Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV6432

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
2200386305
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Makrobiotiek

Opzettelijke benadeling van de gezondheid terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafmotivering

De verdachte heeft beroepsmatig handelend de gezondheid van José, die zich tot hem wendde voor advies nadat bij haar een beginstadium van baarmoederhalskanker was geconstateerd, opzettelijk benadeeld. De verdachte heeft José, jegens wie hij een bijzondere zorgplicht had, geruime tijd voorgehouden dat zij kon wachten met het voortgaan in het regulier medische traject en haar niet naar een arts dan wel een ziekenhuis verwezen. Bovendien werd door toedoen van de verdachte, die waarschuwde voor de gevolgen van regulier medisch ingrijpen, de angst van José bevestigd en aangewakkerd. Voorts heeft de verdachte José bij herhaling een makrobiotische oplossing aangeboden, en bij haar daarmee de illusie gewekt dat haar aldus een gelijkwaardige kans op genezing werd geboden. (Mede) ten gevolge van verdachtes handelen is José, als vorenomschreven, de noodzakelijke medische hulp onthouden, tengevolge waarvan haar ziekte in aanzienlijke mate is verergerd. Deze gedragingen van de verdachte alsmede het feit dat hij ter zitting ervan heeft blijk gegeven het laakbare van zijn handelen niet in te zien, zulks terwijl hij nog steeds in dezelfde beroepsmatige hoedanigheid werkzaam is, rekent het hof de verdachte zwaar aan.

(...)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14a
Wetboek van Strafrecht 14c
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2006/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003863-05

Parketnummer: 13-010450-00

Datum uitspraak: 27 maart 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 oktober 2005 en 6 maart 2006, 8 maart 2006 en 13 maart 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor feit 1 subsidiair, voor zover die de periode tot 3 april 1994 betreft. Voorts is de verdachte van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van fl 5.000,- (vijfduizend gulden) bij gebreke van betaling te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 dagen.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

20 december 2001 hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep is de verdachte bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 februari 2004 van het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 2 tweede subsidiair, 2 meer subsidiair, 2 meest subsidiair vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, gekwalificeerd als:

opzettelijke benadeling van de gezondheid terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van EUR 2.000,- (tweeduizend euro) bij gebreke van betaling te vervangen door hechtenis voor de tijd van 35 dagen.

Namens de verdachte is tegen voornoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 14 juni 2005 de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak naar dit gerechtshof verwezen teneinde de zaak wat betreft het onder 1 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij zijn arrest van 14 juni 2005 het vonnis waarvan beroep slechts aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof acht in het bijzonder niet bewezen dat de verdachte niet alleen de aanmerkelijke kans heeft genomen dat José [.] door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, maar deze kans op dat gevolg ook willens en wetens heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van september 1991 tot en met het jaar 1994 te Amsterdam, althans in Nederland, als macrobiotisch voedingsadviseur, (beroepshalve of bedrijfsmatig handelend) opzettelijk de gezondheid van J.L. heeft benadeeld door deze J.L, die lijdende was aan baarmoederhals kanker,

- niet of niet tijdig (actief) te verwijzen naar de reguliere gezondheidszorg

en

- te ontraden zich te laten behandelen door "allopatische" artsen

- aan de hand van haar ziektebeeld en/of klachten een macrobiotische oplossing aan te bieden

waardoor J.L. de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden ,

mede tengevolge waarvan die J.L. zwaarlichamelijk letsel te weten een (verdere) doorgroei en/of (verdere) uitzaai van een of meerdere kankergezwel(len) heeft bekomen;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van dit hof van 6, 8 en 13 maart 2006 zijn naar het oordeel van het hof de navolgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

a. Algemeen

De verdachte is sedert het begin van de jaren zeventig nauw betrokken bij de makrobiotiek, aanvankelijk als ondernemer, later (ook) als leraar en als consulent. Hij is oprichter en mede-directeur van het [Instituut].

In de visie van de verdachte biedt de makrobiotiek wegen om gezondheidsproblemen tot een oplossing te brengen, door consequent de juiste voeding te nemen en voedsel dat de gezondheid negatief beïnvloedt achterwege te laten.

