Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3850

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2006
Datum publicatie
17-07-2006
Zaaknummer
2200670904
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB4959, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4959
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

inrijden op minister Van Aartsen en diens persvoorlichter;

ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid, oplegging TBS met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006709-04

Parketnummer: 09-757261-04

Datum uitspraak: 17 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 25 oktober 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 juli 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 meer subsidiair: Poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Feit 2 meer subsidiair: Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte en de op te leggen maatregel

De advocaat-generaal mr. H.C. Plugge heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en ter beschikking zal worden gesteld met bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Omtrent verdachtes persoonlijkheid is door psycholoog H.A. van Kempen en psychiater J.M.J.F. Offermans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC), op 16 juni 2006 gerapporteerd.

De psycholoog Van Kempen heeft in zijn beschouwing gerapporteerd dat de verdachte niet actief meewerkt aan het huidige onderzoek, maar dat zij bij de diverse ontmoetingen en gesprekspogingen voldoende informatie (geeft) om tezamen met de gegevens die uit het strafdossier, het milieuonderzoek en de groepsobservatie naar voren komen tot een diagnose te kunnen komen.

De psychiater Offermans vermeldt bij zijn algemene indrukken dat de verdachte, ondanks haar weigering van het onderzoek, zoveel liet zien van haar gedrag en denken, dat er wel een duidelijk beeld gevormd kon worden van haar (psycho)pathologie.

De conclusie van het rapport van genoemde deskundigen luidt - kort en zakelijk weergegeven -:

Wij concluderen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis harer geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - haar niet kunnen worden toegerekend.

Het advies van het rapport luidt - kort en zakelijk weergegeven -:

Dat er bij verdachte sprake is van een op begaafd intellectueel niveau functionerende vrouw, die lijdende is aan een schizoaffectieve stoornis. Naast hypomane of manische episodes en paranoïde wanen is er ook nog sprake van een regelmatige incoherente en ook moeilijk te volgen gedachtegang. Zelf bestrijdt verdachte dat er sprake zou zijn van wanen, waarbij het haar vrijwel volledig aan ziektebesef en volledig aan ziekte-inzicht ontbreekt. De invloed van deze stoornis op haar handelen moet als zeer groot worden beschouwd, in de zin dat vooral vanuit genoemde paranoïde wanen haar keuzevrijheid zeer ernstig is aangetast.

De aantasting van haar keuzevrijheid is van dien aard, dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar mag worden beschouwd voor het haar tenlastegelegde sub 1 en 2.

Vanwege het persisteren van de acute fase van haar stoornis - ook tijdens haar verblijf in het PBC was verdachte nog manifest psychotisch en waren er tevens vele momenten van ontremming - is er nog steeds sprake van een groot recidivegevaar. Teneinde dit grote recidivegevaar terug te dringen is een behandeling noodzakelijk.

Aangezien behandeling van maximaal 1 jaar in een psychiatrisch ziekenhuis als volstrekt ontoereikend, en behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet tot de mogelijkheden behorend, worden geacht, adviseren de onderzoekers verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Het hof neemt voormelde conclusies over en maakt deze tot de zijne, en verenigt zich met dit advies.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de verdachte dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

Voorts is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a (oud), 37b, 39, 45 (oud), 57, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte niet strafbaar terzake van het bewezenverklaarde en ontslaat haar van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. M.P.J.G. van der Putten-Göbbels en mr. D. Jalink, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juli 2006.