Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8671

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
2200407505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet vervoer gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2006-04-26
Wet vervoer gevaarlijke stoffen 1, geldigheid: 2006-04-26
Wet vervoer gevaarlijke stoffen 11, geldigheid: 2006-04-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2006/56
NJFS 2006, 195

Uitspraak

Rolnummer: 22-004075-05

Parketnummer(s): 12-039563-04

Datum uitspraak: 26 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Middelburg van 23 juni 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[chauffeur]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 april 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot geldboete van EUR 250,- subsidiair vijf dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat

hij op 7 september 2004 te Middelburg als degene die met een voertuig, trekker met oplegger, langs de weg een tankcontainer met een gevaarlijke stof heeft vervoerd, niet heeft voldaan aan zijn verplichting de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden, immers is hij toen aldaar als bestuurder van genoemd voertuig door de bebouwde kom van Middelburg gereden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Toelichting op de bewezenverklaring

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

De verdachte vervoerde op 7 september 2004 met zijn trekker met oplegger een tankcontainer gevuld met een gevaarlijke stof in de zin van artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de Wet), te weten 1-buteen, van het bedrijfsterrein van [bedrijf A] te Vlissingen naar [bedrijf B] te Rotterdam. De verdachte heeft met deze trekker met tankcontainer onder andere gereden binnen de bebouwde kom van de gemeente Middelburg op het moment dat hij komende vanaf de provinciale weg N254 de door die gemeente middels verkeersborden model K14 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aange-duide route is gaan volgen.

Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet volgt dat de regering in antwoord op kamervragen ten aanzien van artikel 11 van de wet heeft aangegeven:

"De doelstelling van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is het bevorderen van de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het gebod voor de chauffeur om de bebouwde kom te mijden betekent dat de bebouwde kom slechts dan wordt binnengereden indien de bestemming van het vervoer daar is gelegen of indien er geen redelijke route buiten om de bebouwde kom voorhanden is. .. Het mijden van de bebouwde kom is een gebod aan de chauffeur om niet in de bebouwde kom te komen als hij daar niets te zoeken heeft." [Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 23250, nr 8].

Voorts houdt die wetsgeschiedenis nog in:

"Als algemene regel voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de verplichting om bij het wegvervoer bebouwde kommen, behoudens in bepaalde gevallen, te vermijden, ongeacht of in een gemeente al dan niet een routering is ingesteld. Deze verplichting, tot nog toe slechts geregeld in het VLG, is thans in de wet zelf opgenomen." [Kamerstukken II 1992-1993, 23250, nr. 3, blz. 27].

Uit het vorenstaande volgt dat - anders dan de verdachte en de op zijn verzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2006 gehoorde deskundige F.C. Quaak menen - artikel 11 van de Wet van toepassing blijft in die gevallen waarin de gemeente op de voet van het bepaalde in artikel 18 van de Wet binnen de bebouwde kom een routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen heeft aangewezen en middels verkeersborden model K14 heeft aangeduid.

De in het tweede lid van artikel 11 van de Wet genoemde situaties, waarin het in het eerste lid geformuleerde gebod aan de chauffeur niet van toepassing is, hebben zich in het onderhavige geval niet voorgedaan. Immers, de bestemming van de door de verdachte vervoerde lading was de Waalhaven te Rotterdam en op basis van de in het proces-verbaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat d.d. 23 november 2004 aangegeven alternatieve routes is niet aannemelijk geworden dat redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar was.

Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij normaliter bij vertrek van het terrein van [bedrijf A] op de eerstvolgende rotonde rechtsaf slaat om uiteindelijk de A58 op te rijden, maar dat die rotonde op 7 september 2004 gedeeltelijk was afgesloten waardoor hij gedwongen werd de provinciale weg N254 te volgen - welke lezing van de verdachte het hof op zich aan de hand van de door hem getoonde foto's aannemelijk acht -, doch zulks laat onverlet dat voor de verdachte de mogelijkheid openstond op een later moment alsnog de A58 te gaan volgen.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte dan ook ten onrechte geen gevolg gegeven aan het in artikel 11 van de Wet opgenomen gebod.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 11 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot vrijspraak van het tenlastegelegde.

Het hof acht het, gelet op de omstandigheden van het geval, raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. S.K. Welbedacht en mr. J.A. van Kempen, in bijzijn van de griffier mr. F. Rutten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 april 2006.