De verdachte toont zich op dat punt in eerdere uitspraken als een overtuigd pleitbezorger van het genezend vermogen van de makrobiotiek, ook indien het om kanker gaat. Hoewel de verdachte thans de relatieve waarde van die eerdere uitspraken - die naar zijn zeggen vooral didactisch waren bedoeld - beklemtoont, heeft het hof er geen twijfel over dat de verdachte in de eerste helft van de jaren negentig die visie met kracht uitdroeg, ook in zijn contacten met degenen die destijds zijn hulp zochten. Evenzeer was hij overtuigd pleitbezorger van de gedachte dat kanker een positieve waardering toekomt als isolerende reactie van het lichaam op vergiften.

Vanuit die visie moet kanker alle ruimte krijgen en draagt allopatisch, "symptomatisch" ingrijpen door operatie, bestraling of chemotherapie aanmerkelijke risico's in zich dat het hele lichaam wordt "aangedaan". De verdachte waarschuwt tegen operaties. Hij stelt dat er bij een operatie sprake is van een blokkade van de meridianen en er bij een operatie behalve spieren en dergelijke ook meridianen, energiebanen dan wel zenuwbanen worden doorgesneden. Ook bloedtransfusies worden door hem negatief beoordeeld omdat men daarmee veelal het bloed van niet-makrobiotisch levende mensen krijgt, ten detrimente van de resultaten van de eigen gezondheidsinspanningen totdan. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hem in de periode 1991-1994 geen gevallen bekend waren van baarmoederhalskanker die alléén via de makrobiotiek waren genezen of waarin het kankergezwel was ingekapseld als gevolg van het eten van makrobiotische voeding.

b. José [.]

José [.] heeft zich sinds het begin van de jaren tachtig verdiept in de makrobiotische levenswijze, heeft onder meer bij de organisatie van de verdachte onderricht gevolgd en is daar als vrijwilligster werkzaam geweest.

Het lijdt geen twijfel dat zij reeds toen het makrobiotische gedachtengoed tot het hare heeft gemaakt, zij het dat zij in de dagelijkse praktijk daaraan niet consequent uitvoering heeft gegeven.

Bij José [.] hebben zich eind jaren tachtig de eerste voortekenen van mogelijke baarmoederhalskanker gemanifesteerd. Er is alle reden om aan te nemen dat haar reeds in die fase het makrobiotisch denken over het verband tussen (het tegengaan van) kanker en voeding, evenals de weerstand tegen een allopatische benadering van kanker, eigen was.

In september 1991 heeft José [.] zich tot haar huisarts gewend in verband met bloedingen en werd zij door deze doorgestuurd naar de gynaecoloog Weber; deze heeft haar onderzocht, een colposcopie gedaan en haar geadviseerd een conisatie te laten doen. Vrijwel gelijktijdig consulteerde zij de verdachte (het eerste consult). Naar 's hofs oordeel staat vast dat de verdachte haar toen de makrobiotische weg naar genezing aanwees, haar voorhield dat er "nog tijd" was alvorens het - in algemene zin negatief te beoordelen - allopatische traject in te gaan.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat, toen José [.] zich in september 1991 voor een eerste consult naar verdachte begaf, haar medische toestand weliswaar zorgelijk was, maar dat zij naar de heersende medische maatstaven een aanzienlijke genezingskans had, mits zij zich op korte termijn onder allopatische behandeling zou stellen en een conisatie zou ondergaan. Die conisatie zou behalve diagnostisch, mogelijk zelfs afdoende therapeutisch gewerkt kunnen hebben. José [.] heeft zich niet voor het ondergaan van een conisatie bij Weber teruggemeld.

De verdachte heeft steeds gesteld dat hij bij het eerste consult door José [.] niet op de hoogte was gesteld van haar actuele gynaecologische conditie (PAP5) en de stappen die zij allopatisch al had gezet.

Het hof hecht aan deze verklaring geen geloof omdat zij door twee getuigen, te weten [getuige1] en [getuige2], wordt weersproken en het hof het bovendien weinig plausibel acht dat José [.], die voor een aanzienlijk medisch probleem zijn hulp kwam zoeken, hem de noodzakelijke medische informatie zou hebben onthouden.

