Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8681

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
2200098505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bolletjesslikker, beroep op geljkheidsbeginsel

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft primair gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Het destijds geldende beleid ten aanzien van via Schiphol binnenkomende "bolletjesslikkers" hield immers in dat verdachten die first offender waren en die een hoeveelheid van minder dan drie kilogram verdovende middelen bij zich hadden, zouden worden heengezonden.

Het hof verwerpt dit verweer. De destijds toegepaste tijdelijke noodmaatregel was geen vervolgingsrichtlijn die gebaseerd was op opvattingen omtrent de strafwaardigheid van bepaalde (verboden) gedragingen. De maatregel had slechts tot doel het hoofd te bieden aan bestaande capaciteitsproblemen van de rechtbank te Schiphol. Zij was dan ook slechts van toepassing op verdachten die op Schiphol met verdovende middelen waren aangehouden en die door de rechtbank te Schiphol berecht werden. Zij gold niet voor elders aangehouden of elders te berechten verdachten. De verdachte kan, nu hij niet bij de rechtbank te Schiphol berecht is, zich niet op deze maatregel beroepen. Gelet op het doel en karakter van de tijdelijke noodmaatregel kan niet gesproken worden van schending van het gelijkheidsbeginsel, leidend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000985-05

Parketnummer(s): 10-000288-04

Datum uitspraak: 2 juni 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 2 februari 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 mei 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft primair gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Het destijds geldende beleid ten aanzien van via Schiphol binnenkomende "bolletjesslikkers" hield immers in dat verdachten die first offender waren en die een hoeveelheid van minder dan drie kilogram verdovende middelen bij zich hadden, zouden worden heengezonden.

Het hof verwerpt dit verweer. De destijds toegepaste tijdelijke noodmaatregel was geen vervolgingsrichtlijn die gebaseerd was op opvattingen omtrent de strafwaardigheid van bepaalde (verboden) gedragingen. De maatregel had slechts tot doel het hoofd te bieden aan bestaande capaciteitsproblemen van de rechtbank te Schiphol. Zij was dan ook slechts van toepassing op verdachten die op Schiphol met verdovende middelen waren aangehouden en die door de rechtbank te Schiphol berecht werden. Zij gold niet voor elders aangehouden of elders te berechten verdachten. De verdachte kan, nu hij niet bij de rechtbank te Schiphol berecht is, zich niet op deze maatregel beroepen. Gelet op het doel en karakter van de tijdelijke noodmaatregel kan niet gesproken worden van schending van het gelijkheidsbeginsel, leidend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte werd - inmiddels ruim anderhalf jaar geleden - als drugskoerier ingezet voor een criminele organisatie. De verdachte heeft als zogenaamde bolletjessikker 662 gram cocaïne vanuit Curaçao per vliegtuig Nederland binnengebracht, omdat hij schulden had. De verdachte zou hiervoor ongeveer 3000 Engelse ponden krijgen. Verdovende middelen zoals cocaïne zijn niet alleen in hoge mate schadelijk voor de volksgezondheid, zij vormen ook een bedreiging voor de samenleving in het algemeen vanwege de criminaliteit en overlast die de drugshandel met zich meebrengt.

Mede gezien verdachtes jeugdige leeftijd, het feit dat hij in Engeland woont en verder nooit met de Nederlandse politie en justitie in aanraking is geweest, is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de duur van zijn voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 76 (zesenzeventig) dagen.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. E. Bos, in bijzijn van de griffier mr. E.M.M. Koonings.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2006.

Mr. E. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.