Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4855

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
05/761 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

TBS-passant. Aan [appellant] is met het opleggen van tbs een vrijheidsbenemende maatregel met een geldigheidsduur van in beginsel twee jaar opgelegd. De Staat handelt daarom niet onrechtmatig door [appellant] van zijn vrijheid te beroven. De Staat handelt wel onrechtmatig door [appellant] in de periode dat hem zijn vrijheid is ontnomen niet een behandeling in een tbs-instituut te geven. Het eventuele belang van [appellant] bij (tijdelijke) invrijheidstelling moet evenwel wijken voor het maatschappelijke belang bij handhaving van de vrijheidsbeneming totdat [appellant] adequate psychiatrische behandeling heeft gekregen. Dat financiële compensatie niet de geschikte wijze zou zijn om de onrechtmatigheid van het passantenverblijf op te heffen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Geen sprake van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor het gevorderde bevel tot plaatsing vereist is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een voorrangsbehandeling ten opzichte van andere tbs-passanten rechtvaardigen. Uit het onderzoek blijkt dat [appellant] weliswaar niet geschikt is voor detentie en zo spoedig mogelijk in een kliniek moet worden geplaatst, maar tevens dat hij niet zodanig méér ongeschikt is dan een groot aantal andere tbs-passanten dat hij (met voorrang) boven aan de wachtlijst moet worden gezet. De onderzoekers hebben in het advies aangegeven, dat [appellant] ten tijde van het onderzoek naar omstandigheden redelijk functioneert. Gelet op deze rapportage ziet het hof geen grond [appellant] met voorrang boven de anderen te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 22 juni 2006

Rolnummer: 05/761 KG

Rolnr. rechtbank: KG 05/184

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

verblijvende te [verblijfplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. D.J.G. Timmermans,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. A.Th.M. ten Broeke.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 24 mei 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 21 maart 2005 en 10 mei 2005, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft hij zes grieven tegen die vonnissen aangevoerd, welke door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Partijen zijn niet opgekomen tegen de in paragraaf 1 van het vonnis van 21 maart 2005 vastgestelde feiten en hierover bestaat tussen hen ook geen geschil. Het hof zal daarom eveneens van deze feiten uitgaan. Met in achtneming van deze feiten en de stukken gaat het in dit kort geding om het volgende.

1.2 [appellant] is bij arrest van 17 juni 2004 van het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarbij tevens is gelast dat hij ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. De executietermijn van de tbs-maatregel ving aan op 2 juli 2004. Sindsdien verblijft [appellant] als zogeheten tbs-passant op de afdeling bijzondere zorg van een penitentiaire inrichting en staat hij als tbs-passant op de wachtlijst voor selectie en plaatsing in een tbs-kliniek of een daarmee vergelijkbare niet-justitiële instelling.

1.3 Op 22 februari 2005 heeft [appellant] de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd om hem binnen veertien dagen hetzij in een tbs-kliniek of in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen, hetzij hem in vrijheid te stellen totdat er plaats is in een tbs-instituut.

1.4 Bij tussenvonnis van 21 maart 2005 heeft de voorzieningenrechter de Staat inlichtingen gevraagd over de mogelijkheid om [appellant] op korte termijn in een BOPZ-inrichting te plaatsen. Bij eindvonnis van 10 mei 2005 heeft hij de vorderingen tot plaatsing in een tbs-kliniek en tot in vrijheidstelling afgewezen en de vordering tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet-ontvankelijk verklaard, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

2. Tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn vordering tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis door de rechtbank is geen grief gericht. Deze vordering is daarom in dit hoger beroep niet (meer) aan de orde. Aangaande de vorderingen tot plaatsing in een tbs-kliniek en tot invrijheidstelling geldt dat de wet geen bijzondere rechtsgang kent die voor de tbs-passant direct kan leiden tot plaatsing in een tbs-kliniek of invrijheidstelling. Op grond van artikel 69, vijfde lid, Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden (Bvt) j° artikel 66 Bvt kan de beroepscommissie het beroep tegen een ministeriële beslissing ex artikel 12, tweede lid, Bvt tot verlenging van de termijn waarbinnen de plaatsing geschiedt, gegrond of ongegrond verklaren. Daargelaten dat ten aanzien van [appellant] geen verlengingsbeslissingen zijn genomen, geldt dat de beroepscommissie niet bevoegd is om de tbs-passant in vrijheid te stellen of om een bevel te geven tot onmiddellijke plaatsing in een tbs-inrichting. Mitsdien is [appellant] inzake deze vorderingen wel ontvankelijk in dit kort geding.

