Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AY2224

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
04/336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een bestemmingsplan kunnen slechts bestemmingen worden aangewezen en daarmee verband houdende gebruiksvoorschriften worden gegeven, voor zover dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is. Bestemmingsplannen mogen niet ten doel hebben de concurrentie tussen belanghebbenden te reguleren. Dat bepaalde bestemmingen en planvoorschriften tot feitelijk effect hebben, dat de concurrentie wordt beperkt, maakt dat niet anders. Slechts indien de overschrijding van de voorschriften door een onderneming zo duurzaam ontwrichtend is dat de levensvatbaarheid van de betrokken exploitaties ernstig in gevaar komt en daarmee de in het bestemmingsplan beoogde voorzieningen worden aangetast, kan er sprake zijn van onrechtmatig handelen dat tot een verplichting tot schadevergoeding leidt. Naar het oordeel van het hof is daarvan in onderhavig geval geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma PIZZERIA MILANO V.O.F.,

gevestigd te Domburg (gemeente Veere),

2. [APPELLANT SUB 2],

wonende te [woonplaats],

3. [APPELLANTE SUB 3],

wonende te [woonplaats],

4. [APPELLANT SUB 4],

wonende te [woonplaats]([gemeente]),

5. de vennootschap onder firma RESTAURANT WIBO V.O.F.,

gevestigd te Domburg (gemeente Veere),

6. [APPELLANT SUB 6],

wonende te [woonplaats],

7. [APPELLANTE SUB 7],

wonende te [woonplaats]([gemeente]),

appellanten,

procureur: mr. H.C. Grootveld,

tegen

1. de GEMEENTE VEERE,

zetelende te Domburg (gemeente Veere),

2. VERDI B.V.,

gevestigd te Domburg (gemeente Veere),

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonende te [woonplaats]([gemeente]),

geïntimeerden,

procureurs: voor geïntimeerde onder 1 mr. W. Taekema, voor geïntimeerden onder 2 en 3 mr. L. Ph. J. baron van Utenhove.

Appellanten onder 1 tot en met 4 zullen verder gezamenlijk worden aangeduid als [appellant sub 2](enkelvoud), appellanten onder 5 tot en met 7 gezamenlijk als [appellante sub 7] (enkelvoud) en alle appellanten gezamenlijk als [appellant sub 2] c.s. Geïntimeerde onder 1 zal verder worden aangeduid als de Gemeente en geïntimeerden onder 2 en 3 gezamenlijk als [geïntimeerde sub 3](enkelvoud).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 29 december 2003 zijn [appellant sub 2] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 oktober 2003, door de rechtbank te Middelburg gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellant sub 2] c.s. drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Gemeente en [geïntimeerde sub 3], ieder bij memorie van antwoord, zijn bestreden. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [appellant sub 2] en [appellante sub 7] exploiteren in Domburg restaurants: [appellant sub 2] Pizzeria Milano en [appellante sub 7] Restaurant La Barra. Sinds 1993 exploiteert [geïntimeerde sub 3] in de nabijheid van de restaurants van [appellant sub 2] en [appellante sub 7] in het westelijk gedeelte van het pand, gelegen Ooststraat 11 in Domburg, croissanterie Verdi. Daarbij beschikt hij over een volledige vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. Voor de vestiging van de croissanterie is hem een bouwvergunning verleend met vrijstelling van de ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Kom Domburg” voor dat perceel geldende bestemming “detailhandel”.

1.2 In de loop van 1995 kreeg [geïntimeerde sub 3] ook de beschikking over het oostelijk gedeelte van het pand Ooststraat 11. Hij heeft dit na verbouwing en doorbreking van de tussenmuur vanaf het najaar van1995, tegelijk met het ervoor gelegen terras, in gebruik genomen voor de exploitatie van meer uitgebreide verstrekking van drank en spijs. Na oktober 1995 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de toenmalige gemeente Domburg en [geïntimeerde sub 3], onder meer over de exploitatie in strijd met (de vrijstelling van) het geldende bestemmingsplan. De exploitatie van een croissanterie in het westelijke gedeelte was daarmee wel in overeenstemming, de exploitatie van een restaurant in het gehele pand niet. De Gemeente Domburg heeft [geïntimeerde sub 3] onder last van een dwangsom bij besluit van 30 november 1995 aangeschreven de geconstateerde overtreding van het bestemmingsplan te staken. Bij besluit van 14 maart 1996 heeft de gemeente Domburg het bezwaar van [geïntimeerde sub 3] hiertegen ongegrond verklaard. [geïntimeerde sub 3] heeft tegen de ongegrondverklaring geen beroep ingesteld.

