Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3596

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
882-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Invloed Thaïse bruid op draagkracht bezien in verschillende perioden. Geen verplichtingen ten opzichte van in Thailand verblijvend kind.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395
Burgerlijk Wetboek Boek 1 397
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/328 met annotatie van Dorhout

Uitspraak

Uitspraak : 12 april 2006

Rekestnummer : 882-H-05

Rekestnr. rechtbank : 04-5302

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[de man],

wonende te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W.S.A.H. Croes,

tegen

[de vrouw],

wonende te Bodegraven,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 25 juli 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 26 april 2005.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 16 december 2005 en 13 februari 2006 aanvullen-de stukken ingekomen.

Op 24 februari 2006 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaak bekend onder rekestnummer 463-H-03, door mr. Pannekoek-Dubois als raadsheer-commissaris. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. E.J.M. van Daalhuizen, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. P. van den Berg. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikkingen van 13 februari 2002 en 17 maart 2003 van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING

1. In geschil is de kinderalimentatie ten aanzien van [de zoon], geboren [in] 1996, en [de dochter], geboren [in] 1999, hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder tot het vaststellen van kinderalimentatie af te wijzen en vervolgens deze kinderalimentatie vast te stellen op nihil.

3. Ter terechtzitting heeft de moeder het beroepschrift van de vader gemotiveerd weersproken. Zij heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vader heeft de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage in hun levensonderhoud niet weersproken. Hun behoefte staat hiermee vast.

5. De vader heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen.

6. Uit zijn overgelegde salarisspecificatie over de maand december 2004 blijkt dat de vader een cumulatief bruto inkomen heeft ontvangen van € 16.890,- in de periode april 2004 tot en met december 2004. Blijkens zijn jaaropgave bedroeg het inkomen van de vader in het jaar 2005 € 22.419,-. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader zal het hof uitgaan van bovenge-noemde inkomsten.

7. De vader heeft – kort gezegd – aangevoerd dat zijn huidige echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarentegen heeft de moeder gesteld dat de huidige echtgenote van de vader in staat moet worden geacht werkzaamheden te verrichten waarmee zij inkomsten kan genereren.

De vader is op 3 juli 2003 getrouwd met een vrouw uit Thailand. Op 29 december 2004 is zij naar Nederland gekomen en bij de vader gaan wonen. De vader heeft gesteld dat zijn huidige echtgenote de Nederlandse taal niet machtig is. Zij volgt sinds oktober 2005 een inburgeringscursus. Ter terechtzitting is gebleken dat de huidige echtgenote van de vader in oktober 2005 een positief besluit heeft ontvangen op haar aanvraag van een verblijfsvergunning. Tot die tijd was het de huidige echtgenote van de vader niet toegestaan om ook maar enige arbeid op de Nederlandse arbeidsmarkt te verrichten. Gelet op het feit dat de huidige echtgenote van de vader in oktober 2005 haar verblijfsvergunning heeft gekregen en het hof het redelijk acht dat haar vanaf die periode een termijn wordt gegund om werk te zoeken, is het hof van oordeel dat de huidige echtgenote van de vader vanaf 1 april 2006 in staat moet worden geacht grotendeels in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Het feit dat de huidige echtgenote van de vader een inburgeringscursus volgt, doet aan het vorenstaande niet af, omdat de vader – naar het oordeel van het hof – niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het volgen van onderwijs niet kan combineren met betaald werk.

8. Door partijen zijn geen grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de kinderalimentatie, zodat het hof daarbij zal aansluiten. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7 is overwogen zal het hof de draagkracht van de vader vaststellen over drie perioden te weten: de periode van 1 mei 2004 tot 1 januari 2005, de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2006 en de periode met ingang van 1 april 2006.

9. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 7 is overwogen zal het hof de vader in de periode van 1 mei 2004 tot 1 januari 2005 en in de periode vanaf 1 april 2006 als alleenstaande aanmerken. In de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2006 zal het hof de gezinsnorm hanteren.

10. De vader heeft gesteld dat geen rekening gehouden dient te worden met zijn huidige huur van € 250,- per maand, doch met een fictieve huur van € 475,- per maand. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij en zijn huidige partner op zoek zijn naar zelfstandige woonruimte. Niet vast staat dat de vader binnen afzienbare tijd over andere woonruimte zal beschikken, zodat het hof het prematuur acht om thans met een dergelijke onzekere toekomstige gebeurtenis rekening te houden. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader houdt het hof derhalve rekening met zijn huidige woonlasten van € 250,- per maand.

11. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader houdt het hof rekening met ziektekosten conform de door de vader overgelegde specificatie van 1 januari 2005, verminderd met de gemiddelde nominale premie. Vanaf 1 januari 2005 houdt het hof tevens rekening met een gelijk bedrag aan ziektekosten voor de huidige echtgenote van de vader, eveneens verminderd met de gemiddelde nominale premie.

De vader heeft nog gesteld dat hij vanaf 1 januari 2006 hogere ziektekosten dient te voldoen. Nu voor het hof onduidelijk is gebleven welk inkomen de vader vanaf 1 januari 2006 ontvangt en of de vader al dan niet zorgtoeslag ontvangt, gaat het hof ook voor de periode na 1 januari 2006 uit van de gegevens over het jaar 2005.

