Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV7036

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
28-03-2006
Zaaknummer
2200478105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmotivering

De verdachte heeft zich op 14 oktober 2004 samen met Z. schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag respectievelijk moord op twee vrouwen, die als prostituee werkzaam waren op de Keileweg te Rotterdam.

De verdachte is die avond samen met Z., van wie hij wist dat deze in het bezit was van een vuurwapen, op stap gegaan, waarbij zij een grote hoeveelheid alcohol en daarnaast nog softdrugs gebruikt hebben. Vervolgens zijn zij naar de Keileweg gegaan, alwaar de verdachte gebruik heeft gemaakt van de diensten van een prostituee, terwijl Z. op hem wachtte.

Op een gegeven moment hebben de twee latere slachtoffers hun diensten aangeboden, waarna zij zich met z'n vieren hebben begeven naar de Lekstraat, een straat gelegen buiten de beveiligde prostitutiezone van de Keileweg.

Aldaar heeft Z. op aanwijzing van de verdachte van nabij het slachtoffer (1) in haar hoofd geschoten, als gevolg waarvan zij vrijwel onmiddellijk is overleden. Enige tijd later heeft Z. geschoten op het slachtoffer (2), die getuige was geweest van het schot op haar collega. Deze vrouw is - in tegenstelling tot het eerdere slachtoffer - niet direct, maar pas uren later in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden.

Hierna hebben de verdachte en Z. zich ook nog schuldig gemaakt aan diefstal van een mobiele telefoon van één van de slachtoffers. Zij hebben zich daarbij totaal niet bekommerd om het op dat moment nog in leven zijnde tweede slachtoffer

die een doodsstrijd leverde, hetgeen voor hen duidelijk moet zijn geweest.

Door het plegen van deze schokkende feiten hebben de verdachte en zijn mededader de slachtoffers het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen en de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is wederom naar voren gekomen dat de gewelddadige dood van slachtoffer (1) een diepe wond heeft geslagen in haar familie en onherstelbaar leed heeft veroorzaakt. Dit geldt evenzeer voor de nabestaanden van slachtoffer (2) en ook zij zullen de gevolgen van haar dood hun hele leven met zich mee dragen.

Bovendien hebben deze laffe daden - gepleegd jegens twee sociaal zwakke en kwetsbare slachtoffers - angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt in de samenleving en in het bijzonder onder de straatprostituees.

(...)

Het hof is gelet op de uitzonderlijke ernst en de onherstelbare gevolgen van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat een zeer langdurige gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Gelet op het feit dat het hof - in tegenstelling tot wat de advocaat-generaal heeft gevorderd - het onder 1 tenlastegelegde feit ook bewezen heeft verklaard, zal de door het hof op te leggen straf hoger zijn dan die door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004781-05

Parketnummer: 10-030140-04

Datum uitspraak: 28 maart 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 2 augustus 2005 in

de strafzaak tegen de verdachte:

[Amit R.]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 januari 2006, 6 januari 2006 en 14 maart 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte

naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting

in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 2 telkens primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair, meest subsidiair en uiterst subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder

3 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen.

De officier van justitie en de verdachte hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissing op verzoeken van de raadsman

De raadman van de verdachte heeft het hof ter zitting

in hoger beroep verzocht de getuige-deskundige prof.dr. W.A. Wagenaar te laten rapporteren omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] waar het de rol van de verdachte aangaat.

Het hof wijst dit verzoek af, nu de getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep slechts heeft aangegeven dat de verklaringen van [medeverdachte] over de actieve rol van verdachte consistent zijn, hetgeen ook blijkt uit de diverse door [medeverdachte] afgelegde verklaringen, zowel bij de politie, alswel als getuige bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in

hoger beroep.

Nu de verdediging ruimschoots in de gelegenheid is gesteld de getuige [medeverdachte] te ondervragen op dit

punt, acht het hof geen verdedigingsbelang geschaad bij afwijzing van dit verzoek.

Voorts heeft de raadsman zijn eerdere verzoeken, zoals vermeld in het proces-verbaal van 3 januari 2006, te weten de rapportage van het PBC betreffende [medeverdachte], alsmede de resultaten van het onderzoek van de computer van [medeverdachte] aan het dossier toe te voegen, thans herhaald.

Het hof wijst deze verzoeken wederom af en verwijst hiervoor naar de door het hof reeds gegeven afwijzingsgronden in het proces-verbaal van 3 januari 2006.

