Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8688

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
2200736305
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA7766, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

TBS, weigering verdachte aan onderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-007363-05

Parketnummer(s): 09-535490-05

Datum uitspraak: 13 juni 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 5 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 mei 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot primair een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest en dat voorts de terbeschikkingstelling van de verdachte wordt gelast met bevel tot verpleging van overheidswege en subsidiair een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder de bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het aan het proces-verbaal gehechte op schrift gestelde requisitoir.

Het hof zal de navolgende beslissingen nemen op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzittingen.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en bedreiging met verkrachting van zijn (toenmalige) partner. De verdachte is daarbij op gewelddadige en respectloze wijze opgetreden tegen het slachtoffer en heeft dusdoende haar lichamelijke en psychische integriteit op brute wijze aangetast. Het is bekend dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben van de tengevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2006 een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen. Uit deze verklaring blijkt dat het slachtoffer een voortdurende angst heeft en slecht slaapt. Ter verwerking van het haar aangedane heeft zij nog steeds wekelijks gesprekken met een psychotherapeut.

Misdrijven als de onderhavige dragen daarenboven bij aan het ontstaan en instandhouden van gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 april 2006, eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het in het dossier gevoegde arrest van het gerechtshof te Arnhem, gedateerd 9 juli 2004, welk arrest inmiddels onherroepelijk is geworden. Dit arrest bevat een veroordeling voor (onder meer) verkrachting, meermalen gepleegd gedurende een langere periode.

Het hof heeft kennis genomen van de ten behoeve van de hiergenoemde strafzaak ten behoeve van de behandeling in eerste en tweede aanleg omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages.

Ten slotte heeft het hof kennis genomen van een de verdachte betreffende brief van de Forensisch Psychiatrische Dienst te Den Haag, gedateerd 4 november 2005, in de onderhavige zaak opgemaakt en ondertekend door drs. J.J.F.M. de Man, zenuwarts.

Psychiater mevr. drs. F.M.J. Bruggeman beschrijft in haar rapport d.d. 14 april 2003 onder meer dat betrokkene vanuit zijn vroegkinderlijke ontwikkeling onvoldoende support heeft gehad en geen stabiel zelfbeeld heeft kunnen ontwikkelen. Betrokkenes basaal wantrouwen, zijn vijandigheid en achterdocht naar anderen hebben waarschijnlijk hun wortels in die vroegkinderlijke ontwikkeling. Tekenend is dat hij het contact met zijn moeder heeft verbroken en dat hij op devaluerende wijze spreekt over zijn ouders. In de middelbare schooltijd waren er al problemen. In de relaties met vrouwen (anderen dan zijn ex) gaat betrokkene ervan uit dat de ander zich aan hem aanpast. Hij ervoer zichzelf als redder of als degene waarvan de ander afhankelijk was. Wordt hij afgewezen of passen de vrouwen zich niet aan, dan faalt zijn agressieregulatie en ageert hij zijn woede uit. Kleine prikkels zijn dan maar nodig om tot forse agressiedoorbraken te leiden. Opvallend is dat betrokkene steeds opnieuw relaties aan gaat waar hij risico loopt. Hij leert weinig van andere ervaringen.

In het verleden is er contact geweest met de (psychiatrische) polikliniek Meregraad, waar betrokkene een of meer gesprekken heet gehad. Betrokkene gaf geen toestemming voor het opvragen van informatie.

De conclusie is dat betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar is: bij betrokkene is sprake van een ernstige gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en anti-sociale trekken. De persoonlijkheid van betrokkene wordt gekenmerkt door primitieve afweer en soms een falende realiteitstoetsing in de zin van overwaardige ideeën. Er is bij betrokkene sprake van egocentrisme, gebrek aan empathie, basaal wantrouwen, achterdocht en grootheidsideeën. Hem ontbreekt enige zelfreflectie of ziektebesef. Er is geen psychotisch beeld.

Recidive wordt niet uitgesloten.

Het advies is betrokkene binnen een gedwongen kader, in een forensische psychiatrische kliniek, te behandelen en hem daartoe TBS met voorwaarden op te leggen.