Terzijde beoordeelt het hof het als opmerkelijk dat de verdachte de door hem gegeven consulten aan een (ernstig) zieke cliënt, waarvan de draagwijdte derhalve niet kan worden onderschat, kennelijk niet adequaat schriftelijk vastlegde.

Ook de stelling van de verdachte dat hij José [.] naast adviezen in de sfeer van de makrobiotische benadering van genezing door een consequente voeding, ook heeft gewezen op het belang van contact met de reguliere artsen acht het hof ongeloofwaardig. Die stelling vindt weerlegging in de verklaringen van de getuigen [getuige1] en [getuige2]. Zo verklaart [getuige1] daarover dat de verdachte haar toen heeft meegedeeld "Er is tijd José. Je hoeft niet onmiddellijk geopereerd te worden. Houd je eerst goed aan de voorschriften." En: "Als je nu echt eens goed aanpakt, heb je over 3 of 4 maanden geen problemen meer." In een enige tijd later gevoerd telefoongesprek stelt een over deze gang van zaken verontruste [getuige1] de verdachte de vraag of deze ook niet eigenlijk vond dat José [.] het advies van de arts Weber moest volgen. "[voornaam verdachte]", aldus [getuige1], "zei: 'Nee, makrobiotiek geneest kanker. Lees het boekje van [Instituut] maar'. "

Voorts kan verdachtes laatstgenoemde stelling temeer als onaannemelijk worden aangemerkt, verklaringen van anderen, minder direct betrokkenen, ten spijt, indien men afgaat op de omstandigheid dat de door hem opgegeven benadering zich niet met de door hem in dat tijdsgewricht verkondigde makrobiotische standpunten verdraagt.

In juni 1992 heeft José [.] zich voor een 'second opinion' gewend tot het Nederlands Kanker Instituut/ Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Zij is daar door de gynaecoloog Aartsen en vervolgens door zijn naaste collega Helmerhorst onderzocht. Laatstgenoemde heeft haar in het verlengde van de door hem uitgevoerde colposcopie (wederom en) met grote klem geadviseerd een conisatie te laten uitvoeren, waarna zou kunnen worden bezien welke vervolgstappen aangewezen waren. Daarbij is niet alleen de optie van een eventueel later noodzakelijke baarmoederverwijderende operatie, maar ook de mogelijkheid van bestraling als eventuele volgende stap in de therapie aan de orde gesteld.

Bovendien heeft Helmerhorst beklemtoond welke (acuut) levensbedreigende situatie zou ontstaan indien geen verdere stap(pen) zou(den) worden ondernomen. Nochtans heeft José [.], die overigens door getuige Helmerhorst als depressief en labiel wordt omschreven, die verdere stap(pen) niet willen zetten. Vast is komen te staan dat (ongeveer) gelijktijdig met het tweede consult bij Aartsen José [.] de verdachte om advies heeft gevraagd (het tweede consult).

Er is alle reden om aan te nemen dat het consult bij Helmerhorst zeer kort (een week of twee) na het tweede consult van de verdachte heeft plaatsgevonden.

De verdachte zelf heeft over dat tweede consult verklaard José [.] een "heel strikt en gedisciplineerd voedingsadvies van 15 pagina's" te hebben gegeven, maar daarbij te hebben benadrukt "dat het haar niet zou lukken om zo strikt te eten, in verband met haar omgeving die haar niet steunde". De verdachte vervolgt deze mededeling met: "haar primaire angst was dat haar baarmoeder eruit gehaald zou worden. U vraagt mij of ik heb geprobeerd haar angst weg te nemen. Haar angst dat haar baarmoeder eruit moest vond ik zeer reëel". [getuige1] verklaart daarover van José [.] te hebben gehoord dat de verdachte haar bij die gelegenheid had gezegd "dat zij toch met haar dieet moest doorgaan, omdat dat zou werken mits zij zich er aan zou houden", welke verklaring onder andere wordt bevestigd door de getuige [getuige4].

