Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3820

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
1287-R-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD5509, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BD5509
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang betreffende drie kinderen. Het hof benoemt een deskundige - op kosten van 's rijks kas - met specifieke vragen en met benoeming van raadsheer-commissaris onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juni 2006

Rekestnummer. : 1287-R-05

Rekestnr. rechtbank : 521661-04-56

[verzoeker],

wonende te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. R.A. Kaarls,

tegen

[verzoekster],

wonende te Krimpen aan den IJssel,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 oktober 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam van 29 juli 2005.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de raad zijn bij het hof op 17 maart 2006 het raadsrapport van 25 maart 2005 en enkele bijlagen ingekomen.

Op 24 mei 2006 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaak bekend onder rekest-nummer 1283-R-05. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door mr. J. Van der Stel, advocaat te Dordrecht, en de moeder, bijgestaan door. mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam. Namens de raad is verschenen de heer [x]. Partijen en de heer [x] hebben het woord gevoerd, de raadsman van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN EN PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam van 12 maart 2004.

Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag over de volgende minderjarige kinderen:

[de oudste minderjarige], geboren op 17 oktober 1994, verder: [de oudste minderjarige],

[de middelste minderjarige], geboren op 24 maart 1998, verder: [de middelste minderjarige], en

[de jongste minderjarige], geboren op 4 oktober 2001, verder: [de jongste minderjarige],

ook hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende,

primair: de in eerste aanleg door hem opgevoerde primaire verzoeken alsnog toe te wijzen en

subsidiair: de in eerste aanleg door hem opgevoerde subsidiaire verzoeken alsnog toe te wijzen, met vaststelling van een ruimere omgangsregeling, inhoudende dat hij wekelijks omgang met de kinderen zal hebben van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur.

3. De moeder heeft het beroep van de vader ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

4. In de grieven 1 tot en met 5, die zich naar het oordeel van het hof voor een gezamenlijke behandeling lenen, stelt de vader, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om hem in plaats van de moeder met het gezag over de kinderen te belasten, heeft afgewezen. Hij stelt dat de rapportage van de raad, voor wat betreft de daarin opgenomen mening van de kinderen, onvolledig en onjuist is. De vader stelt verder dat de kinderen door de moeder mishandeld worden, dat zij onder een negatieve invloed van haar en haar familie staan en dat zij door de moeder worden verwaarloosd. Hij wenst dat de raad aanvullende onderzoeken doet.

In de zesde grief en de toelichting daarop stelt de vader, samengevat weergegeven, dat de rechtbank een te beperkte omgangsregeling heeft vastgesteld.

5. De moeder stelt dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld ten aanzien van het gezag over de kinderen. Zij betwist de stellingen van de vader.

6. Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van de raad desgevraagd verklaard dat de raad niet beschikt over de expertise om de relatie van partijen in kaart te brengen. Het hof doelt hierbij op het voor partijen zelf en de onderzoeker zichtbaar maken van de wijze waarop partijen in gewichtige zaken met elkaar omgingen en welk conflictgedrag zij vertoonden, en eventueel nog steeds vertonen op momenten dat hun relatie onder druk komt te staan. Het hof acht het noodzakelijk om, alvorens te beslissen in het onderhavige geschil, geïnformeerd te worden over de relatie van partijen en de mogelijke gevolgen daarvan voor het ouderschap na echtscheiding. Het hof zal daarom, alvorens over het gezag over de kinderen en de omgang te beslissen, de behandeling van de zaak aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum, teneinde van de hierna te noemen deskundige een deskundigenbericht te verkrijgen, in welk deskundigenbericht de onder rechtsoverweging 7 vermelde vragen zijn beantwoord. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent verloop en voortgang van het onderzoek.

7. Het hof zal mevrouw drs. ir. W. Boom-Pelle benoemen als deskundige, die zich bereid heeft verklaard het deskundigenbericht op te stellen. Van de deskundige wordt verzocht dat tijdens de onderzoeksfase mediationtechnieken worden ingezet, die er mogelijk toe leiden dat de ouders hun conflicten leren beheersen en hun geschillen zullen bijleggen. Bij het door de deskundige uit te voeren onderzoek kunnen de volgende vragen als leidraad dienen:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar?

b. Hoe is de relatie van de kinderen met respectievelijk de moeder, de vader en elkaar (met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de moeder en de vader?

d. Waaraan moet de opvoedingssituatie voor de kinderen voldoen, gelet op hun individuele be-hoefte?

e. In hoeverre is de moeder respectievelijk de vader in staat de kinderen ruimte te bieden voor een relatie dan wel een omgangsregeling met de andere ouder?

f. Bij wie is het gezag geëigend?

g. Wat betekent dit voor de omgang met de andere ouder?

h. Zijn er vanuit het onderzoek aspecten naar voren gekomen die meegenomen moeten worden bij de afweging hoe een eventuele omgangsregeling met de niet-verzorgende ouder het beste vastgesteld kan worden?

i. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikk-ling en opvoeding van de kinderen?

8. Nu vast is komen te staan dat de ouders, die beiden op basis van een toevoeging procederen, de kosten van het deskundigenbericht niet zelf kunnen dragen, de raad zich niet in staat acht om een onderzoek in te stellen en het hof het noodzakelijk acht dat er inzicht komt in de relatie van partijen en hun beider relatie met de kinderen, en de mogelijke gevolgen daarvan voor het ouderschap, zullen de kosten van de deskundige voorlopig ten laste worden gebracht van het rijk. Het hof gaat er daarbij voorshands vanuit dat de kosten een bedrag van € 3.500,- exclusief BTW niet te boven zullen gaan. Mocht tijdens de behandeling aan de deskundige blijken dat het bedrag dreigt te worden overschreden, dan gaat het hof er van uit dat de deskundige tijdig hierover met het hof in overleg zal treden.

9. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek.

10. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

houdt de behandeling aan tot zaterdag 28 oktober 2006 pro forma, ter fine als vermeld onder rechtsoverweging 7;

benoemt tot deskundige mevrouw drs. ir. W. Boom-Pelle, orthopedagoog, Schoolstraat 42, 4841 XE Prinsenbeek, telefoonnummer 076-5420722;

bepaalt dat de kosten van de deskundige ten laste komen van ’s rijks kas, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 8 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. C.A.RM. van Leuven;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de ouders binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig vóór de hierboven vermelde datum het hof schriftelijk zal rapporteren over het verloop en de resultaten van haar onderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de in-houd van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Labohm en Van Leuven, bijgestaan door mr. Sierksma als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2006.