Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX7005

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
2200279105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wombat onderzoek; uitvoer van xtc-pillen naar Australie

voorbereidend onderzoek, vormverzuimen

Binnen het kader van een criminele organisatie heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer uit Nederland richting Australië van een aanzienlijke hoeveelheid XTC pillen. Door op een dergelijke wijze mee te werken aan de instandhouding van de internationale handel in harddrugs, heeft de verdachte de ernstige gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving voor lief genomen. Drugsgebruik schaadt immers niet alleen de volksgezondheid, maar wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Het handelen van de verdachte verdient te meer strenge bestraffing omdat met de grootschalige in- en uitvoer van en handel in verboden verdovende middelen grote illegale geldstromen worden gegenereerd die de legale economie ondermijnen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 april 2006, meermalen is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ten voordele van de verdachte overweegt het hof ambtshalve als volgt. De eerste rechter heeft geconstateerd dat er vóór de aanvang van de behandeling ten gronde ter terechtzitting in eerste aanleg vormen zijn verzuimd die niet meer hersteld konden (en kunnen) worden. Het betreft het lang uitblijven van de definitieve tenlastelegging en de wijze waarop het openbaar ministerie het dossier heeft gevormd en telkens heeft aangevuld.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dergelijke verzuimen voor wat betreft hun beoordeling - wegens de fase waarin zij zich hebben voorgedaan, te weten vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling - in het onderhavige geval gelijk dienen te worden gesteld aan vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De tekortkomingen vormen geen schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is dan ook niet aan de orde. Het hof zal het verzuim evenwel verdisconteren in de strafmaat en merkt daartoe het volgende op.

In het kader van dit vormverzuim heeft de advocaat-generaal ter zitting aangegeven de beslissing van de eerste rechter dienaangaande - te weten tot strafkorting - te volgen voor zover gegrond op het oordeel omtrent de dossiervorming door het openbaar ministerie, doch te bestrijden voor zover gegrond op het oordeel dat de definitieve versie van de tenlastelegging te lang op zich heeft laten wachten (pagina 12 en 13 van het vonnis, 4.8, sub I en II). Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de proceshouding die de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg in heeft genomen ten tijde dat de definitieve tenlastelegging nog niet bekend was, ervan blijk geeft dat de verdediging in grote lijnen reeds op dat moment wist hoe de definitieve tenlastelegging eruit zou komen te zien. Een en ander laat echter onverlet dat de verdediging op dit punt geen processuele zekerheid had.

Alles overwegende is het hof dan ook van oordeel dat er - als gevolg van de wijze van dossiervorming door het openbaar ministerie en in zeer geringe mate als gevolg van het uitblijven van de definitieve tenlastelegging -sprake is van vormverzuimen die in beperkte mate tot een strafreductie dienen te leiden.

In verband met overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de leeftijd van de verdachte en diens proceshouding in hoger beroep, alsmede - in beperkte mate - als gevolg van het vormverzuim zoals voormeld, wordt de overwogen gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gematigd tot een gevangenisstraf van navermelde duur. Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de generale en speciale preventie - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en gerechtvaardigde en geboden reactie vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002791-05

Parketnummer: 12-000036-02

Datum uitspraak: 1 juni 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 14 april 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Jozef Marie Prudence F[.]

