Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY2875

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2006
Datum publicatie
10-07-2006
Zaaknummer
BK-03/00906
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI9816, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

toepassing 30% regeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/59.2.8
FutD 2006-1324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

2 juni 2006

nummer BK-03/00906

UITSPRAAK

op het beroep van A te B tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Limburg/kantoor Buitenland te Heerlen, betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

Bij brief van 10 juli 2001 dan wel bij brief van 18 september 2001 is namens belanghebbende en A op de voet van artikel 9h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een verzoek gedaan om toepassing van de zogeheten 30%-regeling. Het verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 20 augustus 2002 afgewezen. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur de beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van ? 31.

2.2. Bij de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van het Hof van 13 juni 2003 is belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk in het beroep verklaard en bij de uitspraak van het Hof van 23 april 2004 is belanghebbendes verzet daartegen gegrond verklaard, met de overweging - kortweg - dat aannemelijk is gemaakt dat het beroepschrift vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd.

2.3. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.4. Bij brief van 4 april 2006 heeft belanghebbende een nader geschrift met een bijlage ingediend. Die stukken, waarvan naar de Inspecteur afschriften zijn toegezonden, worden tot de gedingstukken gerekend.

2.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 april 2006, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het op de zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is op 15 juni 1957 in Eindhoven geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd en heeft vier kinderen. Tot zijn vierentwintigste levensjaar heeft hij in Nederland gewoond. In 1981 heeft hij in het buitenland een dienstbetrekking aanvaard en is hij om die reden uit Nederland vertrokken. In 1982 heeft hij nog een jaar in Nederland gewoond. Hij was toen werkzaam bij de A in Nederland. In 1983 heeft hij Nederland metterwoon verlaten. Eerst per 15 augustus 2001 heeft hij zich met zijn gezin metterwoon in Nederland gevestigd. Tussen zijn vertrek in 1983 en zijn terugkomst op 15 augustus 2001 heeft hij niet in Nederland gewoond. Wel heeft hij in die tijd met enige regelmaat voor privé- en zakelijke doeleinden verblijf gehouden in Nederland.

3.2. In 1986 is belanghebbende in dienst getreden bij A A in Londen, meer in het bijzonder bij A. Hij is daar begonnen als "Research Sales Person". In 1994 is hij benoemd tot partner bij A en in 1996 tot "managing director". In al die functies behoort ook Nederland tot de zakelijke aandachtsgebieden. In 1998 is hij benoemd tot "Chief Operating Officer of the Equities Division in Europe". In die functie behoort naast de Europese markt (waaronder nog steeds de Nederlandse markt) ook de Aziatische markt tot de zakelijke aandachtsgebieden.

3.3. Begin 2001 is belanghebbende uitgenodigd om toe te treden tot het "Management Committee" van A. Hij is niet op dat verzoek ingegaan, onder andere vanwege het feit dat hij voornemens is om met zijn gezin in Nederland te gaan wonen. Bij brief van 10 september 2001 deelt A A aan belanghebbende met betrekking tot diens "relocation to the Netherlands" onder andere het volgende mee:

"As you are aware, we will continue to require you to perform your existing management role in London, notwithstanding the benefits A A enjoy from the fact that your principal residence will be based in the Netherlands for the immediate future."

3.4. De verhuizing op 15 augustus 2001 naar Nederland heeft geen verandering gebracht in de functie en het takenpakket van belanghebbende. Het komt incidenteel voor dat belanghebbende uit praktische overwegingen werkzaamheden verricht vanuit zijn woning in plaats vanuit zijn kantoor in Londen. Het leeuwendeel van de werkzaamheden speelt zich evenwel nog steeds buiten Nederland af, te weten in zijn kantoor in Londen, in diverse Europese en Aziatische landen, terwijl ook incidenteel overleg plaatsheeft in de Verenigde Staten van Amerika.

3.5. Eind november 2003 is het dienstverband met A A beëindigd. Op 4 december 2003 is belanghebbende bij Vogelgezang B.V. in dienst getreden en op 1 januari 2004 bij D N.V. Sedert 1 mei 2004 is hij als bestuursvoorzitter werkzaam voor D & Co N.V.

