Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV7043

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
2200579305
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmotivering

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsmisdrijf. Nadat zij op straat in een vechtpartij waren verwikkeld geraakt, heeft de verdachte het latere slachtoffer rennend achtervolgd en heeft hij met een pistool meerdere keren gericht op hem geschoten, waarbij één van de afgevuurde kogels de rechteronderarm van het slachtoffer heeft doorboord, met behalve de daardoor ontstane schotwond tevens zenuwuitval als gevolg. Aldus handelende heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het is slechts aan toeval en niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer tengevolge van zijn handelen niet is overleden. De verdachte heeft voorts, nu het gebeurde zich afspeelde in een drukke straat met cafés, op een tijdstip waarop daar veel mensen zijn, daarenboven het volstrekt onaanvaardbare risico genomen dat (tevens) omstanders door de afgevuurde kogels zouden worden getroffen. Ongecontroleerd bezit van vuurwapens bevordert, zoals ook uit de onderhavige zaak is gebleken, het lichtvaardig gebruik daarvan, hetgeen kan leiden tot noodlottige vormen van geweldpleging. Grove geweldsdelicten als de onderhavige dragen tenslotte een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen bij de burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de aanwezige rapportages die over de verdachte zijn opgesteld.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 2 februari 2006, op 7 november 2002 is veroordeeld tot gevangenisstraf voor onder meer een poging tot zware mishandeling en voorts eerder is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde straf.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen aanzienlijke duur, een passende en geboden reactie vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005793-05

Parketnummer: 10-031284-04

Datum uitspraak: 21 maart 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 26 september 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Hicham L[.]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie, te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 maart 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens een mededeling door de raadsman ter terechtzitting niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

1 impliciet primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Met betrekking tot het door het slachtoffer opgelopen letsel als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde bevat het voorliggende dossier voor zover relevant het navolgende:

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2004, dat als verklaring van verbalisant I.P. Vogelaar onder meer - zakelijk weergegeven - inhoudt:

'Ik zag dat [slachtoffer] zijn rechtermouw omhoog trok en vervolgens zag ik dat in zijn rechteronderarm, op ongeveer 10 centimeter van het polsgewricht, aan de pinkzijde van de arm, een ronde wond zat met een diameter van ongeveer een centimeter'

- een formulier medische informatie/letselbeschrijving

d.d. 15 oktober 2004 waarop als bevinding op die datum van de forensisch arts L.C. Los onder meer is vermeld:

'In- en uitschotopening rechteronderarm. Uitval zenuw onderarm. Mogelijk blijvend zenuwletsel. Voor behandeling zenuwletsel naar plastisch chirurg gestuurd'

Op basis van het vorenstaande stelt het hof vast dat tengevolge van het handelen van de verdachte bij het slachtoffer een aanzienlijk inschot en een uitschot in zijn rechteronderarm is ontstaan, met zenuwuitval als gevolg. Naar 's hofs oordeel is dergelijk letsel, mede gelet op het feit dat moet worden aangenomen dat littekens zullen overblijven, op zichzelf voldoende ernstig om het naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te beschouwen. Nu tevens is gebleken dat voor behandeling van de zenuwuitval verdere behandeling door een plastisch chirurg nodig is geweest alsmede dat de forensisch arts heeft geconcludeerd dat sprake was van mogelijk blijvend zenuwletsel, is het hof van oordeel dat het door het slachtoffer opgelopen letsel tengevolge van het onder 2 bewezenverklaarde zonder meer moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing omtrent een door de raadsman gevoerd verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman onder meer - kort gezegd - aangevoerd dat de resultaten van de verschillende Fosloconfrontaties, waarbij de getuigen [drie getuigen] de verdachte als dader van het onder 1 en 2 tenlastegelegde hebben aangewezen, niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt, nu de betrouwbaarheid daarvan niet is vast te stellen. Immers hebben alle voornoemde getuigen verklaard dat zij de verdachte reeds van gezicht kenden vóór het gebeurde op 14 september 2004.

Het hof is van oordeel dat het in deze zaak, nu genoemde getuigen de verdachte inderdaad reeds van gezicht kenden, toereikend ware geweest hen te laten deelnemen aan een enkelvoudige fotoconfrontatie, doch dat het feit dat in casu gekozen is voor (meervoudige) Fosloconfrontaties niet zonder meer betekent dat de resultaten daarvan niet tot het bewijs zouden mogen dienen. Voorts wordt nog overwogen dat het hof de uitkomsten van de confrontatie slechts heeft gebruikt als aanvullend bewijs. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde:

de eendaadse samenloop van poging tot doodslag en zware mishandeling;

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 4 tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsmisdrijf. Nadat zij op straat in een vechtpartij waren verwikkeld geraakt, heeft de verdachte het latere slachtoffer rennend achtervolgd en heeft hij met een pistool meerdere keren gericht op hem geschoten, waarbij één van de afgevuurde kogels de rechteronderarm van het slachtoffer heeft doorboord, met behalve de daardoor ontstane schotwond tevens zenuwuitval als gevolg. Aldus handelende heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het is slechts aan toeval en niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer tengevolge van zijn handelen niet is overleden. De verdachte heeft voorts, nu het gebeurde zich afspeelde in een drukke straat met cafés, op een tijdstip waarop daar veel mensen zijn, daarenboven het volstrekt onaanvaardbare risico genomen dat (tevens) omstanders door de afgevuurde kogels zouden worden getroffen. Ongecontroleerd bezit van vuurwapens bevordert, zoals ook uit de onderhavige zaak is gebleken, het lichtvaardig gebruik daarvan, hetgeen kan leiden tot noodlottige vormen van geweldpleging. Grove geweldsdelicten als de onderhavige dragen tenslotte een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen bij de burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de aanwezige rapportages die over de verdachte zijn opgesteld.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 2 februari 2006, op 7 november 2002 is veroordeeld tot gevangenisstraf voor onder meer een poging tot zware mishandeling en voorts eerder is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde straf.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen aanzienlijke duur, een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot onttrekking aan het verkeer van de na te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals deze - onder de eerste twee gedachtestreepjes - op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst zijn vermeld.

Deze voorwerpen, met behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan en die kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Ten aanzien van de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen zal het hof, conform de conclusie van de advocaat-generaal, de teruggave aan de verdachte gelasten.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder

1 en 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.830,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag (immateriële schade) van EUR 1.000,--.

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof leent de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich naar de maatstaven van billijkheid voor toewijzing. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.000,00 ten behoeve van de benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 55, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

de voorwerpen zoals die zijn vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst, te weten:

- 1 pistool, Fabrique Nat. 6.35 mm.

- koperkleurige patroon, kogelpunt en huls.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de overige voorwerpen zoals die zijn genoemd op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst, te weten:

- 1 jas, kleur crème

- 1 jack, kleur zwart

- 1 houten kist, kleur bruin.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer], [adres], van een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. H.W.J. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2006.