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 13 maart 2006 en 22 mei 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en van welke nadere omschrijving tenlastelegging een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair, 5 en 7 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 3 primair, 4 primair en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep - in navolging van de appèlschriftuur van de officier van justitie d.d. 23 augustus 2005 waaruit reeds viel op te maken dat het hoger beroep niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van de feiten 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 5 - medegedeeld, dat het hoger beroep inderdaad niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 5, doch thans ter terechtzitting ook niet meer tegen het onder 7 tenlastegelegde. De verdediging deelt mede dat het hoger beroep zich niet richt tegen de gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Naar het oordeel van het hof heeft de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Een deel van de vertraging in de afdoening van de zaak komt voor rekening van het openbaar ministerie. Op grond van de ernst van het tenlastegelegde, de omvang en het complexe karakter van het onderzoek en de mate van overschrijding van die termijn dient evenwel in het onderhavige geval het belang dat de gemeenschap nog behoudt bij normhandhaving door berechting te prevaleren boven het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging. Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging, maar zal, indien aan alle overige voorwaarden voor bestraffing is voldaan, de overschrijding van bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis, waarvan beroep en voor zover thans nog van belang, kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Er is geen direct bewijs voor de tenlastegelegde handelingen en beweerdelijk aanwezige middelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 3 primair, 4 primair en 6 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Binnen het kader van een criminele organisatie heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer uit Nederland richting Australië van een aanzienlijke hoeveelheid XTC pillen. Door op een dergelijke wijze mee te werken aan de instandhouding van de internationale handel in harddrugs, heeft de verdachte de ernstige gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving voor lief genomen. Drugsgebruik schaadt immers niet alleen de volksgezondheid, maar wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Het handelen van de verdachte verdient te meer strenge bestraffing omdat met de grootschalige in- en uitvoer van en handel in verboden verdovende middelen grote illegale geldstromen worden gegenereerd die de legale economie ondermijnen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 april 2006, meermalen is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ten voordele van de verdachte overweegt het hof ambtshalve als volgt. De eerste rechter heeft geconstateerd dat er vóór de aanvang van de behandeling ten gronde ter terechtzitting in eerste aanleg vormen zijn verzuimd die niet meer hersteld konden (en kunnen) worden. Het betreft het lang uitblijven van de definitieve tenlastelegging en de wijze waarop het openbaar ministerie het dossier heeft gevormd en telkens heeft aangevuld.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dergelijke verzuimen voor wat betreft hun beoordeling - wegens de fase waarin zij zich hebben voorgedaan, te weten vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling - in het onderhavige geval gelijk dienen te worden gesteld aan vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De tekortkomingen vormen geen schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is dan ook niet aan de orde. Het hof zal het verzuim evenwel verdisconteren in de strafmaat en merkt daartoe het volgende op.

In het kader van dit vormverzuim heeft de advocaat-generaal ter zitting aangegeven de beslissing van de eerste rechter dienaangaande - te weten tot strafkorting - te volgen voor zover gegrond op het oordeel omtrent de dossiervorming door het openbaar ministerie, doch te bestrijden voor zover gegrond op het oordeel dat de definitieve versie van de tenlastelegging te lang op zich heeft laten wachten (pagina 12 en 13 van het vonnis, 4.8, sub I en II). Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de proceshouding die de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg in heeft genomen ten tijde dat de definitieve tenlastelegging nog niet bekend was, ervan blijk geeft dat de verdediging in grote lijnen reeds op dat moment wist hoe de definitieve tenlastelegging eruit zou komen te zien. Een en ander laat echter onverlet dat de verdediging op dit punt geen processuele zekerheid had.

Alles overwegende is het hof dan ook van oordeel dat er - als gevolg van de wijze van dossiervorming door het openbaar ministerie en in zeer geringe mate als gevolg van het uitblijven van de definitieve tenlastelegging -sprake is van vormverzuimen die in beperkte mate tot een strafreductie dienen te leiden.

In verband met overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de leeftijd van de verdachte en diens proceshouding in hoger beroep, alsmede - in beperkte mate - als gevolg van het vormverzuim zoals voormeld, wordt de overwogen gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gematigd tot een gevangenisstraf van navermelde duur. Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de generale en speciale preventie - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en gerechtvaardigde en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen - zoals geplaatst onder 6 en 7 op de in copie aan dit arrest gehechte lijst van van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: twee stuks hashish - dienen, mede gelet op artikel 13a van de Opiumwet, te worden onttrokken aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 4 primair begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke - immers eveneens door de Opiumwet strafbaar gestelde - misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen en geldbedragen zoals deze vermeld zijn onder 3, 4 en 5 op de in copie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een agenda, een boekje met telefoonummers en Libanees en (ander) buitenlands geld, zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 13a (oud) van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36d, 47, 57, 63 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en 6 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen geplaatst onder 6 en 7 op de in copie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 2 stuks hashish.

Gelast de teruggave van de voorwerpen geplaatst onder 3, 4 en 5 op de in copie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een agenda, een boekje met telefoonummers en Libanees en (ander) buitenlands geld aan verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. Horstink, mr. Zandbergen en mr. Schaar, in bijzijn van de griffier mr. De Boer.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juni 2006.