Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX5782

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-05-2006
Datum publicatie
29-05-2006
Zaaknummer
2200484105
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB7087, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB7087
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op zware mishandeling bij een gedraging (overtreding) tijdens het beoefenen van sport (voetbal).

Het hof (vide de Hoge Raad in het arrest van 25 maart 2003 - NJ 2003, nr 552):

HR: “Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.”

Hoewel door de verdediging is aangevoerd dat uit de zinsnede in dit arrest: "de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder zij is verricht" voortvloeit dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van opzet met de context van sport en spel rekening moet worden gehouden, is het hof van oordeel dat de criteria van de Hoge Raad niet inhouden dat gedragingen op het voetbalveld – zoals in de thans voorliggende zaak – als zodanig anders zouden dienen te worden beoordeeld dan daarbuiten.

Op grond van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof tot het oordeel gekomen dat verdachte – een speler met jarenlange voetbalervaring - zich bij zijn actie bewust moet zijn geweest van het risico dat hij daarmee zijn tegenstander zou kunnen raken en hem daarbij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Bovendien moest hij er – gelet op de hierboven omschreven feitelijke gang van zaken alsmede op de algemene ervaringsregels met betrekking tot gevolgen van een gedraging als de onderhavige - vanuit gaan dat dit gevolg ook daadwerkelijk zijn intrede zou kunnen doen.

Gezien de uiterlijke verschijningsvorm van de actie van verdachte kan derhalve niet anders geoordeeld worden dan dat verdachte met de onderhavige gedraging de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op de koop toe heeft genomen/heeft aanvaard.

Straftoemeting: Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een tegenspeler tijdens een voetbalwedstrijd. Naar het zich laat aanzien zal deze speler nooit meer in staat zijn om te voetballen. Naar het oordeel van het hof kan op een dergelijk feit niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf, zij het in voorwaardelijke vorm, teneinde de verdachte in te scherpen dat een gedraging als de onderhavige sterke afkeuring verdient en hij die in de toekomst moet vermijden. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf, heeft het hof in het voordeel van de verdachte laten meewegen dat hij niet eerder is veroordeeld. Tevens houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte reeds tuchtrechtelijk/disciplinair is bestraft door zowel de KNVB als door de voetbalclub Sparta zelf. Met het oog op het vorenstaande alsmede gelet op alle commotie die zich rond de persoon van de verdachte na het incident heeft voorgedaan, acht het hof geen termen aanwezig om, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004841-05

Parketnummer: 10-632349-05

Datum uitspraak: 29 mei 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 10 augustus 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 mei 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 17 december 2004 te Rotterdam, aan N. [K.] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde (open) beenbreuk en een slagaderlijke bloeding en zenuwletsel en blijvende littekens, heeft toegebracht, door opzettelijk met zijn, verdachtes, gestrekte been tegen het been van die [K.] te springen en te trappen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De kernvraag die door het hof beantwoord dient te worden is de vraag of verdachte heeft gehandeld met het vereiste opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet.

Daarbij heeft het hof acht geslagen op de criteria zoals uiteengezet door de Hoge Raad in het arrest van 25 maart 2003 (NJ 2003, nr 552) welke uitgangspunten in latere arresten van de Hoge Raad zijn herhaald.

In genoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat:

"voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. (...) Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard."

Hoewel de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat uit de zinsnede in dit arrest:

'de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder zij is verricht' voortvloeit dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van opzet met de context van sport en spel rekening moet worden gehouden, is het hof van oordeel dat de criteria van de Hoge Raad niet inhouden dat gedragingen op het voetbalveld - zoals in de thans voorliggende zaak - als zodanig anders zouden dienen te worden beoordeeld dan daarbuiten.

Het hof gaat op grond van de televisiebeelden van het incident, die ter zitting zijn getoond en die deel uitmaken van het dossier, alsmede op grond van de overige bewijsmiddelen uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

In het strafschopgebied van Go Ahead Eagles kwam Sparta-speler [vd B.] ten val. Volgens getuige [Z.], verdediger van Go Ahead Eagles, claimde [vd B.] daarop verbaal een strafschop. Op de tv-beelden is te zien, hetgeen ter zitting ook door verdachte is bevestigd, dat verdachte wijst naar [vd B.] en tegelijkertijd de scheidsrechter aankijkt, klaarblijkelijk om deze duidelijk te maken dat hier een strafschop gegeven diende te worden. De scheidsrechter laat evenwel doorspelen.

Verdachte rent vervolgens met hoge snelheid achter de bal aan die via Go Ahead Eagles-speler [R.] naar [K.] wordt gespeeld. Verdachte is te laat bij [R.] om de bal te kunnen achterhalen, "schampt" [R.] terwijl hij - in één beweging door - met, zoals de scheidsrechter het nadien heeft betiteld, buitensporige inzet, in de richting van [K.] rent.