3.1 Met zijn eerste en tweede grief richt [appellant] zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vordering tot invrijheidstelling niet toewijsbaar is. Hij heeft aangevoerd dat zijn verblijf in de penitentiaire inrichting een onrechtmatige inbreuk op zijn grondrecht van persoonlijke vrijheid is, welke niet behoeft te worden geduld, ook niet op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen. Op zijn minst had de voorzieningenrechter een belangenafweging moeten maken waarbij de belangen van [appellant] werden meegewogen. De aan hem te geven geldelijke vergoeding ter financiële compensatie voor het onrechtmatige passantenverblijf, is ongeschikt om de onrechtmatige toestand te doen eindigen, aldus [appellant].

3.2 Aan [appellant] is met het opleggen van tbs een vrijheidsbenemende maatregel met een geldigheidsduur van in beginsel twee jaar opgelegd. De Staat handelt daarom niet onrechtmatig door [appellant] van zijn vrijheid te beroven. De Staat handelt wel onrechtmatig door [appellant] in de periode dat hem zijn vrijheid is ontnomen niet een behandeling in een tbs-instituut te geven. Deze onrechtmatigheid van het uitblijven van een behandeling kan niet worden opgeheven of gecompenseerd door [appellant] tijdelijk in vrijheid te stellen. Nu [appellant] bij het onder 1.2 genoemde arrest tbs met dwangverpleging is opgelegd, staat vast dat hij, zolang hij niet is behandeld, een ernstig gevaar is voor de veiligheid van anderen, personen of goederen, en dat de samenleving tegen het recidivegevaar dat van hem uitgaat moet worden beschermd. Blijkens dat arrest kunnen de gevolgen van het gedrag van [appellant] ernstig zijn en is de recidivekans bij een invrijheidstelling, ook een tijdelijke, hoog. Daarom moet het eventuele belang van [appellant] bij (tijdelijke) invrijheidstelling wijken voor het maatschappelijke belang bij handhaving van de vrijheidsbeneming totdat [appellant] adequate psychiatrische behandeling heeft gekregen.

Dat financiële compensatie niet de geschikte wijze zou zijn om de onrechtmatigheid van het passantenverblijf op te heffen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

De grieven zijn ongegrond.

4.1 De derde grief richt zich tegen de overweging dat er geen sprake is van schending van artikel 3 EVRM, omdat [appellant] niet heeft weersproken de betwisting door de Staat dat zijn verblijf op de bijzondere zorg afdeling heeft geleid tot een verslechtering van zijn mentale gezondheid of behandelmogelijkheden. [appellant] voert aan dat hij detentieongeschikt was en is en dat deze detentieongeschiktheid in combinatie met de zeer lange duur van zijn verblijf in een huis van bewaring een onmenselijke behandeling, dus een schending van artikel 3 EVRM, oplevert.

4.2 Uit de stellingen en stukken waarnaar [appellant] verwijst blijkt dat hij in het huis van bewaring regelmatig door de verpleegkundige en de forensisch geneeskundige werd bezocht en dat hij daar medicamenteuze behandeling kreeg. Men heeft hem laten weten dat zijn verblijf in het huis van bewaring tijdelijk zou zijn, in afwachting van een plaats in een tbs-kliniek. Zijn mentale gezondheid of behandelmogelijkheden zijn niet verslechterd. Dat hij geïsoleerd werd, was om de enkele reden dat hij zelf geen confrontatie met anderen aankon en zich bij ontmoetingen wilde afsluiten. Blijkens de rapportage van drs. J.J. Struik, gezondheidswetenschapper en intakefunctionaris, en drs. J. de Laender, psychiater, van 9 maart 2005 functioneerde [appellant] op dat moment naar omstandigheden redelijk en was hij vertrouwd geraakt met de begeleiders op de afdeling. Voor overplaatsing naar een in de begeleiding van tbs-passanten gespecialiseerde afdeling heeft men in het belang van [appellant] niet gekozen. Gelet hierop is geen sprake van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM. De grief is ongegrond.

5.1 Met zijn vierde grief komt [appellant] op tegen het oordeel dat hij niet onverwijld in een tbs-kliniek kan worden geplaatst, omdat daarvoor, gegeven de capaciteitsproblemen in tbs-klinieken, vereist is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een voorrangsbehandeling ten opzichte van andere tbs-passanten rechtvaardigen. In zijn toelichting voert [appellant] aan dat het enkele feit dat zijn passantenverblijf onrechtmatig is, met zich brengt dat hij onverwijld moet worden geplaatst en dat zijn aanspraak niet behoort te worden verminderd door of afgewogen tegenover die van andere tbs-passanten. Voorts is het huidige systeem van plaatsing te rigide en is het capaciteitstekort waarop de Staat zich beroept, door de Staat zelf in stand gehouden.

[appellant]s vijfde grief richt zich tegen het oordeel dat er onvoldoende is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot zijn directe plaatsing in een tbs-kliniek moeten leiden, meer in het bijzonder dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij overtuigend meer detentieongeschikt is dan andere tbs-passanten die in detentie wachten op plaatsing in een kliniek. [appellant] voert onder meer aan dat hij als detentieongeschikte reeds een groter belang bij spoedige plaatsing heeft dan zij die detentiegeschikt zijn.