12. De vader heeft aangevoerd dat hij maandelijks voor een bedrag van € 136,- aflost op het consumptief krediet bij de Postbank. De moeder heeft dit betwist.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de schuld is aangegaan door beide partijen tijdens hun huwelijk. In haar beschikking van 17 maart 2003 heeft de rechtbank overwogen dat de vader nog drie jaar zou moeten aflossen op het krediet. Gelet op deze overweging zal het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vader tot 1 april 2006 rekening houden met voormelde aflossing. Dat de vader per 1 april 2006 nog niet het volledige saldo heeft afgelost dient voor zijn rekening en risico te komen.

13. De moeder heeft de overlijdensverzekering van de vader bij Reaal met een premie van € 16,- per maand niet weersproken, zodat het hof daarmee rekening zal houden.

14. De vader heeft een bedrag van € 9,- per maand opgevoerd ter zake premie uitvaartverzekering ten behoeve van de minderjarigen. Hij heeft deze verzekering reeds enige jaren geleden afgesloten. Ter terechtzitting is gebleken dat ook de moeder inmiddels een uitvaartverzekering voor de minderjarigen heeft afgesloten. Naar het oordeel van het hof is een dergelijke dubbele verzekering overbodig. De moeder had alvorens een dergelijke verzekering af te sluiten – naar het oordeel van het hof – in overleg moeten treden met de vader, dat zij dat niet heeft gedaan komt voor haar rekening en risico. Nu de moeder op de hoogte was van het feit dat de vader reeds enige jaren geleden een uitvaartverzekering voor de minderjarigen heeft afgesloten, acht het hof het redelijk de door de vader opgevoerde premie in aanmerking te nemen.

15. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader houdt het hof geen rekening met het door hem opgevoerde bedrag van € 45,- per maand ter zake de premie RVS spaarplan ten behoeve van de minderjarigen. De keuze van de vader om voor de minderjarigen deze premie te willen blijven betalen, valt te respecteren, doch deze keuze dient niet ten laste te komen van zijn draagkracht. Immers, indien het standpunt van de vader wordt gevolgd, zou dit betekenen dat de minderjarigen indirect hun eigen spaarplan betalen.

16. Met de overige door de vader opgevoerde verzekeringen bij RVS houdt het hof geen rekening aangezien deze reeds in de bijstandsnorm zijn inbegrepen dan wel uit de vrije draagkrachtruimte van de vader dienen te worden voldaan.

17. De vader heeft voorts herinrichtingskosten van € 114,- per maand opgevoerd. Volgens de vader zal hij deze kosten te zijner tijd moeten maken bij het verkrijgen van zelfstandige woonruimte. De moeder heeft deze kosten betwist. Het hof houdt, evenals de rechtbank, geen rekening met herinrichtingskosten, nu de vader deze kosten – nog afgezien van de vraag of deze kosten voorrang verdienen boven zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de minderjarigen – thans niet daadwerkelijk maakt, noch de noodzaak daarvan heeft aangetoond.

18. Met het door de vader opgevoerde bedrag voor lidmaatschap van een vakbond houdt het hof geen rekening aangezien deze kosten – naar het oordeel van het hof – uit de vrije draagkrachtruimte van de vader dienen te worden voldaan.

19. De vader heeft nog gesteld dat hij maandelijks een bijdrage overmaakt naar Thailand voor het aldaar verblijvende minderjarige kind van zijn huidige echtgenote. Nu dit minderjarige kind feitelijk niet tot zijn gezin behoort en de vader ten opzichte van dit kind geen onderhoudsverplichting heeft, houdt het hof hiermee geen rekening. Het hof overweegt daarbij dat deze bijdrage niet kan prevaleren boven de onderhoudsverplichting van de vader ten opzichte van de minderjarigen. Het hof merkt daarbij op dat het de vader vrij staat om een bijdrage over te maken naar Thailand, doch deze bijdrage dient wel uit zijn vrije draagkrachtruimte te worden voldaan. De stelling van de vader dat de bijdrage naar Thailand niet alleen dient voor onderhoud van het kind van zijn huidige echtgenote, maar tevens dient voor betalingen voor het naar Nederland laten komen van dit kind zoals kosten in verband met het legaliseren van documenten, is niet met documenten onderbouwd en doet aan het vorenstaande niet af.

20. Gelet op het bovenstaande zal het hof de kinderalimentatie bepalen:

- in de periode 1 mei 2004 tot 1 januari 2005 op € 130,- per maand;

- in de periode 1 januari 2005 tot 1 april 2006 op nihil; en

- vanaf 1 april 2006 op € 140,- per maand, welk bedrag de draagkracht van de vader niet te boven gaat, zelfs niet wanneer de woonlasten geheel voor zijn rekening komen en hij de premie ziektekostenverzekering van zijn huidige partner voor zijn rekening neemt.

21. Voor zover de moeder meer kinderalimentatie heeft ontvangen, dan haar op grond van deze beschikking toekomt zal het hof, gelet op het consumptief karakter ervan, bepalen dat zij het teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

22. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor [zover] aan het [oordeel] van het hof [onderworpen] en, in zoverre opnieuw [beschikkende]:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie:

- over de periode 1 mei 2004 tot 1 januari 2005 op € 130,- per maand per kind;

- over de periode 1 januari 2005 tot 1 april 2006 op nihil;

- met ingang van 1 april 2006 op € 140,- per maand per kind,

wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de moeder de eventueel door de vader aan haar te veel betaalde kinderalimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van den Wildenberg en Husson, bijgestaan door mr. Berkelaar als griffier, en uitgesproken ter openbare terecht-zitting van 12 april 2006.