Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3590

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
1119-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Gerechtvaardigde keuze van alimentatieplichtige voor vervroegd pensioen. De draagkracht is de beperkende factor bij de hoogte van de alimentatie, waarbij rekening wordt gehouden met het rendement uit vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 12 april 2006

Rekestnummer : 1119-H-05

Rekestnr. rechtbank : 05-1510

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

verzoeker,

wonende te Zoetermeer,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

verweerster,

wonende te Zoetermeer,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J. Dongelmans.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 september 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 19 juli 2005.

De vrouw heeft op 1 november 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 30 september 2005, 17 januari 2006 en 24 januari 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 18 januari 2006 en 26 januari 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 8 februari 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.J.E.M. Wielinga-van Dillen, en de vrouw, bijgestaan door haar procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, eventueel onder aanvulling en verbetering van gronden, te bepalen dat de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 juni 2005, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, op nihil zal worden gesteld dan wel maximaal € 412,- bruto zal bedragen, een en ander voor zover dit bedrag de behoefte van de vrouw niet te boven gaat. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

3. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er sprake is van een niet gedwongen beslissing van de man om met pensioen te gaan.

4. Het hof overweegt als volgt. Uit het verweerschrift van de vrouw volgt dat zij het met de stelling van de man eens is. De vrouw meent dat uit de door de man, in eerste aanleg, overgelegde stukken duidelijk is geworden dat hij met ingang van 1 juni 2005 met pensioen is gegaan en dat dit niet zijn eigen keuze is geweest. Uit het vorenstaande volgt dat de eerste grief van de man slaagt.

5. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is, nu de man als gekwalificeerd medewerker, die over veel kennis beschikt, in staat moet zijn om een aanvullend inkomen te genereren. De vrouw betwist deze stelling van de man gemotiveerd.

6. Het hof acht de inkomensvermindering aan de zijde van de man niet voor herstel vatbaar en overweegt daartoe als volgt. De man is thans 62 jaar en is sinds 1 juni 2005 met pensioen. De man heeft een lange staat van dienst achter de rug. Hoewel hij op 1 juni 2003 gerechtigd was met pensioen te gaan, de man was toen zestig jaar, is hij, op verzoek van Shell, twee jaar langer in dienst gebleven, teneinde zijn kennis te kunnen overdragen. Vervolgens is de man definitief (met ingang van 1 juni 2005) met pensioen gegaan. Tussen partijen staat, zoals hiervoor is overwogen, vast dat de man niet vrijwillig met pensioen is gegaan. Er is binnen Shell geen functie meer voor hem beschikbaar. Derhalve is de man aangewezen op een functie bij een ander bedrijf. De man stelt dat hij gesolliciteerd heeft bij alle bedrijven, waarvan hij weet dat zij daar mensen met een vergelijkbare functie in dienst hebben. Echter, er is geen functie voor hem beschikbaar. Ter staving van zijn stelling heeft de man enkele van zijn sollicitatiebrieven alsmede schriftelijke reacties van bedrijven daarop overgelegd. Het hof acht het mede op basis van het vorenstaande aannemelijk dat het voor de man niet mogelijk is gebleken elders een dienstbetrekking, voor de duur van drie jaar, tot aan zijn vijfenzestigjarige leeftijd, te aanvaarden. Daarnaast acht het hof het, in het verlengde van het vorenstaande, anders dan de vrouw stelt, aannemelijk dat het voor de man evenmin mogelijk is gebleken op projectbasis, als consultant, werkzaamheden te verrichten. Het hof neemt daarbij de toelichting van de man ter zitting in aanmerking. De tweede grief van de man slaagt derhalve eveneens.

7. Uit het vorenstaande volgt dat bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening gehouden dient te worden met zijn niet voor herstel vatbare inkomensverlies.

8. Alvorens in te gaan op de behoefte van de vrouw, zal het hof, om redenen van proceseconomie, bezien hoe ver de draagkracht van de man reikt.

Draagkracht van de man

9. De man stelt dat zijn draagkracht een partneralimentatie voor de vrouw toelaat van € 412,- per maand. Ter staving van zijn stelling heeft hij een draagkrachtberekening overgelegd (productie 18 van zijn appèlschrift). De vrouw betwist de draagkrachtberekening van de man gemotiveerd en verwijst daarvoor onder meer naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld.