Psychologe mevr. drs. S. Wijga rapporteert in dezelfde lijn. Zij beschrijft voorts in haar rapport van 11 april 2003 een ernstige scheefgroei in de ontwikkeling van betrokkene, een verstoring in de ontwikkeling van het "ïk" op zeer jonge leeftijd, waardoor een borderline-persoonlijkheidsorganisatie is ontstaan. Ook kenmerken van de narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis staan op de voorgrond.

Er is schade ontstaan van structurele aard die de aantasting van de ego-structuur van betrokkene betreft en daarmee van diens draagkracht. Het grensoverschrijdend gedrag op seksueel gebied lijkt meer te maken te hebben met macht dan met lust. De gebrekkige ontwikkeling is te omschrijven als een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor anderen en schending van de rechten van derden.

Betrokkene staat open voor behandeling maar in andere zin dan de rapporteurs: hij wil leren omgaan met dames die financieel moeilijkheden hebben.

De conclusie over de toerekeningsvatbaarheid is: enigszins verminderd. En over de recidivekans: het geheel van factoren kan bij de geringste aanleiding een gevaarlijke situatie veroorzaken.

Het advies is hetzelfde als dat van psychiater Bruggemans.

Uit beide rapporten komt naar voren dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan een opgelegde schorsingvoorwaarde door in de buurt van een slachtoffer te komen (en dat betrokkene dit ontkent).

Psycholoog drs. I.E.I.M. van Eynde concludeert in zijn rapport van 5 juni 2004 tot volledige toerekeningsvatbaarheid en sluit zich aan bij psychiater Kaiser.

Psychiater mevr. dr. L.H.W.M. Kaiser schrijft in haar rapport van 7 juni 2004 over betrokkene als volgt.

Betrokkene heeft moeite een passieve en afhankelijke positie te accepteren. Hij wil leiding hebben en kan eigen kwetsbaarheid en beperkingen slecht accepteren. Hij vermijdt hulpvragen. Hij komt over als een man die zijn zin door kan drijven. Er is enig overwaardig denken. Hij heeft narcistische en borderline trekken.

Hij heeft de scheiding met zijn echtgenote slecht verwerkt.

Zijn persoonlijkheidstrekken hebben vooral problemen gegeven in relationeel opzicht na de echtscheiding.

Als de delicten bewezen zijn dan is zijn impulscontrole vooral in relatie tot vrouwen gestoord. Hij heeft vanuit zijn persoonlijkheidstrekken mogelijke krenkingen door aangeefsters afgereageerd. Die persoonlijkheidstrekken maakten waarschijnlijk dat hij weinig remming had bij de grensoverschrijdende handelingen naar aangeefsters en dat hij zijn zin doordreef.

De diagnose betreft een oordeel op een glijdende schaal van normaal, persoonlijkheidstrek en persoonlijkheidsstoornis.

Mevrouw Kaiser acht betrokkene volledig toerekeningsvatbaar.

Over de recidivekans rapporteert zij als volgt:

Recidive is niet uitgesloten, al heeft betrokkene waarschijnlijk van de detentie geleerd. De levensloop van betrokkene getuigt niet van recidiverende sexueel agressieve delicten (buiten de telastegelegde). Ook wordt volgens de HKT-30 test (welk instrument eigenlijk is gericht op een andere doelgroep) de recidivekans niet hoog ingeschat. Het is afhankelijk van zijn eigen keuze of hij recidiveert. Belastend is zijn ontkenning: hij zal er niet toe komen inzicht te krijgen in zijn problematiek en om een delictpreventieplan vragen. Zijn defensieve houding hangt ook samen met zijn persoonlijkheidstrekken.

Betrokkene is vanuit zijn ontkenning nauwelijks gemotiveerd voor behandeling. Daar betrokkene ontkent is een voorwaardelijk kader is nu uitgesloten.

Hij kan vrijwillig ambulant een poliklinische behandeling aangaan, als hij lijdensdruk ervaart, bij een forensisch psychiatrische kliniek. Het zou wenselijk zijn dat hij zijn relaties met vrouwen analyseert en in een behandeling inzicht krijgt in de keuze en het verloop van zijn relaties.

