2 De laatste arbeidsovereenkomst is ingegaan per 18 september 2002 voor een periode van 6 weken en tegen een salaris van € 363,02 per week. Blijkens de schriftelijke arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing.

1.3 [werknemer] heeft voor het laatst gewerkt op 4 dan wel 7 oktober 2002.

1.4 Op 17 oktober 2002 heeft [werkgever] [werknemer] bij aangetekende brief verzocht contact met hem op te nemen, aangezien [werknemer] op de eerder verzonden brief van 9 oktober 2002 niet had gereageerd. [werknemer] heeft de brief van 17 oktober 2002 op 21 oktober 2002 opgehaald bij het postkantoor.

1.5 Bij brief van 22 oktober 2002 heeft [werkgever] aan [werknemer] bericht dat de arbeidsovereenkomst na verloop van de termijn van de derde arbeidsovereenkomst (te weten: 30 oktober 2002) niet zal worden verlengd.

1.6 Op 23 oktober 2002 heeft [werkgever] een aangetekende brief verstuurd aan [werknemer]. [werkgever] heeft deze brief retour ontvangen, omdat [werknemer] deze niet heeft afgehaald.

1.7 Bij brief van 4 november 2002 heeft [werknemer] de nietigheid van het bij brief van 22 oktober 2002 aangezegde ontslag doen inroepen, stellende dat het is gedaan zonder dringende reden en zonder toestemming van het CWI.

1.8 Bij brief van zijn raadsman van 19 november 2002 heeft [werknemer] nogmaals de nietigheid van het ontslag ingeroepen en heeft aangegeven onverminderd bereid te zijn de overeengekomen arbeid te verrichten, voor zover zijn arbeidsgeschiktheid dat toelaat.

1.9 Op 14 januari 2003 heeft [werknemer] [werkgever] gedagvaard en heeft – na (impliciete) wijziging van eis gevorderd – dat [werkgever] zal worden veroordeeld aan hem te betalen loon en emolumenten vanaf 7 oktober 2002 tot 31 maart 2003 met toepassing van de Bouw CAO, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede buitengerechtelijke incassokosten en nabetaling van het te weinig ontvangen loon omdat [werkgever] niet de Bouw CAO, maar de CAO voor Timmerfabrieken volgt.

1.10 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [werknemer] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat – nu [werknemer] niet persoonlijk ter comparitie is verschenen, hij geen aannemelijke verklaring voor zijn afwezigheid heeft gegeven, terwijl hij evenmin de aangetekende aan hem verzonden ontslagbrief van 23 oktober 2002 heeft afgehaald – zij het ervoor houdt dat [werknemer] vanaf 7 oktober 2002 ongeoorloofd afwezig is geweest en deswege terecht op 23 oktober 2002 is ontslagen. De vordering tot aanvulling van het loon is door de rechtbank afgewezen wegens gebrek aan voldoende specificatie.

2.1 [werknemer] is tegen dit vonnis in beroep gekomen en heeft met één grief het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigd en alsnog zijn vorderingen toewijst.

2.2 Het hof overweegt als volgt.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of sprake was van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het hof zal deze vraag onbeantwoord laten, omdat ook indien het hof er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat geen sprake was van een dringende reden, de vordering gelet op het navolgende dient te worden afgewezen. [werknemer] heeft gesteld dat hij zich op 8 oktober 2002 heeft ziek gemeld, hetgeen door [werkgever] is weersproken. [werknemer] heeft niet gesteld dat hij op enig moment vóór 31 maart 2003 weer geschikt was zijn arbeid te hervatten. De loonvordering (met uitzondering van de loonvordering over 7 oktober 2002) moet derhalve zijn gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:629 BW. Artikel 7:629a BW bepaalt dat de rechter een vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 BW afwijst, indien bij de eis niet een deskundigenverklaring is gevoegd omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen arbeid of andere passende arbeid te verrichten. [werknemer] heeft verzuimd een dergelijke verklaring over te leggen. Dit betekent dat – wat er ook zij van de vraag of het dienstverband al dan niet wegens een dringende reden is geëindigd op 23 oktober 2002 – de vordering van [werknemer] over de periode 8 oktober 2002 tot en met 31 maart 2003 dient te worden afgewezen. Blijft over de loonvordering over 7 oktober 2002. Omdat [werkgever] heeft ontkend dat [werknemer] op die dag heeft gewerkt, [werknemer] terzake niet erg stellig is ("Volgens cliënt was de laatste dag aldaar een maandag (vermoedelijk 7 oktober 2002)") en voorts geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, ziet het hof geen aanleiding [werknemer] toe te laten tot het bewijs dat hij op 7 oktober 2002 heeft gewerkt. Nu niet is komen vast te staan dat [werknemer] op 7 oktober 2002 heeft gewerkt, kan zijn loonvordering over die dag niet slagen.

2.3 [werknemer] heeft zijn vordering tot aanvulling van het loon ook in hoger beroep op geen enkele wijze onderbouwd, zodat ook deze vordering dient te worden afgewezen.

2.4 Het bestreden vonnis zal onder verbetering van gronden worden bekrachtigd. [werknemer] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 11 juni 2003 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden, gewezen tussen partijen, onder verbetering van gronden als voormeld;

- veroordeelt [werknemer] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werkgever] begroot op € 1.099,- (waarvan € 205, - voor griffierecht en € 894,- voor salaris procureur).

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In 't Velt-Meijer, M.J. van der Ven en T.L. Tan en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2006 in bijzijn van de griffier.