Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV6912

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
2005/0488
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executie alimentatie. Geen onaanvaarbare noodsituatie nu de man de voorzieningenrechter onvolledig heeft vorgelicht over zijn financiele situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 25 januari 2006

Rolnummer : 2005/0488

Rolnr. rb. : 232959/KG 05-116

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.S.C. Leistra,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.C. Grootveld.

HET GEDING

Bij exploot van 6 april 2006 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 maart 2005 van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld.

In het exploot van 6 april 2006 heeft de vrouw 3 grieven aangevoerd. Bij conclusie van eis van 14 april 2005 heeft de vrouw geconcludeerd voor eis overeenkomstig het exploot. Tevens zijn door de vrouw een groot aantal producties in het geding gebracht.

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de man de grie-ven bestreden.

Partijen hebben hun procesdossier aan het hof over-ge-legd en arrest gevraagd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Voorzover tegen de feiten zoals door de voorzieningenrechter vastgesteld in het bestreden vonnis geen grief is gericht gaat het hof van deze feiten uit.

2. Het hof is van oordeel dat de grieven gezamenlijk kunnen worden besproken.

3. In grief 2 stelt de vrouw dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat in het onderhavige geval sprake is van nieuwe feiten op grond waarvan de man bij doorgang van de executie in een onaanvaardbare noodsituatie zou geraken.

4. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat dit hof bij beschikking van 10 maart 2004 heeft bepaald dat de man ten behoeve van de vrouw vanaf datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een alimentatie dient te voldoen van € 2.300,00 per maand. De man heeft in zijn verzoekschrift van 1 december 2004 tot vermindering alimentatie gesteld dat zijn arbeidsovereenkomst met zijn werkgever bij beschikking van 28 mei 2004 van de kantonrechter per 1 september 2004 is ontbonden zonder het toekennen van enige vergoeding.

5. De raadsman van de man deelt bij brief van 16 maart 2005 aan de rechtbank te Rotterdam mede :” Hierbij deel ik u mede, dat mij thans is gebleken, dat cliënt mij bij het indienen van het verzoekschrift een vervalsing van de beschikking ontbinding arbeidsovereenkomst heeft verstrekt.”

6. Uit punt 9 van de memorie van antwoord volgt dat bij beschikking van 28 mei 2004 van de kantonrechter de voormalige werkgever van de man aan de man in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een schadeloosstelling heeft betaald van

€ 80.000,00.

7. Naar het oordeel van het hof heeft de man de voorzieningenrechter onvolledig voorgelicht over zijn financiële situatie. De man heeft gesteld dat hij de schadeloosstelling heeft besteed voor de betaling van schulden en belasting. Het hof is van oordeel dat de man geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven voor de wijze waarop hij het bedrag van € 80.000,00 heeft besteed. Door de man zijn geen schriftelijke bescheiden in het geding gebracht over de wijze van besteding. Uit productie 2 bij de memorie van antwoord volgt dat het verzoek van de man tot vermindering van de door dit hof vastgestelde alimentatie bij beschikking van 13 juni 2005 door de rechtbank is afgewezen. De rechtbank heeft de alimentatie ten behoeve van de vrouw niet verminderd. Het hof is van oordeel dat rekening houdend met de WW -uitkering van de man alsmede de bruto uitkering van € 80.000,00 er voor de man geen onaanvaardbare noodsituatie ontstaat indien de vrouw de executie zou voortzetten. De grieven van de vrouw treffen doel.

8. Gezien de wijze waarop de man in deze heeft geprocedeerd acht het hof het redelijk en billijk om hem in de kosten van dit hoger beroep te veroordelen.

9. Het bovenstaande brengt met zich mede dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt het vonnis van 17 maart 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van de rechtbank tussen de partijen op 17 maart 2005 gewezen, voor zover aan het oor-deel van het hof onder-worpen en in zoverre opnieuw rechtdoen-de :

wijst af hetgeen door de man in eerste aanleg is gevorderd;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger be-roep, aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op € 1.127,25, gespeci-ficeerd als volgt:

- vastrecht, € 72.75

- salaris procureur, € 1.054,50

te betalen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal hande-len overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Dusamos en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.