Op het moment dat [K.] de bal gaat schieten, komt verdachte ongeveer een halve meter boven de grond - met zijn linkerbeen naar achteren gebogen en zijn rechterbeen naar voren gestrekt - in de richting van [K.], terwijl zijn bovenlichaam en gezicht enigszins weg zijn gedraaid, van [K.] af. Daarbij raakt hij het been van [K.] zodanig dat deze zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Verdachte heeft een en andermaal verklaard dat zijn actie niet gericht is geweest op het lichaam van [K.], doch dat het zijn bedoeling is geweest de bal - die betrokkene volgens de inschatting van verdachte, onder andere gelet op diens lichaamshouding, hoog naar voren gericht zou wegschieten - te raken en te blokken.

Het hof concludeert het volgende.

Vanaf het moment dat de scheidsrechter aangeeft dat er doorgespeeld moet worden en dus geen strafschop toekent aan Sparta, rent verdachte met hoge snelheid achter de bal aan, waarna hij eerst [R.] de pas afsnijdt en vervolgens doorrent naar [K.]. Verdachte zet, op het moment dat de bal zich nog op de grond bevindt, zijn actie voort met een 'vliegende tackle' die - eenmaal aangevangen - niet meer gecorrigeerd kan worden. Net nadat [K.] de bal heeft weggetrapt en diens rechterbeen nog in de lucht hangt raakt verdachte - die met hoge snelheid en kracht inkomt - met de rechterschoen van zijn recht vooruit gestoken rechterbeen het rechteronderbeen van [K.].

Hoewel het hof ervan uitgaat dat de beslissing van verdachte om over te gaan tot de onderhavige gedraging door de spelsituatie is ingegeven en in een zeer kort tijdsbestek door verdachte is genomen, is het hof van oordeel dat verdachte - door met hoge snelheid en kracht vanaf (te) korte afstand van [K.] een 'vliegende tackle' met gestrekt been en een schoen met metalen noppen uit te voeren - zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij niet de bal, maar [K.] zou raken en dat hij daarmee ook bewust de kans dat hij [K.] daarmee zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bezorgen op de koop toe heeft genomen.

Verdachte heeft gehandeld op zodanige wijze, door het hof hiervoor betiteld als 'vliegende tackle', dat gesproken kan worden van een flagrante overtreding van de regels van het voetbalspel.

Verdachte heeft gesteld dat hij eerder slidings heeft uitgevoerd met gestrekt been zonder dat hij hiervoor ter verantwoording is geroepen en dat hem in zijn voetballoopbaan, tot het incident, nooit iets over overtredingen met een gestrekt been en de risico's daarvan is verteld.

Verdachte heeft echter ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij als toeschouwer bij een voetbalwedstrijd al eens getuige is geweest van een sliding met gestrekt been, met een beenbreuk van de tegenstander tot gevolg.

Uit de Handleiding voor Scheidsrechters Veldvoetbal blijkt bovendien dat tegen dergelijke acties door de scheidsrechter moet worden opgetreden, omdat het inkomen met gestrekt been zeer ernstige gevolgen kan hebben.

Het hof neemt tevens de verklaring van de scheidsrechter in aanmerking dat - zakelijk weergegeven - verdachte een buitensporige inzet pleegde, gekenmerkt door zijn snelheid en lichaamshouding en dat hij - in zijn veertienjarige loopbaan als scheidsrechter - een dergelijke overtreding, die hij omschrijft als een aanslag, nog nooit heeft gezien.

Op grond van al het vorenstaande is het hof tot het oordeel gekomen dat verdachte - een speler met jarenlange voetbalervaring - zich bij zijn actie bewust moet zijn geweest van het risico dat hij daarmee zijn tegenstander zou kunnen raken en hem daarbij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Bovendien moest hij er - gelet op de hierboven omschreven feitelijke gang van zaken alsmede op de algemene ervaringsregels met betrekking tot gevolgen van een gedraging als de onderhavige - vanuit gaan dat dit gevolg ook daadwerkelijk zijn intrede zou kunnen doen.

Gezien de uiterlijke verschijningsvorm van de actie van verdachte kan derhalve niet anders geoordeeld worden dan dat verdachte met de onderhavige gedraging de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op de koop toe heeft genomen/heeft aanvaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het tenlastegelegde tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een tegenspeler tijdens een voetbalwedstrijd. Dit is een ernstig feit. Naar het zich laat aanzien zal deze speler nooit meer in staat zijn om te voetballen. Betrokkene is - anderhalf jaar na het gebeuren - nog steeds aan het revalideren.

Naar het oordeel van het hof kan op een dergelijk feit niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf, zij het in voorwaardelijke vorm, teneinde de verdachte in te scherpen dat een gedraging als de onderhavige sterke afkeuring verdient en hij die in de toekomst moet vermijden.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf, heeft het hof in het voordeel van de verdachte laten meewegen dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 4 mei 2006, niet eerder is veroordeeld. Tevens houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte reeds tuchtrechtelijk/disciplinair is bestraft door zowel de KNVB als door de voetbalclub Sparta zelf. Met het oog op het vorenstaande alsmede gelet op alle commotie die zich rond de persoon van de verdachte na het incident heeft voorgedaan, acht het hof - in tegenstelling tot de door de eerste rechter opgelegde alsmede de in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde straf - geen termen aanwezig om, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. C.M.P. Flint-Van Noort, mr. D.J.C. van den Broek en mr. W.F. Groos, in bijzijn van de griffier mr. I. Appel.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 mei 2006.