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2 Het onrechtmatig handelen van de Staat is enkel ingegeven door het feit dat voor de hoeveelheid tbs-passanten van de categorie waartoe [appellant] behoort niet voldoende plaatsen in tbs-klinieken vrij komen. Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat een plaatsing binnen veertien dagen (zoals gevorderd) in beginsel slechts mogelijk is als [appellant] boven aan de wachtlijst wordt gezet en met voorrang ten opzichte van andere tbs-passanten wordt geplaatst.

Bij gebrek aan capaciteit acht het hof het een juiste handelwijze om [appellant] tezamen met de andere tbs-passanten, jegens wie de Staat eveneens onrechtmatig handelt door hen niet in een tbs-kliniek te plaatsen, op een wachtlijst te zetten en [appellant] in een tbs-kliniek te plaatsen zodra hij degene is die in vergelijking met die anderen het langst in afwachting van een behandeling is. Dit wordt alleen anders indien bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat [appellant] bij voorrang boven anderen wordt geplaatst. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat voor het gevorderde bevel tot plaatsing vereist is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een voorrangsbehandeling ten opzichte van andere tbs-passanten rechtvaardigen.

5.3 Ter beantwoording van de vraag of er van bijzondere omstandigheden sprake is, overweegt het hof het volgende.

Op 2 september 1994 heeft G.P.C.P. Degen, forensisch geneeskundige, aan het Ministerie van Justitie gerapporteerd dat men in de vergadering van het Psycho Medisch Overleg in de penitentiaire inrichting waar [appellant] verbleef, tot de conclusie kwam dat de lijdensdruk bij [appellant] groot is, de begeleiding en de medicamenteuze behandeling aan hun grens zitten en dat er concluderend sprake is van detentieongeschiktheid, zodat een versnelde plaatsing in een tbs-kliniek dwingend is geboden. Op 13 oktober 1994 heeft hij dit wederom gerapporteerd en op 21 februari 2005 heeft hij geschreven dat de psychische status van [appellant] sinds 13 oktober 2004 niet is veranderd.

De Staat (Ministerie van Justitie) heeft aan de Forensisch Psychiatrische Kliniek Eindhoven verzocht om de detentiegeschiktheid van [appellant] nader te beoordelen. Dit is gebeurd door de hiervoor in 4.2 reeds genoemde drs. Struik en drs. De Laender. Uit hun rapportage blijkt dat zij (mede) hebben bekeken of [appellant] met voorrang ten opzichte van de andere wachtende tbs-passanten in een tbs-kliniek moet worden geplaatst. Daarbij hebben zij met voornoemd (eerdere) oordeel uit het Psycho Medisch Overleg rekening gehouden.

Op 16 februari 2005 heeft Struik, na bestudering van het dossier en de huidige detentieomstandigheden van [appellant], (onder meer) aan de Staat gerapporteerd dat er momenteel een wachtlijst met negen tbs-passanten is die zonder uitzondering schrijnende situaties vormen en dat de omstandigheden van [appellant] ernstig zijn, echter niet ernstiger dan voor de gemiddelde tbs-passant die op die wachtlijst voorkomt. Vervolgens hebben Struik en De Laender [appellant] bezocht. Op 9 maart 2005 hebben zij aan de Staat gerapporteerd dat [appellant] wel zo spoedig mogelijk in een kliniek moet worden geplaatst, maar ook dat in hun visie [appellant] niet overtuigend meer detentieongeschikt is dan een groot aantal andere tbs-passanten die momenteel in detentie wachten op plaatsing in een kliniek. Zij melden geen feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het passantenverblijf bij [appellant] leidt tot een verslechtering van zijn (reeds slechte) mentale gezondheid of behandelmogelijkheden en er blijkt ook niet anderszins dat er zo’n verslechtering is.

5.4 [appellant] heeft de wijze van totstandkoming en de uitkomst van dit deskundigenonderzoek niet bestreden, zodat in dit kort geding van dit onderzoek wordt uitgegaan. Uit het onderzoek blijkt dat [appellant] weliswaar niet geschikt is voor detentie en zo spoedig mogelijk in een kliniek moet worden geplaatst, maar tevens dat hij niet zodanig méér ongeschikt is dan een groot aantal andere tbs-passanten dat hij (met voorrang) boven aan de wachtlijst moet worden gezet. De onderzoekers hebben in het advies aangegeven, dat [appellant] ten tijde van het onderzoek naar omstandigheden redelijk functioneert. Gelet op deze rapportage ziet het hof geen grond [appellant] met voorrang boven de anderen te plaatsen.

De grieven treffen geen doel.

6. De zesde grief borduurt voort op de voorgaande grieven en deelt hun lot.

7. Conclusie is dat het hoger beroep moet worden verworpen. [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op deze uitspraak begroot op € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2006 in aanwezigheid van de griffier.