Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3605

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
11-07-2006
Zaaknummer
2200450205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmotivering

De verdachte heeft zich samen met een soms van samenstelling wisselende groep mededaders gedurende geruime tijd schuldig gemaakt aan een reeks van (pogingen tot) afpersingen van diverse Chinese ondernemers.

De verdachte en zijn mededaders hebben door te handelen zoals is bewezenverklaard ernstig inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van de diverse slachtoffers en hun - met name door de hierboven reeds beschreven intimiderende handelwijze - gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd. Ook werd door deze delicten het behoorlijk functioneren van de ondernemingen van de slachtoffers bedreigd. Kennelijk is de dreiging die van de verdachten uit ging op enig moment zo groot geweest dat een aantal ondernemers gezamenlijk heeft besloten aangifte te doen. Dat heeft ertoe geleid dat de traditionele geslotenheid van de Chinese gemeenschap, waarin men problemen het liefst zelf oplost en - zoals een getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - 'de dingen niet groter maakt dan ze zijn', werd doorbroken.

Ter terechtzitting in hoger beroep is uit meerdere getuigenverklaringen gebleken dat sommige slachtoffers ook nu nog vrezen voor hun veiligheid en bang zijn dat de afpersers zullen terugkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004502-05

Parketnummer: 10-101396-04

Datum uitspraak: 11 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 21 juli 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring 'Noordsingel' te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 mei 2006, 23 juni 2006 en 27 juni 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 en 6 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2, 3, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 4 en 6 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Toelichting op de bewezenverklaring

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat met betrekking tot meerdere door hem aangegeven tenlastegelegde feiten geen sprake is geweest van gedane uitingen of gepleegde handelingen, die kunnen worden gekwalificeerd als 'bedreiging met geweld', zoals bedoeld in de delictsomschrijving van artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof overweegt daaromtrent het navolgende.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt met betrekking tot de gepleegde feiten steeds dezelfde handelwijze naar voren.

De - nagenoeg zonder uitzondering Chinese - verdachten zijn veelal in groepsverband naar diverse - tevens telkens Chinese - ondernemers toe gegaan, aan wie op dwingende en/of dreigende wijze geld werd gevraagd: als lening, ter bescherming of ter voorkoming van verdere problemen. Eén van de afpersers was meestal woordvoerder en één of meer anderen hielden zich in diens (directe) nabijheid op. Vaak dreigden zij terug te zullen komen en kwam(en) één of meerderen van hen ook daadwerkelijk terug, om extra druk uit te oefenen. Naar 's hofs oordeel houdt het begrip bedreiging met geweld zoals bedoeld in de delictsomschrijving van artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht tevens in dat de dader een situatie doet ontstaan waarbij de vrees van het slachtoffer voor geweld van de dader gerechtvaardigd is.

Naar het oordeel van het hof is bij de bewezenverklaarde feiten van een dergelijke situatie sprake geweest.

Daarbij merkt het hof op dat het als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd dat een dergelijke wijze van bedreiging binnen de Chinese gemeenschap niet ongebruikelijk is en dat de bedreiging door de Chinese aangevers ook als zodanig is ervaren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 7 en 9 bewezenverklaarde:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

poging tot afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een soms van samenstelling wisselende groep mededaders gedurende geruime tijd schuldig gemaakt aan een reeks van (pogingen tot) afpersingen van diverse Chinese ondernemers.

De verdachte en zijn mededaders hebben door te handelen zoals is bewezenverklaard ernstig inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van de diverse slachtoffers en hun - met name door de hierboven reeds beschreven intimiderende handelwijze - gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd. Ook werd door deze delicten het behoorlijk functioneren van de ondernemingen van de slachtoffers bedreigd. Kennelijk is de dreiging die van de verdachten uit ging op enig moment zo groot geweest dat een aantal ondernemers gezamenlijk heeft besloten aangifte te doen. Dat heeft ertoe geleid dat de traditionele geslotenheid van de Chinese gemeenschap, waarin men problemen het liefst zelf oplost en - zoals een getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - 'de dingen niet groter maakt dan ze zijn', werd doorbroken.

Ter terechtzitting in hoger beroep is uit meerdere getuigenverklaringen gebleken dat sommige slachtoffers ook nu nog vrezen voor hun veiligheid en bang zijn dat de afpersers zullen terugkomen.

Het hof heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 21 juni 2006 uit de Justitiële Documentatie, waaruit is gebleken dat hij hier te lande niet eerder is veroordeeld terzake van enig strafbaar feit.

Alles overwegende is het hof, gelet op de ernst en de stelselmatigheid van de bewezenverklaarde delicten, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 (oud), 57, 312 (oud), 312, 317 (oud) en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.J.W. van Oven,

in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2006.