Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AW2843

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
2200321205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afmaken inbeslagenomen hond

Samenloop van omstandigheden die niet aan de verdachte kan worden verweten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003212-05

Parketnummer: 09-700118-05

Datum uitspraak: 6 januari 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van

2 mei 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 december 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair vrijgesproken en terzake van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde is de inbeslaggenomen hond verbeurd verklaard en is de vordering van de benadeelde partij toegewezen met een schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissing op verweer van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte omdat deze zaak in elkaar zou zijn gezet met als enig doel het achteraf rechtvaardigen van de onrechtmatige inbeslagname en afmaken van de hond van de verdachte [hond]. Verbalisant P. zou de zaaksofficier van justitie van onjuiste informatie hebben voorzien op grond waarvan deze toestemming zou hebben gegeven de hond van de verdachte in beslag te nemen. Het feit dat de verdachte, toen hij na de inbeslagname op het politiebureau bij ontvangst van de kennisgeving van inbeslagname te horen kreeg dat hij bezwaar kon maken tegen de inbeslagname, maar dat [hond] al was afgemaakt acht de raadsman in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorts zou P. bij aangeefster en de getuige hebben aangedrongen om aangifte te doen en een getuigenverklaring af te leggen om zo de zaak tegen de verdachte te kunnen construeren.

Tenslotte wordt gesteld dat de officier van justitie zich bij haar beslissingenonvoldoende rekenschap van de emotionele aspecten van deze zaak.

De officier van justitie heeft op basis van de door verbalisant P. verstrekte gegevens omtrent door de hond [hond] veroorzaakte incidenten goedkeuring gegeven voor inbeslagneming en doen inslapen van deze hond. Directe aanleiding voor dit optreden vormde het tenlastegelegde incident van 3 januari 2003.

In de ochtend van 5 januari 2003 is de hond onder de verdachte inbeslaggenomen onder vermelding dat het een Dobermann Pincher betrof. Korte tijd daarna is de hond afgemaakt. Op 10 januari 2003 is de aangifte tegen verdachte opgenomen; het betreffende proces-verbaal, deel uitmakend van het dossier, is gedateerd 12 januari 2003. Ook bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van een getuigenverklaring, opgenomen en gedateerd 5 januari 2005.

Het hof is van oordeel dat het verschaffen van deels onjuist gebleken informatie aan de officier van justitie ter ondersteuning van een verzoek om toestemming voor inbeslagneming en vernietiging van de hond onzorgvuldig is. Ernstiger is dat uit het Wetboek van Strafvordering noch uit enige andere wettelijke regeling een bevoegdheid kon worden afgeleid op grond waarvan deze hond in beslag kon worden genomen; er was geen heterdaadsituatie en de verdachte werd niet van een feit als genoemd in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering verdacht. In andere regelingen zijn alleen Pitbullterriërs en daarop gelijkende honden genoemd.

De verdachte heeft door het onrechtmatig optreden van de politie, leidend tot de snelle dood van de hond [hond], materiële en emotionele schade geleden. Niettemin is niet aannemelijk geworden dat de politie en/of het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort hebben gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van deze zaak. Het door de verdediging gestelde gebrek aan invoelings-vermogen van de officier van justitie kan aan dit oordeel niets afdoen. Voorzover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat de politie, door de aangeefster aan te sporen aangifte te doen en de getuige om een verklaring af te leggen, misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden met de bedoeling een zaak tegen de verdachte te construeren ter dekking van de onrechtmatige inbeslagneming is het hof van oordeel dat deze opzet niet aannemelijk is geworden.

Alles bijeen genomen zijn er, naar het oordeel van het hof, onvoldoende gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging.

Met betrekking tot het door de verdediging ter terechtzitting bij pleidooi gedane verzoek tot het horen van de verbalisant P. en het personeel van de dierenambulance is het hof van oordeel dat uit de motivering van de verzoeken de noodzaak om in dit stadium van de behandeling van de zaak de getuigen te horen onvoldoende kon blijken, terwijl het hof ook overigens daartoe geen noodzaak heeft gezien.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot vrijspraak van de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en terzake van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde tot schuldig verklaring van de verdachte zonder oplegging van straf.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair heeft begaan. De verdachte behoort daarvan dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde overweegt het hof dat uit het dossier de navolgende feiten en omstandigheden zijn gebleken.

Op 3 januari 2005 heeft de verdachte zijn honden, waaronder [hond], uitgelaten op een hondenuitlaatplaats in Alphen aan den Rijn. Hij heeft [hond] aangelijnd met een zogenaamde pennenketting, waarvan niet te verwachten is dat deze los zal schieten. Op een gegeven moment is de ketting van [hond] toch losgeschoten. Op dat moment is de verdachte onmiddellijk naar [hond] toegelopen om hem wederom aan te lijnen. Enige momenten later, toen de verdachte nog niet de mogelijkheid had gehad om [hond] te pakken, heeft [hond] de kat van mevrouw [benadeelde partij] gezien, is hij over het hek gesprongen en is achter de kat aangegaan. De verdachte heeft [hond] nog geroepen en is er achteraan gerend, doch was te laat ter plaatse. [hond] had de kat reeds verwond. Later is de kat aan de verwondingen overleden.

Uit deze vaststellingen blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte voldoende zorg heeft betracht om zijn hond, waarvan hij wist dat deze gevaarlijk was voor katten, onschadelijk te houden. Hij heeft immers al hetgeen van hem in de gegeven situatie mocht worden verwacht gedaan om de hond aangelijnd en bij zich te houden. Verdachte heeft aannemelijk gemaakt dat de pennenketting in strijd met elke verwachting is losgeschoten, terwijl zich op dat moment geen kat binnen het gezichtsveld van de verdachte of de hond bevond. Doordat de kat zich even later wel vertoonde ontstond een samenloop van omstandigheden die niet aan de verdachte kan worden verweten, en dus buiten het bereik van diens schuld valt.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair heeft begaan, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat de hondenuitlaatplaats waar de verdachte met zijn honden liep een plaats is waar honden dienen te worden aangelijnd dan wel of deze hondenuitlaatplaats door het college van Burgermeester en Wethouders is aangewezen als plaats waarop zulks niet van toepassing is. De advocaat-generaal heeft hieromtrent desgevraagd geen uitsluitsel kunnen verschaffen.

Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Beslag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verbeurdverklaring van de - blijkens de in kopie aan dit arrest gehechte kennisgeving van inbeslagneming - inbeslaggenomen voorwerp te weten een hond, ras Dobermann Pincher.

Ten aanzien van dit voorwerp (een hond, ras Dobermann Pincher), zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 311,94.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag EUR 311,94.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte terzake van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling van de benadeelde partij achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het - blijkens de in kopie aan dit arrest gehechte kennisgeving van inbeslagneming - inbeslaggenomen voorwerp, te weten een hond, ras Dobermann Pincher.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. Bax-Luhrman,

mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. H.W.J. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Perquin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 januari 2006.