Het verzoek van de raadsman om een deskundige te doen rapporteren op de stukken omtrent de vraag hoe het handelen/nalaten van de verdachte kan worden verklaard, welk verzoek door het hof ter zitting van 3 januari 2006 vooralsnog is afgewezen, wijst het hof thans definitief af, gelet op de door het hof hierna te bezigen bewijsconstructie en het gegeven dat de verdachte tot nu toe heeft geweigerd aan rapportages mee te werken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte door ter zitting in hoger beroep niet te verschijnen, geen openheid van zaken heeft willen geven.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte

het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat

en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Medeverdachte [medeverdachte] (die inmiddels onherroepelijk is veroordeeld), heeft omtrent de toedracht van de gebeurtenissen op 14 oktober 2004 verschillende versies gegeven.

Vanaf zijn derde verhoor bij de politie op 10 november 2004 heeft [medeverdachte] - kort gezegd - verklaard dat de verdachte had voorgesteld om een beroving te gaan plegen en dat [medeverdachte] na herhaaldelijk aandringen van de verdachte heeft geschoten op beide slachtoffers (hof: versie 1).

Vervolgens is [medeverdachte] op 7 april 2005 als getuige in de onderhavige zaak bij de rechter-commissaris met een andere versie gekomen. De verdachte zou de vrouwen om geld hebben gevraagd en [medeverdachte] hebben aangespoord te schieten. [medeverdachte] heeft vervolgens zijn wapen getrokken, waarna de verdachte tegen zijn arm zou hebben gestoten, ten gevolge waarvan het eerste schot is afgegaan. Daarna zou de verdachte het vuurwapen van [medeverdachte] hebben afgepakt en daarmee gericht op de tweede vrouw hebben geschoten (hof: versie 2).

Teneinde te beoordelen of en welke versie van de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen (het meest) betrouwbaar kan worden geacht, heeft het hof in aanmerking genomen het rapport van prof.dr. W.A. Wagenaar d.d. 15 mei 2005, dat hij in opdracht van de rechter-commissaris in de zaak tegen [medeverdachte] als deskundige heeft opgemaakt, en welk rapport onderdeel uitmaakt van het dossier van de verdachte.

De vraag die door de rechter-commissaris is gesteld, is of [medeverdachte]'s versie 1 de sporen draagt van een valse bekentenis of dat die bekentenis is ontstaan door omstandigheden die valse bekentenissen in de hand werken.

Prof.dr. Wagenaar is na bestudering van de zich in het dossier van [medeverdachte] bevindende verklaringen onder meer tot de conclusie gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat [medeverdachte] enerzijds ondanks de invloed van alcohol doelgericht probleemoplossend heeft kunnen handelen

– te weten het teruggaan naar de Lekstraat om te zoeken naar de achtergelaten patroonhulzen die mogelijk vingerafdrukken zouden bevatten, alsmede het verstoppen van het vuurwapen - en anderzijds de invloed van alcohol zo groot was dat hij zich daardoor gedurende weken niets kon herinneren over de toedracht. Zo alcohol al een dergelijk effect op zijn geheugen kan hebben - hetgeen de deskundige sterk betwijfelt - wordt evenzeer als onwaarschijnlijk aangemerkt dat de herinneringen later ineens weer glashelder en betrouwbaar zouden terugkomen. Tevens wordt gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat

de vrijwel eenmalige suggestie van verdachte [medeverdachte]'s gehele herinnering veranderd kan hebben. Ook heeft de deskundige als zijn conclusie te kennen gegeven dat het onwaarschijnlijk is dat [medeverdachte] een valse bekentenis

zou hebben afgelegd en gedurende geruime tijd volgehouden wegens één of meer van de drie belangrijkste oorzaken

van valse bekentenissen:

- een ziekelijke neiging om valse bekentenissen af te leggen;

- een poging om de ware dader te beschermen;

- toegeven aan extreme druk of psychologische indoctrinatie tijdens het verhoor.

Geen van deze oorzaken wordt aanwezig geacht. Tenslotte heeft de deskundige nog de mogelijkheid geanalyseerd dat [medeverdachte] niet een valse bekentenis heeft afgelegd die tot stand is gekomen op de wijze die [medeverdachte] zelf heeft geschetst, noch door de manier waarop het verhoor was ingericht, maar uitsluitend doordat [medeverdachte] doelbewust de politie voorloog.

