Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8676

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
2200103206
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van een pittbull achtige in de zin van artikel 73, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de hond nooit eerder agressief is geweest en dat de verdachte niet wist dat de hond van het type pitbull-terriër was. De verdachte dient derhalve, zo stelt de raadsman, bij afwezigheid van alle schuld te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer en heeft daartoe het volgende overwogen. Blijkens de verklaring van de verdachte tegenover de politie, had zij de hond sinds de zomer van 2004 in haar bezit, had de hond - voor zover zij wist - geen stamboom en betrof het een Amerikaanse Stafford (het hof begrijpt: een Amerikaanse Staffordshire Terriër). De leeftijd van de hond was haar niet bekend. Voorts heeft de verdachte verklaard, dat de hond afkomstig was van een Marokkaanse jongen, die met dit soort honden een handeltje drijft. Zij heeft eens gezien dat deze Marokkaanse jongen twee honden bewust tegen elkaar ophitste. Gelet op deze omstandigheden acht het hof een dwaling van de verdachte omtrent het verboden zijn van het voorhanden hebben van de betreffende hond, zo van zodanige dwaling al sprake is geweest, niet verontschuldigbaar. De verdachte had, voordat zij de hond onder zich nam, kunnen en moeten onderzoeken of het voorhanden hebben van deze hond toegestaan was.

Strafmotivering

De verdachte heeft een hond, behorende tot het type pitbull-terriër, voorhanden gehad. De hond was niet voorzien van een identificatiechip, noch van een tatoeagemerk. Het is een feit van algemene bekendheid dat pitbulls en pitbullachtige honden, zeker die exemplaren die mogelijk 'doorgefokt' zijn, onberekenbaar en agressief kunnen reageren op mens en dier, meer dan eens met ernstig letsel tot gevolg. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke, door de minister aangewezen, verboden dieren dient dan ook adequaat te worden bestreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001032-06

Parketnummer(s): 10-702580-05

Datum uitspraak: 2 juni 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 22 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 mei 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, alsmede een geldboete ter hoogte van EUR 150,=, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

De raadsman heeft ten aan zien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit gesteld, dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu zij het betreffende dier niet "voorhanden" heeft gehad. De verdachte zou over de hond geen macht of zeggenschap gehad hebben. De raadsman verwijst in dit verband naar een door hem overlegd schrijven van de heer [naam], waarin deze stelt dat niet de verdachte maar hij zelf de eigenaar van de hond was. In verband met de detentie van de heer [naam] zou de hond bij de verdachte hebben verbleven. Het hof wijst deze stelling van de raadsman van de hand. De verdachte heeft zelf verklaard (zie bewijsmiddel) dat zij de hond sinds de zomer 2004 in bezit had, dat zij deze hond ter verzorging heeft gekregen van een Marokkaanse jongen en dat zij de hond naar het asiel mocht brengen indien zij van de hond af wilde. Naar het oordeel van het hof moet op grond van deze omstandigheden worden aangenomen, dat zij over de hond zodanige macht en zeggenschap had dat gesproken kan worden van "voorhanden hebben" als bedoeld in artikel 73, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 73, tweede lid van de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de hond nooit eerder agressief is geweest en dat de verdachte niet wist dat de hond van het type pitbull-terriër was. De verdachte dient derhalve, zo stelt de raadsman, bij afwezigheid van alle schuld te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer en heeft daartoe het volgende overwogen. Blijkens de verklaring van de verdachte tegenover de politie, had zij de hond sinds de zomer van 2004 in haar bezit, had de hond - voor zover zij wist - geen stamboom en betrof het een Amerikaanse Stafford (het hof begrijpt: een Amerikaanse Staffordshire Terriër). De leeftijd van de hond was haar niet bekend. Voorts heeft de verdachte verklaard, dat de hond afkomstig was van een Marokkaanse jongen, die met dit soort honden een handeltje drijft. Zij heeft eens gezien dat deze Marokkaanse jongen twee honden bewust tegen elkaar ophitste. Gelet op deze omstandigheden acht het hof een dwaling van de verdachte omtrent het verboden zijn van het voorhanden hebben van de betreffende hond, zo van zodanige dwaling al sprake is geweest, niet verontschuldigbaar. De verdachte had, voordat zij de hond onder zich nam, kunnen en moeten onderzoeken of het voorhanden hebben van deze hond toegestaan was.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voor de

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een hond, behorende tot het type pitbull-terriër, voorhanden gehad. De hond was niet voorzien van een identificatiechip, noch van een tatoeagemerk. Het is een feit van algemene bekendheid dat pitbulls en pitbullachtige honden, zeker die exemplaren die mogelijk 'doorgefokt' zijn, onberekenbaar en agressief kunnen reageren op mens en dier, meer dan eens met ernstig letsel tot gevolg. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke, door de minister aangewezen, verboden dieren dient dan ook adequaat te worden bestreden.

De verdachte heeft - bij een ruzie met het slachtoffer - een mes gepakt en met dit mes het slachtoffer bedreigd. Hierop volgde een vechtpartij. Deze wijze van optreden van de verdachte acht het hof onacceptabel. Gelet op het feit dat de verdachte degene is geweest die uiteindelijk met een hoofdwond in het ziekenhuis terecht kwam, is het hof, alles overwegend, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 23 oud, 24, 24c, 57, 63 en 285(oud) van het Wetboek van Strafrecht en artikel 73 en 121 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 150,00 (honderdvijftig euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 (drie) dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. E. Bos, in bijzijn van de griffier mr. E.M.M. Koonings.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2006.

Mr. E. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.