1.3 Per 1 januari 1997 is de gemeente Domburg opgegaan in de Gemeente.

1.4 Tussen medio 1996 en maart 2003 heeft zich tussen [appellant sub 2] c.s., [geïntimeerde sub 3] en de Gemeente een groot aantal, voornamelijk bestuursrechtelijke, procedures voorgedaan met de strekking te bewerkstelligen dat [geïntimeerde sub 3] zich bij de exploitatie van zijn onderneming aan het bestemmingsplan zou houden en dat de Gemeente jegens hem handhavend zou optreden. Deze hebben niet tot het door [appellant sub 2] c.s. gewenste resultaat geleid.

1.5 Bij besluit van 10 april 2001 heeft de Gemeente aan [geïntimeerde sub 3] vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan met het oog op het exploiteren van een restaurant in het gehele pand Ooststraat 11.

2. In maart 1999 hebben [appellant sub 2] c.s. de Gemeente en [geïntimeerde sub 3] gedagvaard en (kort samengevat) gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat de Gemeente en [geïntimeerde sub 3] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld en handelen en deswege jegens hen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, onder toekenning van een voorschot van ƒ 100.000,- met rente, en [geïntimeerde sub 3] te verbieden in het pand Ooststraat 11 niet-croissanterie-activiteiten te ontplooien, althans activiteiten in strijd met (de vrijstelling van) het bestemmingsplan, met kostenveroordeling. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat de (beweerdelijk) door [geïntimeerde sub 3] overtreden bepalingen van het bestemmingsplan niet strekken tot bescherming van het belang waarin [appellant sub 2] c.s. bescherming vragen.

3. De grieven zijn alle gericht tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis; de eerste tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 2] c.s. niet hebben onderbouwd dat het betreffende bestemmingsplan mede dient ter bescherming van de door hen gestelde belangen, de tweede tegen het oordeel dat [geïntimeerde sub 3] en de Gemeente ook niet tot schadevergoeding verplicht zouden zijn als zij jegens [appellant sub 2] c.s. wel onrechtmatig handel(d)en, de derde tegen het oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6:163 BW dat de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade die [appellant sub 2] c.s. stellen te hebben geleden. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Ingevolge artikel 6:163 BW kan bij een onrechtmatige daad aan de gelaedeerde geen vergoeding worden toegekend van door hem geleden schade, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen die schade. Zo al sprake is van een onrechtmatige daad van de Gemeente en/of [geïntimeerde sub 3] jegens [appellant sub 2] c.s., dan hebben deze bij de vaststelling van die onrechtmatigheid geen belang indien hun vordering geen andere strekking heeft dan vergoeding van schade die op grond van het bovenstaande niet voor vergoeding in aanmerking komt. De Gemeente en/of [geïntimeerde sub 3] zijn immers voor die schade niet aansprakelijk.

5. De vorderingen van [appellant sub 2] c.s. waren in eerste aanleg in hoofdzaak gericht op het verkrijgen van schadevergoeding; in hoger beroep hebben zij hun vordering tot schadevergoeding beperkt. [appellant sub 2] c.s. hebben twee schadeposten opgevoerd: kosten van juridische hulp en bijstand en omzetschade ten gevolge van de horeca-activiteiten van [geïntimeerde sub 3] in de periode van 1995 tot april 2001.

6. Met betrekking tot de omzetschade heeft het volgende te gelden. In een bestemmingsplan kunnen slechts bestemmingen worden aangewezen en daarmee verband houdende gebruiksvoorschriften worden gegeven, voor zover dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is. Bestemmingsplannen mogen niet ten doel hebben de concurrentie tussen belanghebbenden te reguleren. Dat bepaalde bestemmingen en planvoorschriften tot feitelijk effect hebben, dat de concurrentie wordt beperkt, maakt dat niet anders. Slechts indien de overschrijding van de voorschriften door een onderneming zo duurzaam ontwrichtend is dat de levensvatbaarheid van de betrokken exploitaties ernstig in gevaar komt en daarmee de in het bestemmingsplan beoogde voorzieningen worden aangetast, kan er sprake zijn van onrechtmatig handelen dat tot een verplichting tot schadevergoeding leidt.

7. [appellant sub 2] c.s. hebben niet gesteld dat door de horeca-activiteiten van [geïntimeerde sub 3] de levensvatbaarheid van hun ondernemingen is aangetast; zij wensen in algemene zin hun omzetschade ten gevolge van de concurrerende activiteiten van [geïntimeerde sub 3] vergoed te zien. Zodanige schade komt in het licht van het bovenoverwogene bij overtreding van bestemmingsplan-voorschriften en het voortgaan daarmee in geval van onvoldoende handhaving van die voorschriften (zoals [appellant sub 2] c.s. stellen) in het algemeen niet voor vergoeding in aanmerking. De door [appellant sub 2] c.s. aangevoerde jurisprudentie brengt het hof niet tot een ander inzicht, nu deze geen betrekking heeft op de vergoeding van concurrentieschade.