Een dergelijke geheel vrijwillige bekentenis wordt weliswaar niet uitgesloten maar is naar het oordeel van de deskundige in strijd met wat [medeverdachte] daarover zegt, en ook overigens moeilijk te begrijpen omdat niet duidelijk is welk motief voor een dergelijke zelfopoffering is aan te voeren.

Volgens prof.dr. Wagenaar is het op grond hiervan onaannemelijk dat de aanvankelijke bekennende verklaringen van [medeverdachte] (versie 1) een valse bekentenis zouden inhouden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft prof.dr. Wagenaar gepersisteerd bij hetgeen hij eerder in zijn rapport heeft geoordeeld. Voorts heeft hij opgemerkt dat [medeverdachte] zeer consistent is geweest in zijn verklaringen waar het de rol van de verdachte bij de gebeurtenissen op 14 oktober 2004 betreft.

Het hof overweegt dat [medeverdachte] omtrent de rol van de verdachte onder meer het navolgende heeft verklaard:

- op 10 november 2004 bij de politie: "Hij bleef zeuren aan mijn hoofd: schiet nou, schiet nou. Elke dag zegt hij: kom we gaan een overval doen. Hij zei tegen mij: trek dat ding en doe het, doe het. Amit zei tegen die hoeren: geld, geld. Amit zei tegen mij: schiet ze dood, ze gaan ons verraden. Hij zei: doe, doe. Daarna deed ik pang. Amit riep tegen die andere hoer: heb

je geld, geef mij je geld. Hij zei tegen mij: richt op haar en hij riep: schiet 'r. Hij zei: mietje, schijterd. Hij zeurde en zei: doe het gewoon. Ik haalde de trekker over".

- op 7 april 2005 als getuige in de zaak van de verdachte bij de rechter-commissaris: "Amit vroeg aan

die vrouwen heb je geld bij je. Hij zei tegen mij trek je wapen. Hij zei dat een paar keer tegen mij. Hij was helemaal wild. Ik heb toen mijn wapen getrokken. Ik zei toen ook tegen die vrouwen heb je geld. Normaal zou ik dat niet doen. Amit zei tegen mij schiet ze neer. Hij bleef dat maar herhalen en aandringen".

Het hof oordeelt dat [medeverdachte] ook in zijn tussenliggende verklaringen consistent is geweest over de rol van de verdachte, als degene die geld wilde en hem aanspoorde te schieten.

De verdachte zelf heeft naar het oordeel van het hof wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot zijn rol en heeft daarnaast - door ter zitting in hoger beroep van 6 januari 2006 en 14 maart 2006 niet te verschijnen, terwijl hij op 3 januari 2006 had aangegeven op een nadere zitting graag een verklaring af te willen leggen, - geen openheid van zaken willen geven. Wel blijkt uit de verklaringen van verdachte bij de politie dat hij, nadat [medeverdachte] onverwacht het eerste slachtoffer heeft neergeschoten, met [medeverdachte] en het tweede slachtoffer over tientallen meters mee is gelopen, waarbij verdachte zich niet heeft gedistantieerd, noch enigerlei poging in het werk heeft gesteld het tweede slachtoffer dit lot te besparen, of hulp in te roepen.

Ook heeft hij verklaard naderhand het tasje van het eerste slachtoffer te hebben doorzocht en er een mobiele telefoon uit te hebben weggenomen.

Het hof zal op grond van het vorenstaande en het feit dat [medeverdachte] in zijn eerste versie van de gebeurtenissen op 14 oktober 2004 consistent en zeer gedetailleerd heeft verklaard deze versie voor het bewijs bezigen.

Voorts merkt het hof het volgende op.

De verklaring van [medeverdachte] dat verdachte het oogmerk had om mensen te beroven, vindt steun in de verklaring van

[getuige], afgelegd bij de politie op 15 november 2004, inhoudende dat de verdachte het altijd had over "torri doen", waarmee bedoeld werd dingen doen om snel geld te maken. Ook de verklaring van [getuige] dat verdachte altijd iets van plan was en gebrek aan geld had, onderbouwt het motief van beroving.

Voorts wijst het handelen van de verdachte op 14 oktober 2004 op dit motief. Zo is de verdachte na reeds tweemaal seksueel contact te hebben gehad met een prostituee en nadat hij naar eigen zeggen geen zin meer had in seks, meegegaan met de twee slachtoffers naar de Lekstraat, alwaar in tegenstelling tot op de Keileweg geen cameratoezicht is.

