Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AW1878

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
05/98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vonnis gefaxd aan partij, drie dagen na de dag waarop eerder de uitspraak was bepaald. Hof: 'De omstandigheid dat de griffier in strijd met het bepaalde in artikel 231 Rv niet op 9 november 2004 een afschrift van het vonnis aan [appellante] heeft verstrekt, heeft niet tot gevolg dat de beroepstermijn later aanvangt dan de genoemde dag van de uitspraak van het vonnis. Noch de door [appellante] gestelde omstandigheid dat de uitspraak (in strijd met het bepaalde in artikel 28 Rv) niet in het openbaar is gedaan, noch het vaststaande feit dat (in strijd met artikel 231 Rv) niet op 9 november 2004 aan [appellante] een afschrift van het vonnis is verstrekt, leidt tot de conclusie dat de uitspraak eerst na 9 november 2004 is gedaan.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 294

Uitspraak

Uitspraak: 12 april 2006

Rolnummer: 05-98

Rolnr. rechtbank: 584765 EXPL VV 04-67 (kort geding, sector kanton, locatie Schiedam)

HET GERECHTSHOF ’S-GRAVENHAGE, derde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[APPELLANTE],

wonende te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. M.J. van Basten Batenburg,

tegen

STICHTING WOONPLUS SCHIEDAM,

gevestigd te Schiedam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Woonplus,

procureur: mr. P. Geraedts.

1. Het geding

Bij exploot van 10 december 2004, gerectificeerd bij exploot van 31 januari 2005, is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Schiedam, tussen partijen gewezen vonnis in kort geding met uitspraakdatum "9 november 2004". Bij memorie van grieven heeft [appellante] één grief aangevoerd. Woonplus heeft daarop bij memorie van antwoord gereageerd. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. De ontvankelijkheid van [appellante] in haar beroep

2.1 Het volgende is van belang:

a. Het in kort geding gewezen vonnis waartegen beroep is ingesteld, vermeldt in de kop: "Uitspraak: 9 november 2004", bij het verloop van de procedure: "De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden", en aan het slot: "Dit vonnis is gewezen door mr. Hagendoorn en uitgesproken ter openbare terechtzitting."

b. Vast staat dat de rechtbank, conform hetgeen blijkens het voorafgaande in het vonnis staat vermeld, tijdens de mondelinge behandeling van de zaak -waarbij [appellante] en haar gemachtigde aanwezig waren -, heeft medegedeeld dat op (dinsdag) 9 november 2004 vonnis zal worden gewezen.

c. Vast staat voorts dat een afschrift van het vonnis niet eerder dan op (vrijdag) 12 november 2004 aan (de gemachtigde van) [appellante] is afgegeven. Op die dag is de tekst van het vonnis door de griffie aan de gemachtigde van [appellante] gefaxt.

2.2 [appellante] stelt dat het vonnis niet op 9 november 2004 ter openbare terechtzitting is uitgesproken en dat het achterwege laten van een dergelijke (mondelinge) uitspraak bij de sector kanton, locatie Schiedam, in dit soort zaken de praktijk is. [appellante] is op grond daarvan van mening dat het er voor moet worden gehouden dat het vonnis is uitgesproken op 12 november 2004.

2.3 Het hof volgt [appellante] niet in haar redenering. Vanwege de onder 2.2 sub a (en b) weergegeven feiten, en op grond van die feiten oordelend dat [appellante] de gelegenheid heeft gehad om zich op 9 november 2004 door het kantongerecht te doen informeren omtrent de inhoud van het vonnis, geldt als de dag van de uitspraak van het vonnis de datum 9 november 2004. Noch de door [appellante] gestelde omstandigheid dat de uitspraak (in strijd met het bepaalde in artikel 28 Rv) niet in het openbaar is gedaan, noch het vaststaande feit dat (in strijd met artikel 231 Rv) niet op 9 november 2004 aan [appellante] een afschrift van het vonnis is verstrekt, leidt tot de conclusie dat de uitspraak eerst na 9 november 2004 is gedaan.

2.4 De omstandigheid dat de griffier in strijd met het bepaalde in artikel 231 Rv niet op 9 november 2004 een afschrift van het vonnis aan [appellante] heeft verstrekt, heeft niet tot gevolg dat de beroepstermijn later aanvangt dan de genoemde dag van de uitspraak van het vonnis.

2.5 Omdat de dag van de uitspraak van het bestreden vonnis 9 november 2004 is, de termijn van beroep betreffende een vonnis als het onderhavige - dat in kort geding is gewezen - vier weken bedraagt (artikel 339, lid 2, Rv) en het beroep is ingesteld op 10 december 2004, moet worden geconcludeerd dat [appellante] de beroepstermijn heeft overschreden.

2.6 In hetgeen is gesteld of gebleken is geen reden te vinden om die overschrijding van de beroepstermijn in de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2003 (NJ 2005, 465) of anderszins te billijken. [appellante] heeft immers hoe dan ook sedert 12 november 2004, toen haar gemachtigde de uitspraak ontving, voldoende gelegenheid gehad om binnen de wettelijke termijn beroep in te stellen.

2.6 [appellante] dient in haar beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Als de in het ongelijk gestelde partij zal zij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

3. Beslissing

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Woonplus worden bepaald op € 244,- aan verschotten en € 894,- (tarief II, 1 punt) aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, E.J. van Sandick en Th.W.H.E. Schmitz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2006 in aanwezigheid van de griffier.