8. Voor zover [appellant sub 2] c.s. beogen aan te voeren dat zulks in het onderhavige geval anders is, omdat zij aan het bestemmingsplan “Kom Domburg” de verwachting mochten ontlenen van de concurrentie door nieuwe vestigingen van restaurants te worden gevrijwaard, overweegt het hof als volgt. De Gemeente heeft gesteld dat de bepalingen in het onderhavige bestemmingsplan “Kom Domburg” tot regulering van horecavestigingen er bij de totstandkoming van het plan toe strekten de leefbaarheid en het familiebadplaatskarakter van Domburg te behouden. De Gemeente heeft dat onderbouwd met een beschrijving van die (oorspronkelijke) strekking, zoals die is opgenomen in de toelichting bij de tweede herziening ervan. Voorts heeft de Gemeente onweersproken aangevoerd dat in het kader van de uitvoering van het bestemmingsplan het aantal horecavestigingen in de kom van Domburg tussen 1980 en 1995 is gestegen van ca. 30 naar ruim 40, met name ook in de categorie restaurants. Hetgeen hiertegenover door [appellant sub 2] c.s. wordt aangevoerd is niet meer dan een beroep op hetzelfde gedeelte uit de toelichting bij de tweede herziening van het desbetreffende bestemmingsplan (punt 5.6 van de memorie van grieven). Het hof acht dit onvoldoende, in het bijzonder nu het, anders dan [appellant sub 2] c.s. (die zich mede op een passage over detailhandel beroepen), in de betreffende passage, voor zover die betrekking heeft op horecavestigingen, wel degelijk ruimte leest voor nieuwe bedrijven. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet komen vast te staan dat [appellant sub 2] c.s. aan het bestemmingsplan “Kom Domburg” de verwachting mochten ontlenen dat concurrentie door nieuwe restaurants niet zou optreden.

9. [appellant sub 2] c.s. hebben [geïntimeerde sub 3] en de Gemeente eveneens aansprakelijk gesteld voor de kosten van hun rechtsbijstand in verband met het achterwege blijven van (tijdige besluiten over) handhaving van de betreffende bestemmingsplanvoorschriften. De bestuursrechter heeft een aantal malen geoordeeld dat de Gemeente niet tijdig heeft beslist op verzoeken van [appellant sub 2] c.s., de handhaving betreffende, en heeft de betreffende fictieve weigeringen vernietigd. Tegen deze uitspraken heeft de Gemeente geen beroep ingesteld, dan wel zijn de uitspraken in beroep bevestigd. Alle betreffende beslissingen zijn intussen onherroepelijk geworden. Daarmee staat voor de burgerlijke rechter vast dat de Gemeente, door niet tijdig op de handhavingsverzoeken te beslissen, jegens [appellant sub 2] c.s. een substantieel aantal malen onrechtmatig nalatig is geweest.

10. In alle gevallen waarin over fictieve weigeringen is beslist, is de Gemeente ten gunste van [appellant sub 2] c.s. in de proceskosten veroordeeld. Daarmee is de juridische bijstand voldoende aan [appellant sub 2] c.s. vergoed, voor zover die in de proceskostenveroordeling pleegt te zijn begrepen. [appellant sub 2] c.s. stellen niet dat zij ter zake van de fictieve weigeringen van de Gemeente buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt. Zij stellen wel dat zij (door het schrijven van een groot aantal brieven door hun raadsman) veel moeite hebben gedaan om aan de onrechtmatige concurrentie door [geïntimeerde sub 3] een eind te maken, maar voor zover die brieven betrekking hebben op het niet tijdig beslissen, houden zij niet meer in dan eenvoudige sommaties, waarvoor de vergoeding in de proceskostenveroordeling pleegt te zijn begrepen. Voor het overige hebben de brieven betrekking op de inhoud van de handhavingsbesluiten. Aangezien deze uiteindelijk alle in stand zijn gebleven, komt de daarbij aan [appellant sub 2] c.s. verleende bijstand niet voor vergoeding in het kader van de onderhavige procedure in aanmerking.

11. Het bovenoverwogene leidt tot de slotsom dat de grieven falen en dat het vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellant sub 2] c.s. dienen als de in het ongelijk te stellen partijen te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant sub 2] c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op deze uitspraak begroot op € 1.360,- aan verschotten en € 1.631,- aan salaris procureur en aan de zijde van [geïntimeerde sub 3] op € 1.360,- aan verschotten en € 1.631, aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2006 in aanwezigheid van de griffier.