3.6. In zijn ten behoeve van deze procedure opgestelde "curriculum vitae" maakt belanghebbende met betrekking tot de achtergrond van zijn terugkeer naar Nederland, melding van het volgende:

"In de periode 1998-2000 is bij mijn vrouw en mij het idee gerijpt om te verhuizen naar Nederland. Het idee daarbij was om onze kinderen een Nederlandse dimensie te geven waar het hun opvoeding betrof en zag mijn vrouw betere kansen om haar eigen professionele interesses in Nederland te ontwikkelen. Het was op dat moment nog onduidelijk wat voor een consequenties een dergelijke beslissing had voor de richting en de duur van mijn loopbaan bij A A (A). Ik leidde in mijn positie als Co-Chief Operational Officer (Co-COO) van de Equity Division wereldwijd een reizend bestaan en het was denkbaar dat ik dit zou voortzetten vanuit Nederland. Hoewel er geen financiële noodzaak meer was om te werken stond voor mij steeds voorop dat ik wilde blijven werken bij A dan wel elders bij terugkeer naar Nederland. In 2000 hebben we het huis gekocht in Nederland en toen is de beslissing genomen dat we in de zomer van 2001 naar Nederland zouden verhuizen. In januari 2001 heb ik met de leiding van A gesprekken over mijn toekomst en wordt mij het voorstel gedaan om toe te treden tot het Management Committee van A, het hoogste bestuursorgaan en wat een logische stap was gegeven mijn eindverantwoordelijkheid als hoofd van de grootste divisie van A. Het merendeel van het overleg binnen dit orgaan speelt zich af in New York, ik zelf was verantwoordelijk voor Azië alsmede Europa en hield kantoor in London. Dat combineren met een woonplaats in Nederland leek geen aantrekkelijk vooruitzicht voor het thuisfront en ik heb die uitnodiging dan ook afgeslagen. Daarmee nam mijn loopbaan bij A een andere wending want door het afwijzen van de weg naar de top, kreeg ik een andere rol binnen de organisatie en lag mijn waarde voor A in de toekomst op twee gebieden:

1. continuïteit in mijn toenmalige positie, het vinden en inwerken van een opvolger en overdracht van taken en verantwoordelijkheden;

2. het evalueren van een positie die een meer Nederlands dan wel regionaal karakter had nadat ik mijn toenmalige positie had beëindigd; A had er belang bij om dit te onderzoeken want ik had een belangrijke rol gespeeld bij de uitbouw van activiteiten met een Nederlands karakter en nu ik ervoor had gekozen om mijn aandachtsgebied naar Nederland te verleggen, leefde bij A de hoop dat een rol van belang kon worden gecreëerd voor mij als ambassadeur van A in Nederland.

Afgesproken is begin 2001 dat ik mijn positie als Co-COO uiterlijk november 2002 zou overdragen en dat we tegelijkertijd gezamenlijk de mogelijkheden voor een andere positie zouden evalueren en onderzoeken. De wereld waarin ik opereer is klein en al snel werd bekend dat ik deze beslissing had genomen. Ik werd vervolgens een aantal keren benaderd door derden over posities in de Nederlandse financiële wereld (voordat wij verhuisden naar Nederland) en die heb ik afgeslagen om de volgende redenen:

1. ik vond het belangrijk in mijn positie bij A dat ik dat goed afmaakte en ik voelde mij verantwoordelijk naar de organisatie, te meer daar ik een belangrijke aandeelhouder was ten tijde van de beursintroductie; ik vond zelf niet dat ik van die verantwoordelijkheid makkelijk weg kon lopen;

2. gegeven mijn banden met A en de loyaliteit naar de mensen vond ik het de moeite waard om te onderzoeken of een andere rol was te formuleren met een meer Nederlands karakter (weliswaar minder senior) maar desalniettemin interessant en uitdagend.