Ook het handelen van de verdachte en [medeverdachte] nadat de twee vrouwen waren neergeschoten, wijst op het motief

van beroving. Toen hij met [medeverdachte] terugging naar de Lekstraat om - naar eigen zeggen - naar patroonhulzen te zoeken, heeft hij het tasje van één van de slachtoffers doorzocht, waarna hij een mobiele telefoon eruit heeft gehaald. Voorts heeft hij in haar laarzen gezocht naar geld.

Het hof is daarnaast van oordeel dat [medeverdachte] (op aanwijzen van de verdachte) de eerste prostituee heeft neergeschoten uit vrees dat zij aangifte zou doen van de poging van verdachte en zijn mededader om haar af te persen en dat [medeverdachte] - eveneens mede op aanwijzen van de verdachte - de tweede prostituee heeft neergeschoten, omdat zij getuige was geweest van het schot op de ander.

Alles overwegende oordeelt het hof dat ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde blijkt van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] dat sprake is van medeplegen.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat er terzake van feit 1 geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, nu verdachte en zijn mededader het eerste slachtoffer geld wilden afpersen en uit angst voor aangifte, in de hectiek van het moment is geschoten.

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Nu verdachte zich naar het oordeel van het hof samen met zijn mededader voorafgaand aan het schieten heeft schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van het eerste slachtoffer, acht het hof de verdachte schuldig aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.

Terzake van feit 2 overweegt het hof het volgende.

Nadat het eerste slachtoffer was neergeschoten, is verdachte tezamen met [medeverdachte] en slachtoffer [slachtoffer2] over een afstand van enkele tientallen meters meegelopen. Gelet op de tijd die nodig was om deze afstand te overbruggen, alsmede de verklaring van [medeverdachte] dat deze vrouw ook neergeschoten moest worden, nu zij getuige was geweest van het neerschieten van [slachtoffer1], concludeert het hof dat er voor de verdachte en zijn mededader voldoende tijd is geweest voor kalm beraad en rustig overleg, zodat het hof moord bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit, en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van moord.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft terzake van het aan de verdachte tenlastegelegde een beroep gedaan op psychische overmacht dan wel noodtoestand, hetgeen er volgens de raadsman toe dient te leiden dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat van de verdachte - nadat mededader [medeverdachte] zonder aanleiding iemand had doodgeschoten - niet kon worden verwacht anders te handelen dan hij heeft gedaan uit angst voor [medeverdachte]. Bij weigering te voldoen aan de opdracht van [medeverdachte] met hem mee te lopen en in een tas van één van de slachtoffers te zoeken naar waardevolle spullen, had de verdachte het risico genomen dat [medeverdachte], die tot alles in staat bleek te zijn en volstrekt onberekenbaar was, zich tegen hem zou keren.

De raadsman heeft zonder dit nader te onderbouwen desgevraagd aangevoerd dat het beroep op overmacht dan wel noodtoestand geldt voor alle drie ten laste gelegde feiten.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman nu er naar het oordeel van het hof sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededader, waarbij verdachte een initiërende rol heeft gehad, zodat de door de raadsman gestelde omstandigheden zich in de visie van het hof niet hebben voorgedaan.

Er is voor het overige geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende

tot vrijspraak van de verdachte van het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair, meest subsidiair en uiterst subsidiair tenlastegelegde en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 2 primair en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 14 oktober 2004 samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag respectievelijk moord op twee vrouwen, die als prostituee werkzaam waren op de Keileweg te Rotterdam.

De verdachte is die avond samen met [medeverdachte], van wie hij wist dat deze in het bezit was van een vuurwapen, op stap gegaan, waarbij zij een grote hoeveelheid alcohol en daarnaast nog softdrugs gebruikt hebben. Vervolgens zijn zij naar de Keileweg gegaan, alwaar de verdachte gebruik heeft gemaakt van de diensten van een prostituee, terwijl [medeverdachte] op hem wachtte.

Op een gegeven moment hebben de twee latere slachtoffers hun diensten aangeboden, waarna zij zich met z'n vieren hebben begeven naar de Lekstraat, een straat gelegen buiten de beveiligde prostitutiezone van de Keileweg.