In mei 1994 was de toestand van José [.] in aanmerkelijke mate verergerd en kreeg zij thuis een hevige bloeding. Op haar verzoek heeft [getuige1] toen telefonisch de verdachte benaderd. [getuige1] daarover:

" Die vroeg eerst hoeveel bloed José had verloren en zei vervolgens dat José een kondiment moest nemen (het hof begrijpt uit de verklaring van [getuige2] bij het hof Amsterdam: een "samentrekkend" mengsel van gomasio, sesamzaad en zout dat oraal wordt toegediend). Ik zei dat José naar een ziekenhuis moest. Hij zei dat dat niet het beste zou zijn en dat een kondiment zou helpen. Hij raadde af naar een ziekenhuis te gaan". Het kondiment werd diezelfde dag via de getuige [getuige2] toegediend. De verdachte verklaart daarover: "Het kondiment stopt alleen de bloeding maar lost het probleem niet op. De bloeding kan van alles betekenen, het kondiment is een puur symptomatische truc om het bloeden te stoppen".

In juli 1994 gaat José [.] naar een door het [Instituut] georganiseerde studieweek om daar "op krachten te komen". Zij verkeert dan in een deplorabele toestand. Zij krijgt aldaar onder auspiciën van de verdachte 24 uur per dag verzorging. De getuige [getuige3] verklaart daarover: "Ik zag José arriveren en schrok mij rot. Het was een wandelend lijk. Bloedend. Ik hoorde [voornaam verdachte] erover vloeken in de trant van: 'Wat moeten we hiermee aan?'". Enkele dagen later deelt [getuige1], in Baarn, de verdachte als zijn standpunt mee dat het duidelijk was dat de makrobiotiek niet hielp en dat José [.] liefst die dag nog 'naar het ziekenhuis' moest. De verdachte heeft ook toen op die suggestie negatief gereageerd.

Pas, na een per fax op 28 juli 1994 door [getuige1] verzonden "ultimatum", waarin deze dreigt met juridische stappen, adviseert de verdachte José [.] naar het ziekenhuis te gaan, waarna José [.] haar weerstand opgeeft en diezelfde dag onder begeleiding daar arriveert.

In het ziekenhuis te Utrecht krijgt zij dan een bloedtransfusie. Na advies van de gyneacoloog Planken wordt zij in september 1994 bestraald in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam. Voor een operatie is het dan te laat. Zij lijdt op dat moment aan een zware vorm van bloedarmoede, veroorzaakt door een tumor uitgaand van de baarmoederhals, die andere organen reeds had aangetast en de grootte had van een kleine bloemkool (stadium III). Na bloedtransfusie en bestraling treedt aanvankelijk herstel in. In 1997 wordt opnieuw dezelfde ziekte geconstateerd en in augustus 1998 overlijdt José [.].

Beoordeling

De raadsvrouw heeft bij pleidooi aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat gebleken is dat José [.] in genen dele ontvankelijk was voor adviezen van wie dan ook zodra die erop neerkwamen dat zij zich (ook) diende te onderwerpen aan reguliere medische behandeling en dat haar angst voor medische ingrepen (operaties) overwegend bepalend is geweest voor haar keuze zich niet regulier medisch te laten behandelen en derhalve niet verdachtes handelen of nalaten. De door de raadsvrouw aan de orde gestelde kwestie betreft met name de vraag of José [.] haar verzet tegen een regulier medische behandeling zou hebben opgegeven indien de verdachte haar eerder dan hij uiteindelijk deed in die richting had geadviseerd, in plaats van dat na te laten en haar (telkens) een makrobiotische oplossing aan te bieden.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Uit het dossier blijkt enerzijds dat José [.] zich bij een aantal gelegenheden onverzettelijk heeft opgesteld toen zij het advies kreeg zich aan regulier medische behandeling te onderwerpen, dan wel daarmee door te gaan. Deze houding werd kennelijk ingegeven door haar weerstand tegen/angst voor operaties in het algemeen maar ook, in een later stadium, door de vrees haar baarmoeder en daarmee haar seksuele aantrekkingskracht te verliezen. Anderzijds bevatten de bewijsmiddelen voldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat die onverzettelijkheid slechts schijn was en dat José [.], moeder van drie kinderen, in feite was bevangen door grote twijfel over wat haar te doen stond. Zo zegt bijvoorbeeld [getuige1]: "De ene dag zei ze 'Ik denk dat ik het maar doe' (operatie) en de andere dag: 'Ik denk dat ik eerst maar [voornaam verdachte] consulteer'" en [getuige4]: "José vertelde dat het slecht met haar ging (mij staat er iets van bij dat ze zei dat ze PAP 5 had) en dat ze eigenlijk geopereerd moest worden. Ze zat daarover heel erg te dubben". De wankelmoedigheid van José [.] wordt bevestigd door het nagenoeg in de tijd samenvallen van de consulten in de periode 1991/1992 bij een aantal medici onderscheidenlijk de verdachte, zoals hierboven reeds aangegeven. Het vermoeden is daardoor alleszins gewettigd dat zij in haar aarzeling zich te onderwerpen aan (verdergaande) medische ingrepen telkens de verdachte raadpleegde om te verifiëren of er voor haar geen gemakkelijker te aanvaarden alternatieven waren die tot haar genezing konden leiden.

