Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX6373

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
31-05-2006
Zaaknummer
04/1048 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 288 Rv. Zekerheidsstelling

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/152
JAR 2006, 152

Uitspraak

Uitspraak: 28 april 2006

Rolnummer: 04/1048 KG

Zaaknummer rechtbank: 140843 VV 14.04

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE,

negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[WERKGEVER],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

feitelijk gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna te noemen: [werkgever],

procureur: mr. E.H. van Staden ten Brink,

tegen

[werkneemster],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [werkneemster],

procureur: mr. E. Grabandt.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 28 juli 2004 is [werkgever] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 30 juni 2004 door de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, locatie Oud-Beijerland, in kort geding gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [werkgever] één grief tegen het vonnis aangevoerd, die door [werkneemster] bij memorie van antwoord (met producties) is bestreden. Tenslotte heeft [werkneemster] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd. Aangezien bladzijde 2 van de overgelegde beschikking van 5 april 2004 (productie 2 bij overzicht van producties in eerste aanleg en productie 2 bij memorie van antwoord) niet bij de stukken zat, heeft het hof deze bladzijde bij de procureur van [werkneemster] opgevraagd.

De beoordeling

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 1 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2. Het gaat om het volgende.

- [werkneemster] is op 1 maart 1993 in dienst getreden bij [werkgever].

- Bij brief van 13 februari 2004 is zij op staande voet ontslagen.

- Bij vonnis ex artikel 254 Rv van 19 april 2004 van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Oud-Beijerland, is [werkgever] veroordeeld om aan [werkneemster] het haar toekomende loon vanaf 13 februari 2004 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsover-een-komst te voldoen.

- Bij beschikking van 5 april 2004 van voornoemde rechtbank is op verzoek van [werkgever] de arbeidsovereenkomst, voorzover mocht blijken dat deze nog voortduurt, voorwaardelijk ontbonden onder toekenning aan [werkneemster] van een vergoeding van € 25.334,95, welke vergoeding pas betaald dient te worden, nadat onherroepelijk is komen vast te staan, dat de arbeidsovereen-komst wordt ontbonden door de beschikking van 5 april 2004.

- [werkneemster] heeft in eerste aanleg gevorderd, dat [werkgever] wordt veroordeeld om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan haar zekerheid verstrekken door het afgeven van een deugdelijke en in overleg met haar op te stellen bankgarantie tot een bedrag van € 25.334,95 op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag.

- De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

3.1. [werkgever] voert tegen het vonnis de volgende grief aan:

"Ten onrechte heeft de Rechtbank Dordrecht, Sector Kanton, Locatie Oud-Beijerland in het kort geding vonnis d.d. 30 juni 2004 overwogen dat de vordering van [werkneemster] tot het stellen van een bankgarantie tot een bedrag van

€ 25.334,95 toewijsbaar is en dat het belang van [werkneemster] dient te prevaleren boven het belang van [werkgever]."

3.2. In de toelichting voert [werkgever] aan dat zij niet gehouden is tot het afgeven van een bankgarantie, nu zij daartoe noch op grond van de overeenkomst, noch op grond van enige wettelijke verplichting is gehouden. [werkgever] meent boven-dien dat op grond van redelijkheid en billijkheid geen verplichting tot het stellen van een bankgarantie kan ontstaan.

3.3. Het hof overweegt als volgt.

Artikel 288 Rv bepaalt dat de rechter een eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren met of zonder zekerheidsstelling. Dat houdt in, dat de rechter aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde kan verbinden dat zekerheid wordt gesteld in geval tot tenuitvoerlegging van de beschikking, ook al is er een rechtsmiddel ingesteld, wordt overgegaan. Die zekerheid strekt in zo'n geval ten gunste van de partij tegen wie de beschikking ten uitvoer wordt gelegd en dient er toe te voorkomen dat, in geval de beschikking in hoger beroep mocht worden vernietigd en de veroordeling tot betaling wordt teruggedraaid, deze partij met lege handen staat, omdat hij het door hem - achteraf bezien ten onrechte - betaalde geld niet van zijn wederpartij terug kan krijgen. Die zekerheid moet dan ook worden gesteld door de partij die de mogelijkheid heeft tot tenuit-voer-legging van een niet onherroepelijke beschikking over te gaan.

3.4. In de onderhavige zaak doet zich het volgende voor.

Op verzoek van [werkgever] is bij beschikking van 5 april 2004 de arbeidsovereen-komst van partijen met ingang van 1 mei 2004 ontbonden voorzover mocht blijken dat deze toen nog voortduurde. Aan [werkneemster] is ten laste van [werkgever] een vergoeding van € 25.334,95 bruto toegekend. Daarbij is bepaald dat de netto tegenwaarde van voormeld bruto bedrag eerst dan betaald dient te worden, nadat onherroepelijk vast is komen te staan dat de arbeidsovereenkomst van partijen toen nog steeds voortduurde en niet per 13 februari 2004 was geëin-digd. Deze beschikking is niet uitvoer-baar bij voorraad verklaard.

3.5. De hiervoor beschreven situatie valt niet onder het in artikel 288 Rv bepaalde. Nog afgezien van het feit, dat het hier gaat om een beschikking ex artikel 7:685 BW waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld en ook de inhoud van het dictum van de beschikking zich niet leent voor een uitvoerbaar-- verklaring bij voorraad, is de beschikking ook niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan reeds daarom geen zekerheidsstelling worden verleend. Bovendien zou dan niet [werkgever] maar daarentegen juist [werkneemster] zekerheid moeten stellen. Nu een andere grond gesteld noch gebleken is - de billijkheid is daarvoor geen grondslag - kan de toegewezen zekerheidsstelling niet in stand blijven. De grief slaagt.

4. De conclusie is dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Hierbij past een kostenveroordeling zowel in eerste aanleg als in hoger beroep van [werkneemster].

De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van 30 juni 2004 van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Oud-Beijerland tussen partijen in kort geding gewezen,

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten, in eerste aanleg tot 30 juni 2004 aan de zijde van [werkgever] bepaald op € 360,-- aan salaris voor de gemachtigde en in hoger beroep op € 311,40 aan verschotten (€ 70,40 voor het exploot; € 241,00 voor griffierecht) en op € 894,00 aan salaris voor de procureur;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. in 't Velt-Meijer, C.G. Beyer-Lazonder en T.L. Tan en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2006 in aanwezigheid van de griffier.