Ter terechtzitting van het hof heeft mevrouw Kaiser verklaard dat zij de persoonlijkheidstrekken als beschreven door de rapporteur Bruggemans en Wijga herkent, maar dat zij deze anders heeft gewaardeerd en aldus uitkwam op de door haar beschreven persoonlijkheidstrekken, zonder dat zij kwam tot de verdergaande diagnose van een persoonlijkheidsstoornis.

Zij kon niet uitsluiten dat, nu verdachte opnieuw naar zij moet begrijpen van soortgelijke delicten wordt verdacht, zij inmiddels tot een andere conclusie zou komen. Daarvoor is wel nodig dat zij met de verdachte wederom een gesprek heeft en aldus aanvullend onderzoek kan doen.

Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij (voornoemd) arrest van 9 juli 2004 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland (Unit Flevoland Noord) te Lelystad en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van de verdachte, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij De Waag, met beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in dat arrest vermeld.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij wel ooit, zij het beperkt, contact heeft gehad met De Waag. Niet kon hij aangeven dat hij bij deze contacten baat heeft gehad, wat deze contacten precies hebben ingehouden, hoe vaak zij hebben plaats gevonden en evenmin dat zij hebben geleid tot een afgeronde (succesvolle) behandeling.

De verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting van het hof aangegeven dat hij niet wenst mee te werken aan observatie in het PBC of welk nader onderzoek naar zijn persoon dan ook.

Het hof, gezien de bovenstaande rapportages van de deskundigen, die alle - overeenkomstige - gebreken in de persoonlijkheid van betrokkene constateren, welke door psychiater Bruggemans en psychologe Wijga beoordeeld worden als een persoonlijkheidsstoornis, terwijl mevr. Kaiser nu de verdachte opnieuw van gelijksoortige delicten wordt verdacht zulk een oordeel inmiddels niet bij voorbaat uitsluit;

gelet ook overigens op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep waaronder de opstelling van de verdachte, maakt de conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte van de rapporteur Bruggemans tot de zijne en is van oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van de feiten die hem thans worden verweten en welke naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen kunnen worden geacht.

Voor wat betreft de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling al dan niet met dwangverpleging passend en geboden is overweegt het hof als volgt.

De rapporteurs constateren, in meer of mindere mate, recidivegevaar.

Nadien heeft de verdachte in onderhavige zaak laten zien dat hij opnieuw gelijksoortige delicten heeft begaan.

Alle genoemde rapporteurs zijn van oordeel dat bij de verdachte motivatie voor behandeling (nagenoeg) ontbreekt.

Ook zijn zij eensgezind in hun oordeel dat de verdachte, ter inperking van het recidiverisico, baat zou hebben bij behandeling c.q. dat behandeling noodzakelijk is.

De rapporteurs Bruggemans, Wijga en Kaiser staat daarbij behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek voor ogen. Volgens Bruggemans en Wijgaa kan dat alleen in een gedwongen kader. Ook mevrouw Kaiser acht een vrijwillig kader onhaalbaar gezien de ontkenning van de verdachte.

De verdachte ontkent de onderhavige feiten te hebben gepleegd, wenst niet mee te werken aan nader onderzoek en de behandeling bij De Waag, hem opgelegd bij bijzondere voorwaarde door het hof Arnhem, is kennelijk niet succesvol verlopen.

Voorts zou de verdachte zich eerder niet aan een schorsingvoorwaarde hebben gehouden.

Ook ter terechtzitting heeft de verdachte geen blijk gegeven in te zien dat hij (in)dringend hulp nodig heeft.

Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de kans reëel bestaat dat verdachte opnieuw sexuele en/of agressieve delicten zal begaan en voorts dan hij ter inperking van het recidiverisico behandeling behoeft.

Het Hof is van oordeel dat het opleggen van een behandeling bij bijzondere voorwaarde of het opleggen van een tbs met voorwaarden, niet passend is omdat daarmee onvoldoende garantie wordt geboden voor daadwerkelijke behandeling.

Gelet voorts op de ernst van de door de verdachte begane feiten, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld, en het feit dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens het plegen van verkrachtingen, van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Het hof ziet dan ook gerede aanleiding om - nu aan de wettelijke voorwaarden van artikel 37a, eerste lid, en artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht is voldaan - de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof is van oordeel dat daarnaast een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 242 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. P.M. Tolen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juni 2006.

Mr. G.J.W. van Oven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.