Aldaar heeft [medeverdachte] op aanwijzing van de verdachte van nabij het slachtoffer [slachtoffer1] in haar hoofd geschoten, als gevolg waarvan zij vrijwel onmiddellijk is overleden. Enige tijd later heeft [medeverdachte] geschoten op het slachtoffer [slachtoffer2], die getuige was geweest van het schot op haar collega. Deze vrouw is - in tegenstelling tot het eerdere slachtoffer - niet direct, maar pas uren later in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden.

Hierna hebben de verdachte en zijn mededader zich ook nog schuldig gemaakt aan diefstal van een mobiele telefoon van één van de slachtoffers. Zij hebben zich daarbij totaal niet bekommerd om het op dat moment nog in leven zijnde tweede slachtoffer die een doodsstrijd leverde, hetgeen voor hen duidelijk moet zijn geweest.

Door het plegen van deze schokkende feiten hebben de verdachte en zijn mededader de slachtoffers het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen en de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is wederom naar voren gekomen dat de gewelddadige dood van slachtoffer [slachtoffer1] een diepe wond heeft geslagen in haar familie en onherstelbaar leed heeft veroorzaakt. Dit geldt evenzeer voor de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer2] en ook zij zullen de gevolgen van haar dood hun hele leven met zich mee dragen.

Bovendien hebben deze laffe daden - gepleegd jegens twee sociaal zwakke en kwetsbare slachtoffers - angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt in de samenleving en in het bijzonder onder de straatprostituees.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum van 12 juli 2005, opgemaakt en ondertekend door H.E.W. Koornstra, psycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater. Uit dit rapport is - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende naar voren gekomen:

Nu de verdachte zich heeft onthouden van medewerking aan onderzoek is het niet mogelijk een oordeel te vellen over zijn psychische toestand gedurende de periode van het onderzoek en al zeker niet over zijn psychische toestand ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

Volgens de deskundigen kan wel worden vastgesteld dat de verdachte niet zwakbegaafd is, dat tijdens het onderzoek bij de verdachte geen sprake was van manifest psychotische verschijnselen, zoals wanen of hallucinaties. Voorts ontbrak een ander psychiatrisch ziektebeeld.

Bij gebreke van psychologisch en psychiatrisch onderzoek kan geen psychische stoornis worden gediagnosticeerd en over het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis kan geen uitspraak worden gedaan. Er kan derhalve ook niet worden geconcludeerd tot enigerlei vermindering van de toerekeningsvatbaarheid voor het aan de verdachte tenlastegelegde.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, vestiging Rotterdam, d.d. 2 maart 2005.

Het hof is gelet op de uitzonderlijke ernst en de onherstelbare gevolgen van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat een zeer langdurige gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Gelet op het feit dat het hof - in tegenstelling tot wat de advocaat-generaal heeft gevorderd - het onder 1 tenlastegelegde feit ook bewezen heeft verklaard, zal de door het hof op te leggen straf hoger zijn dan die door de advocaat-generaal is gevorderd.

Bevel gevangenneming

Het hof zal daarnaast ambtshalve de gevangenneming van de verdachte bevelen, nu verdachte zal worden veroordeeld ter zake van feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door die feiten is geschokt en mitsdien sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid welke onverwijlde vrijheidsbeneming vordert.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 4.206,41.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering gelet op de door de advocaat-generaal gevorderde vrijspraak van de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot

aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder

1 subsidiair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 4.206,41 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 90,45.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering, gelet op de door de advocaat-generaal gevorderde vrijspraak van de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot

aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder

1 subsidiair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen

tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 90,45 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 287, 288(oud), 289(oud), 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] tot het gevorderde bedrag van

EUR 4.206,41 (vierduizend tweehonderdenzes euro en eenenveertig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door mededader [medeverdachte] de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij1] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1], [adres], van een bedrag van EUR 4.206,41 (vierduizend tweehonderdenzes euro

en eenenveertig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 84 (vierentachtig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1] komt te vervallen voor zover mededader [medeverdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] tot het gevorderde bedrag van

EUR 90,45 (negentig euro en vijfenveertig cent), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door mededader [medeverdachte] de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij2] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij2], [adres], van een bedrag van EUR 90,45 (negentig euro en vijfenveertig cent),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (één) dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schade-vergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2] komt te vervallen voor zover mededader [medeverdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. R.C.A. Duindam en mr. E. Fockema Andreae-Hartsuiker, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2006.

Mr. E. Fockema Andreae-Hartsuiker is buiten staat dit arrest te ondertekenen.