Aan het eind van 2002 heb ik mijn positie als Co-COO overgedragen en heb vervolgens nog een jaar bij A gewerkt in een rol waarbij meer de nadruk lag op Nederland. In dat jaar werd het mij duidelijk dat die positie niet beantwoordde aan de ambitie die ik had/heb en dat ik klaar was voor een baan met grotere verantwoordelijkheden en carrièreperspectieven. In november 2003 ben ik uiteindelijk weggegaan bij A en de volgende dag ben ik begonnen bij D waar ik de herfinanciering en de onderhandelingen daarover heb aangestuurd. Daar heb ik tot 30 april 2004 gewerkt en op 1 mei 2004 ben ik benoemd als directievoorzitter bij D & Co als uitvloeisel van de verzelfstandiging uit A."

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de toepassing van de 30%-regeling heeft afgewezen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende beschikt over een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot inwilliging van het verzoek om toepassing van de 30%-regeling.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Uit de vastgestelde feiten, in samenhang met hetgeen overigens daaromtrent uit de gedingstukken naar voren komt, leidt het Hof af dat belanghebbende volledig op eigen initiatief en overigens zonder dat zijn dienstverband bij A A of een andere zakelijke betrekking daartoe op enigerlei wijze noopt, met zijn gezin naar Nederland is verhuisd. Daarbij komt dat belanghebbendes werkzaamheden voor A A niet, althans niet in overwegende mate op de Nederlandse markt gericht zijn geweest, dat sprake is geweest van een direct door de verhuizing naar Nederland optredende noodzaak tot het afbouwen van die werkzaamheden, dat de aard van de werkzaamheden van sinds het moment van de verhuizing niet wezenlijk afwijkt van die van de werkzaamheden van vóór de verhuizing en dat overigens op of rond het moment van de verhuizing (nog) geen sprake is van enige concrete specifiek op de Nederlandse arbeidsmarkt gerichte functie, ook niet waar het gaat om de verder voor A A ontplooide werkzaamheden. Wat dat laatste aspect betreft is op het moment waarop belanghebbende naar Nederland is verhuisd, duidelijk dat belanghebbende, conform een afspraak met A A, zijn werkzaamheden voor A A afbouwt en ook een opvolger zoekt en dat een eventuele nieuwe functie met een meer Nederlands karakter zich slechts nog in een fase van evaluatie en onderzoek bevindt.

6.2. Gelet ook op doel en strekking van de 30%-regeling kan naar 's Hofs oordeel onder de gegeven omstandigheden niet worden gesproken van een ingekomen werknemer als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Uit het overwogene in 6.1 volgt niet anders dan - kortweg - dat belanghebbende puur om privé-redenen naar Nederland is verhuisd, dat hij voorafgaande aan de verhuizing wel de bedoeling heeft om zich te oriënteren op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar dat hij wat dat aangaat op het moment van verhuizen (nog) geen concreet dienstverband, laat staan een speciaal op de Nederlandse arbeidsmarkt gericht dienstverband, is aangegaan. Reeds op grond daarvan kan naar 's Hofs oordeel worden geconcludeerd dat te dezen de 30%-regeling zonder meer toepassing mist. Daarbij kan dan in het midden blijven of A A Services Limited op enig moment te kwalificeren is geweest als inhoudingsplichtige in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964.

6.3. Belanghebbende heeft naar 's Hofs oordeel geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, tegenover de betwisting ervan door de Inspecteur, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat het afwijzen van het verzoek om de 30%-regeling te mogen toe te passen, in strijd is met het vertrouwensbeginsel, met een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dan wel met enige andere rechtsregel.

6.4. Het Hof gaat voorbij aan het door belanghebbende gedane bewijs- en getuigenaanbod, omdat de gegevens die daarmee in het vooruitzicht zijn gesteld, ook bij juistbevinding ervan, belanghebbende niet, specifiek bezien tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven overwegingen, kunnen baten.

6.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. Tromp, Van Walderveen en Vrouwenvelder. De beslissing is op 2 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van der Zande) (Tromp)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-03/00906 blz. 7