In genoemde periode blijkt tot tweemaal toe dat zij wel bereid is zich te laten diagnosticeren, tot en met het ondergaan van een colposcopie, maar dat kennelijk haar vrees voor "operaties" haar belet zich te onderwerpen aan conisatie. De verdachte heeft bij beide gelegenheden haar een makrobiotische oplossing aangeboden en volstaan met de mededeling dat er nog kon worden gewacht met voortgaan in het reguliere medische traject. Aldus heeft hij, tegen beter weten in, José [.]'s hoop bevestigd dat zij alleen langs makrobiotische weg genezing zou kunnen vinden. Daarbij kan worden vastgesteld dat de verdachte José [.] bij het tweede consult in 1992 actief heeft gestijfd in haar angst voor regulier medische ingrepen. Waar de eerstvolgende door de medici aanbevolen stap nog slechts een relatief kleine ingreep (conisatie) behelsde, is hij haar bijgevallen in de stellingname dat iemand reeds bij een dergelijke ingreep de reële kans loopt de baarmoeder te verliezen.

Ruim twee jaar later, wanneer José [.] in een manifest slechte toestand verkeert, is de verdachte aanvankelijk nog steeds niet van zins zijn invloed op José [.] aan te wenden zodat zij zich onder medische behandeling stelt. Eerst na het "ultimatum" van [getuige1] gaat hij daartoe over met het gevolg dat José [.] haar verzet opgeeft. De verdachte had, zoals uit het bovenstaande blijkt maar ook door de getuigen [getuige1], [getuige5] en [getuige2] wordt bevestigd, een bijzondere invloed op José [.]. Ter terechtzitting bij dit hof heeft hij verklaard dat hij zich destijds realiseerde dat zij met hem "dweepte".

De verdachte had al vóór het eerste consult het vermoeden dat José [.] gezondheidsproblemen had, maar vanaf dat consult wist verdachte dat er bij haar sprake was van "waarschijnlijk" baarmoeder(hals)kanker. Hij was ook op de hoogte van haar grote angst voor medische ingrepen alsmede van het feit dat zij een groot vertrouwen in hem stelde en verwachtte dat hij haar zou kunnen genezen.

Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt het hof vast, zoals ook het hof Amsterdam reeds daaromtrent heeft overwogen, dat verdachte van meet af aan jegens José [.] een bijzondere zorgplicht had, die ten minste met zich had meegebracht dat hij minder zijn weerstand tegen de reguliere geneeskunst had geëtaleerd en haar beter had geïnformeerd over de mogelijkheden en de onmogelijkheden van de makrobiotiek en het feit dat geen enkel wetenschappelijk onderzoek had bevestigd dat makrobiotiek baarmoederhalskanker kon genezen of inkapselen.

Zou verdachte aldus gehandeld hebben dan zou José [.] op grond van reële informatie een afgewogen beslissing hebben kunnen nemen.

