Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY2848

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
10-07-2006
Zaaknummer
BK-05/00318
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BC1585, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BC1585
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 1999 tot en met 30 november 2002

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

23 juni 2006

nummer BK-05/00318

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A . te B tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst C, betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

Blijkens aanslagbiljet, met dagtekening 26 maart 2004 en met aanslagnummer 62.77.068.F.01.2501, is aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 1999 tot en met 30 november 2002 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten belope van ? 272.805. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van ? 273. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 mei 2006, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende exploiteert een bedrijf dat zich onder andere bezig houdt met de leveringen van tandprothesen die vanuit Zweden intracommunautair zijn verworven. Als zodanig is zij ondernemer in de zin der Wet op de omzetbelasting 1968.

3.2. Aan de bij de naheffingsaanslag toegepaste correctie van ? 189.247 ligt de opvatting ten grondslag dat op de intracommunautaire verwervingen van de tandprothesen geen belastingvrijstelling van toepassing is.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de intracommunautaire verwervingen van de tandprothesen zijn vrijgesteld van belasting, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht.

4.3. Tussen partijen staat vast dat, zo het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, de naheffingaanslag moet worden vastgesteld op ? 83.558 (? 272.805 -/- ? 189.247).

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de naheffingsaanslag tot op ? 83.558.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het strookt naar 's Hofs oordeel met een redelijke uitleg van artikel 17e, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in samenhang bezien met artikel 28quater, B, aanhef en onderdeel a, van de Zesde richtlijn inzake omzetbelasting, de daarin vervatte vrijstellingsregeling, juist gelet op het met die regeling beoogde heffingsevenwicht, aldus te begrijpen dat een intracommunautaire verwerving van een goed is vrijgesteld van belasting als ook de levering in Nederland van dat goed - in elk geval - zou zijn vrijgesteld van belasting en dat de delegatiebevoegdheid niet zo ver strekt dat bepaalde categorie├źn verwervingen van de toepassing van de vrijstelling kunnen worden uitgezonderd.

6.2. Voor het geval dat het Hof tot dat oordeel komt, staat tussen partijen vast dat de in geding zijnde verwervingen zijn vrijgesteld van belasting. Het gelijk is bijgevolg aan belanghebbende. Haar overige stellingen behoeven geen behandeling.

6.3. Het beroep van belanghebbende is gegrond.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is vindt het Hof aanleiding de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van de zaak stelt het Hof op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op ? 1.288, te specificeren als volgt: kosten gemachtigde: 2 punten x ? 322 met wegingsfactor 2 (het gewicht van deze zaak acht het Hof "zeer zwaar").

7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door belanghebbende gestorte griffierecht ad ? 273 te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de naheffingsaanslag tot op ? 83.558;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op ? 1.288, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht van ? 273 te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en Vonk. De beslissing is op 23 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van der Zande) (Sanders)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-05/00318 blz. 4