Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3525

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
10-07-2006
Zaaknummer
2200554304
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmotivering

De verdachte heeft samen met een ander of anderen brand gesticht zoals bewezenverklaard. Hij heeft de nodige voorbereidingen voor deze brandstichting getroffen. Zo heeft de verdachte vijf jerrycans met terpentine en een jerrycan met benzine gekocht. Hierdoor zijn niet alleen goederen verbrand en in gevaar gebracht, tevens zijn als gevolg van de brand ongeveer 100 woningen in de directe omgeving van de supermarkt ontruimd en is het leven van anderen in gevaar gebracht. De zaak van de verdachte is volledig uitgebrand. De verdachte heeft samen met een ander of anderen - naar moet worden aangenomen met financiële motieven - de brand gesticht zonder zich te bekommeren om de ernstige gevaren waaraan hij de omwonenden zou blootstellen. Een dergelijke brandstichting is naar het oordeel van het hof een zeer ernstig feit, dat ook grote maatschappelijke onrust veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005543-04

Parketnummer(s): 10-050070-04, 10-011100-01 (TUL),

10-012263-03 (TUL) en 10-051063-04 (TUL)

Datum uitspraak: 5 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 24 september 2004 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 september 2005 en 21 juni 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, alsmede van twee eerder voorwaardelijk opgelegde geldboetes van ieder EUR 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Poging tot afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met een ander of anderen brand gesticht zoals bewezenverklaard. Hij heeft de nodige voorbereidingen voor deze brandstichting getroffen. Zo heeft de verdachte vijf jerrycans met terpentine en een jerrycan met benzine gekocht. Hierdoor zijn niet alleen goederen verbrand en in gevaar gebracht, tevens zijn als gevolg van de brand ongeveer 100 woningen in de directe omgeving van de supermarkt ontruimd en is het leven van anderen in gevaar gebracht. De zaak van de verdachte is volledig uitgebrand. De verdachte heeft samen met een ander of anderen - naar moet worden aangenomen met financiële motieven - de brand gesticht zonder zich te bekommeren om de ernstige gevaren waaraan hij de omwonenden zou blootstellen. Een dergelijke brandstichting is naar het oordeel van het hof een zeer ernstig feit, dat ook grote maatschappelijke onrust veroorzaakt.

Voorts heeft de verdachte een kennis van hem door middel van bedreigingen getracht te dwingen geld aan hem te geven. Ook dat is een ernstig feit dat angstgevoelens bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht.

Het hof heeft bovendien laten meewegen dat de verdachte eerder terzake van misdrijven met een agressief karakter is veroordeeld.

Het hof is - alles overwegende - met de advocaat-generaal van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof acht overigens geen termen aanwezig tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 1 april 2004 onder parketnummer 10-051063-04 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 11 september 2003 onder parketnummer 10-012263-03 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een geldboete van EUR 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis, met bevel dat die geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Het geven van een last tot tenuitvoerlegging is derhalve in beginsel gerechtvaardigd.

Naar het oordeel van het hof zijn er thans echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Voorts is bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 17 maart 2003 onder parketnummer 10-011100-01 de verdachte veroordeeld tot een geldboete van EUR 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis, met bevel dat die geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Het geven van een last tot tenuitvoerlegging is derhalve in beginsel gerechtvaardigd.

Naar het oordeel van het hof zijn er thans echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14g(oud), 45(oud), 47, 57, 157(oud) en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 1 april 2004 onder parketnummer

10-051063-04 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 11 september 2003 onder parketnummer

10-012263-03 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een geldboete van EUR 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 17 maart 2003 onder parketnummer

10-011100-01 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een geldboete van EUR 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Aler en Vermeulen, in bijzijn van de griffier mr. Van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 juli 2006.

Mr. Vermeulen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.