10. Het hof neemt bij het vaststellen van de draagkracht van de man zijn voormelde draagkrachtberekening als uitgangspunt. Het hof overweegt als volgt.

11. Met betrekking tot het inkomen van de man gaat het hof uit van een bedrag van € 33.904,- per jaar, zoals dat volgt uit de door de man overgelegde, door de vrouw niet weersproken, brief met bijlagen van de Stichting Shell Pensioenfonds van juni 2005.

12. Met betrekking tot het vermogen van de man, overweegt het hof als volgt. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, volgt dat zij het erover eens zijn dat de lijfrentepolissen van de man, in totaal vier polissen, inmiddels zijn uitgekeerd. De man heeft, onweersproken, verklaard dat zijn vermogen thans ongeveer € 190.000,- bedraagt. Het hof gaat ervan uit dat de man uit dit vermogen rendement kan behalen en acht het redelijk daarmee rekening te houden bij het bepalen van zijn draagkracht.

13. Met betrekking tot de ziektekosten van de man gaat het hof uit van een bedrag van € 156,- per maand, nu de vrouw dit bedrag niet gemotiveerd heeft weersproken.

14. Het hof houdt daarnaast rekening met een kale huur van € 767,- per maand, aangezien het hof deze woonlast van de man, in aanmerking genomen zijn voormeld inkomen, redelijk acht.

15. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de man, rekening houdende met de overige door hem in zijn draagkrachtberekening gehanteerde uitgangspunten die de vrouw niet heeft betwist, met ingang van 1 juni 2005, een partneralimentatie toelaat van € 800,- per maand.

Behoefte van de vrouw

16. De derde en vierde grief van de man richten zich tegen de wijze waarop de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een bijdrage ten laste van hem heeft vastgesteld. De vrouw heeft de stellingen van de man dienaangaande gemotiveerd weersproken.

17. Het hof is van oordeel dat de derde en vierde grief van de man zich voor gezamenlijke behandeling lenen en overweegt als volgt. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat niet van de vrouw verwacht kan worden dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet. Daartoe neemt het hof in aanmerking de leeftijd van de vrouw, de duur van het huwelijk, alsmede het feit dat de vrouw, die weliswaar een opleiding heeft genoten, tijdens het huwelijk van partijen nooit heeft gewerkt, waardoor zij niet over werkervaring beschikt. Voorts is het hof van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de behoefte van de vrouw gedurende de periode dat de man reeds alimentatie heeft betaald, is verminderd. De vrouw heeft in punt 11 van haar verweerschrift gesteld dat de welstand van partijen tijdens het huwelijk goed was. Gezien de gewisselde stukken acht het hof dit aannemelijk.

18. Het hof overweegt voorts als volgt. Uit de verklaringen van de vrouw, alsmede de door haar overgelegde stukken volgt dat zij in ieder geval beschikt over een vermogen van € 80.000,-. De man stelt dat de vrouw onlangs een bedrag van € 100.000,- van haar broer heeft ontvangen, doch de vrouw heeft deze stelling betwist. Het hof acht het redelijk met voormeld vermogen van de vrouw van € 80.000,- rekening te houden bij het bepalen van haar behoefte aan een bijdrage ten laste van de man, te meer daar het hof, zoals hiervoor is overwogen, aan de zijde van de man eveneens rekening heeft gehouden met inkomen uit vermogen. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw rendement op haar vermogen kan behalen, hetgeen in mindering dient te strekken op haar behoefte aan een bijdrage ten laste van de man, die door de rechtbank in de bestreden beschikking is vastgesteld op € 2.426,76 per maand. Daarbij is het hof, in aanmerking genomen de omvang van het vermogen van de vrouw, van oordeel dat een en ander onverlet laat de mogelijkheid voor de vrouw om haar vermogen aan te wenden voor (onverwachte) extra uitgaven.

19. Het hof is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan een bijdrage van

€ 800,- per maand, die de man blijkens rechtsoverweging 15 kan betalen. Nu de draagkracht van de man geen hogere bijdrage dan € 800,- per maand toelaat, behoeft naar het oordeel van het hof de behoefte van de vrouw geen verdere bespreking meer.

20. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

21. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 27 november 1998 - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 1 juni 2005, op € 800,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Nievelt, Gerretsen-Visser en Labohm, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2006