Verdachte heeft daarentegen José [.] met voorbijgaan aan deze zorgplicht, en inspelend op haar angst, gesterkt in haar opvatting dat een operatie een gevaar voor haar zou opleveren en (in 1991) expliciet gezegd dat er nog (voldoende) tijd was (alvorens het advies van de gynaecoloog te volgen). Daarbij heeft hij haar een makrobiotisch dieet geadviseerd en haar verteld dat dit zou helpen, mits zij zich daar strikt aan zou houden.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat José [.] diverse andere alternatieve genezers heeft geconsulteerd en dat dus niet kan worden bewezen dat de verdachte in overwegende mate invloed had op José [.]. Het hof verwerpt dit verweer nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat, hoewel José [.] zich voor advies ook tot anderen heeft gewend, zij zich op cruciale momenten tot de verdachte wendde.

Bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het, anders dan door de raadsvrouw betoogd, wel degelijk in overwegende mate de verdachte is geweest die - welbewust - José [.] zodanig heeft beïnvloed dat haar daardoor de benodigde reguliere medische zorg is onthouden.

Zoals hierboven vermeld blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte wetenschap had dat:

- de aandoening van José [.] potentieel levensbedreigend was,

- conisatie volgens de reguliere geneeskunde tenminste noodzakelijk was om herstel te bewerkstelligen,

- de ziekte van José [.] op een gegeven moment een ernstig stadium had bereikt,

- zij een grote angst had voor doktoren, ziekenhuizen en operaties,

- José [.] een groot vertrouwen in hem stelde en verwachtte dat hij haar zou kunnen redden, en

- verdachte uit wetenschappelijk onderzoek geen gevallen bekend waren van baarmoederhalskanker die uitsluitend door de makrobiotiek waren genezen of waarin het kankergezwel was ingekapseld.

Door onder deze omstandigheden haar niettemin te blijven adviseren en stimuleren met slechts een makrobiotisch dieet door te gaan en haar niet uitdrukkelijk op de onmogelijkheden c.q. beperkte mogelijkheden van de makrobiotiek te wijzen en haar niet naar haar arts dan wel het ziekenhuis te verwijzen en haar angst voor een reguliere medische behandeling te blijven voeden door te wijzen op de gevaren daarvan, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat José [.] zich niet tijdig ter behandeling zou wenden tot haar arts of het ziekenhuis, hetgeen zij inderdaad niet heeft gedaan, met als - hem, verdachte, redelijkerwijs toe te rekenen gevolg - een aanmerkelijke verergering van haar ziektebeeld en vermindering van haar kansen op herstel, een en ander als bovenomschreven. Dit kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als het opzettelijk benadelen van de gezondheid zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke benadeling van de gezondheid terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft beroepsmatig handelend de gezondheid van José [.], die zich tot hem wendde voor advies nadat bij haar een beginstadium van baarmoederhalskanker was geconstateerd, opzettelijk benadeeld. De verdachte heeft José [.], jegens wie hij een bijzondere zorgplicht had, geruime tijd voorgehouden dat zij kon wachten met het voortgaan in het regulier medische traject en haar niet naar een arts dan wel een ziekenhuis verwezen. Bovendien werd door toedoen van de verdachte, die waarschuwde voor de gevolgen van regulier medisch ingrijpen, de angst van José [.] bevestigd en aangewakkerd. Voorts heeft de verdachte José [.] bij herhaling een makrobiotische oplossing aangeboden, en bij haar daarmee de illusie gewekt dat haar aldus een gelijkwaardige kans op genezing werd geboden. (Mede) ten gevolge van verdachtes handelen is José [.], als vorenomschreven, de noodzakelijke medische hulp onthouden, tengevolge waarvan haar ziekte in aanzienlijke mate is verergerd. Deze gedragingen van de verdachte alsmede het feit dat hij ter zitting ervan heeft blijk gegeven het laakbare van zijn handelen niet in te zien, zulks terwijl hij nog steeds in dezelfde beroepsmatige hoedanigheid werkzaam is, rekent het hof de verdachte zwaar aan.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf op zichzelf een passende reactie zou vormen.

Het hof ziet - anders dan de advocaat-generaal - in de lange duur van de procedure, de aandacht van de media en de nadelige gevolgen die de verdachte en zijn gezinsleden daarvan hebben ondervonden, aanleiding de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c (oud) en 300(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof rechtdoende na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Oosterhof, mr. G.P.A. Aler en mr. F. Heemskerk,

in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 maart 2006.