Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4807

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
21-07-2006
Zaaknummer
04/811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regime Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in strijd met art. 3 EVRM? Het lichaamsonderzoek is onder omstandigheden daarmee strijdig geoordeeld. In onderhavig geval evenwel onvoldoende gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. M.C.L. Hattinga Verschure,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. F.W. Bleichrodt.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 juni 2004 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 april 2004, door de rechtbank te ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] één grief tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) is bestreden. Tenslotte heeft [appellant] zijn procesdossier overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] is op 15 maart 1997 door de rechtbank te ‘s-Gravenhage wegens onder meer doodslag veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstaf en ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Wegens aanwijzingen dat hij met gebruik van geweld wilde ontvluchten uit het huis van bewaring te Zwolle is [appellant] op 26 maart 1997 overgeplaatst naar het huis van bewaring van de Extra Beveiligde Inrichting (hierna EBI) Nieuw Vosseveld te Vught. Op 9 oktober 1997 is het genoemde vonnis van de rechtbank onherroepelijk geworden. Vervolgens is [appellant] overgeplaatst naar het gevangenisgedeelte van de EBI.

In de EBI heerst een bijzonder regime met als belangrijkste uitgangspunten:

- de contacten van de gedetineerden met de buitenwereld worden volledig gecontroleerd;

- bij contact tussen een gedetineerde en EBI-personeel moet het personeel altijd in de meerderheid zijn;

- tijdens transporten en in situaties waarin de gedetineerde bij materialen kan komen waarmee hij personeel kan verwonden of gijzelen, wordt de gedetineerde geboeid;

- er vindt dagelijks celcontrole plaats;

- bij gemeenschappelijke activiteiten bedraagt de groepsgrootte maximaal vier personen.

In de praktijk vond gedurende het verblijf van [appellant] in de EBI wekelijks een celcontrole plaats, gecombineerd met onderzoek aan het lichaam.

De plaatsing van [appellant] in de EBI is door de minister van Justitie een aantal malen voor zes maanden verlengd; het telkens door [appellant] daartegen ingestelde beroep bij de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing (verder: de Raad) leidde in eerste instantie niet tot resultaat. Evenwel oordeelde de Raad naar aanleiding van een dergelijk beroep van [appellant] op 28 februari 2000 dat de aan de plaatsing ten grondslag liggende feiten een langer verblijf in de EBI niet rechtvaardigden en verklaarde de Raad het beroep gegrond. Op 15 maart 2000 is [appellant] overgeplaatst naar een gewone penitentiaire inrichting.

2. [appellant] vordert in deze zaak veroordeling van de Staat tot betaling aan hem van een schadevergoeding van € 2.500,- met rente en kosten op de grond dat het regime dat de EBI jegens hem hanteerde, in strijd was met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) en derhalve onrechtmatig jegens hem. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] fysiek en/of psychisch ernstig onder het EBI-regime (in het bijzonder het naast alle andere strikte veiligheidsmaatregelen routinematig onderwerpen van gedetineerden aan een wekelijks onderzoek aan het lichaam, ook als daartoe geen dwingende veiligheidsnoodzaak aanwezig was) geleden heeft en daardoor (immateriële) schade heeft geleden.

3. De grief van [appellant] richt zich tegen dat oordeel. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan de combinatie van wekelijks routinematig onderzoek aan het lichaam met de andere stringente veiligheidsmaatregelen in de EBI een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vormen. Of dat zo is, moet van geval tot geval beoordeeld worden. Het betoog van [appellant] komt erop neer dat hij stelt door het regime in de EBI wel degelijk immateriële schade te hebben geleden; hij biedt dat ook te bewijzen aan. Hij verwijst daarbij echter uitsluitend naar het algemene EBI-regime. [appellant] stelt niet dat hij schade heeft geleden door het routinematig wekelijks onderzoek aan het lichaam; het is juist dit onderzoek dat door het Europese hof voor de Rechten van de Mens, in combinatie met het overigens stringente, maar niet onrechtmatige regime van de EBI, onder omstandigheden in strijd met artikel 3 EVRM is geoordeeld. Uit de overgelegde rapporten en verslagen blijkt niet dat [appellant] over het bedoelde onderzoek aan het lichaam heeft geklaagd waardoor de EBI op de hoogte is gekomen van problemen van hem met dat onderzoek; evenmin blijkt daaruit dat dat onderzoek bij hem mogelijk heeft geleid tot verminderde zorg voor zijn persoonlijke hygiëne of dat hij van dat onderzoek psychische naweeën ondervindt of ondervonden heeft. Het bewijsaanbod van [appellant] zal door het hof als te algemeen worden gepasseerd. De grief faalt.

4. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij de kosten van het hoger beroep moeten dragen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Staat tot op deze uitspraak begroot op € 241,- aan verschotten en € 632,- aan salaris voor de procureur;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.V. van den Berg en G. Dulek-Sch[appellant] en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2006 in aanwezigheid van de griffier.