Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV5280

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
04/696 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Wet op de jeugdhulpverlening. Regeling vergoeding pleeggezinnen. Toekenning specifieke vergoedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 maart 2006

Rolnummer: 04/696 KG

Rolnummer rechtbank: KG 04/185

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministeries van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

appellant in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. C.M. Bitter,

tegen

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

beiden zowel voor zichzelf als in hun hoedanigheid van voogd van

de minderjarigen:

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],

5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5],

6. [GEÏNTIMEERDE SUB 6],

7. [GEÏNTIMEERDE SUB 7],

allen wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal appèl,

appellanten in het incidenteel appèl,

hierna te noemen: respectievelijk [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2],

[geïntimeerde sub 3], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5], [geïntimeerde

sub 6] en [geïntimeerde sub 7]; geïntimeerden sub 3 tot en met sub 7

gezamenlijk ook: de minderjarigen,

procureur: mr. W. Taekema.

Het geding

Bij exploten van 21 april 2004 is de Staat in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 maart 2004, door de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Gra-ven-hage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft de Staat vijf grieven opgeworpen, die door [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen bij memo-rie van antwoord in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep (met producties) zijn bestreden. [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen wierpen hierbij hunnerzijds twee grieven op, die door de Staat bij incidentele memorie van antwoord zijn bestreden. Partijen hebben vervolgens de zaak doen bepleiten, de Staat door zijn procureur en [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen door mr. J.M. van den Berg, advocaat te Amsterdam, beiden overeenkomstig aan het hof overhandigde pleitnota’s. Na afloop der pleidooien hebben partijen, de Staat onder overlegging van zijn procesdossier, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

In het incidenteel appèl:

1. Ter gelegenheid van de pleidooien op 13 februari 2006 hebben [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen een wijziging -door hen als precisering en actualisering aangeduid- in hun vordering aangebracht. De Staat verzet zich tegen deze wijziging van eis en voerde hier ter gelegenheid van de pleidooien toe aan dat een wijziging van eis in dit stadium van het geding in strijd met een goede procesorde is. Het hof deelt deze stellingname van de Staat en zal derhalve recht doen op de eis zoals geformuleerd in de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep.

In het principaal appèl:

2. Grief 1 is gericht tegen rechtsoverweging 1.4 in het vonnis waarvan beroep en strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte als vaststaand feit aanneemt dat pleegouders specifieke vergoedingen, met name kosten als school-geld, leermiddelen, reiskosten ten behoeve van onderwijs en bijzondere medische kosten, kunnen declareren bij de voogdij-instelling die de voogdij heeft over hun pleegkind. De Staat stelt zich ter toelichting op deze grief, samengevat, op het standpunt dat het antwoord op de vraag of pleegouders dergelijke kosten bij de voogdij-instelling kunnen declareren (en ook vergoed krijgen) afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, van de (inzichten en beschikbare midde-len van de) betreffende voogdij-instelling, en overigens van andere bestaande regelingen, zoals gemeentelijke regelingen die voorzien in de vergoeding van bepaalde bijzondere kosten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

2.1 De grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis. In rechtsoverweging 4.1 heeft de voorzieningenrechter (slechts) vastgesteld dat aan pleegouders, naast het basisbedrag voor de verzorging en opvoeding, op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval toeslagen (specifieke vergoedingen) kunnen worden toegekend, dat deze vergoedingen eveneens zijn uitgewerkt in de Regeling vergoedingen pleeggezinnen en dat pleegouders deze kosten kunnen declareren bij de voogdij-instelling die de voogdij heeft over hun pleeg-kind. Hierin valt niet te lezen dat de voorzieningenrechter er van zou zijn uitge-gaan dat het antwoord op de vraag of pleegouders door hen aangevraagde vergoedingen, dan wel gedeclareerde bijzondere kosten, ook daadwerkelijk (van de kant van de betreffende voogdij-instelling betaald) krijgen, onafhankelijk is van de omstandigheden van geval, de inzichten en beschikbare middelen van de betreffende voogdij-instelling en het bestaan van andere regelingen. De grief faalt.

In het principaal en incidenteel appèl voorts:

3. Nu de in het principaal appèl tegen de vaststelling van de feiten opgeworpen grief faalt en in het incidenteel appèl geen bezwaar tegen de vaststelling van de feiten is gemaakt, neemt ook het hof hetgeen de voorzieningenrechter in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.11 -rechtsoverweging 1.12 betreft een vaststelling aangaande een thans niet meer in het geding zijnde partij- als vaststaand heeft aangenomen tot uitgangspunt.

4. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

4.1 Voogdij-instellingen werden tot 1 januari 2005, op welke datum de Wet op de Jeugdzorg in werking trad, door de minister van Justitie op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening, verder de Wjhv, (en uitvoeringsregelgeving) gesubsi-dieerd. Subsidiëring geschiedde op basis van normbedragen. Sinds 1 januari 2005 worden de stichtingen die een Bureau Jeugdzorg in stand houden voor hun wettelijke taken, waarvan er één de taak is die voorheen door de voogdij-instellingen werd uitgevoerd, onder het regime van de Wet op de Jeugdzorg door de provincies gefinancierd. De provincies ontvangen voor hun taken doeluit-keringen van de ministeries van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verder: VWS), enerzijds voor de Bureaus Jeugdzorg en anderzijds voor de voorzieningen voor pleegzorg. De bekostigings-systematiek onder het regime van de Wet op de Jeugdzorg is eveneens norma-tief. In het navolgende zal allereerst van het regime van de Wjhv worden uitge-gaan.

4.2 Wanneer een zogeheten pleegcontract is gesloten en overigens is voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wjhv, ontvangt een pleeggezin subsidie voor de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind. Deze -in de Regeling vergoeding pleeggezinnen geregelde- pleegouder-vergoeding betreft een genormeerde onkostenvergoeding, waarvan de hoogte varieert met de leeftijd van de minderjarige, en is bedoeld voor alledaagse kosten van verzorging en opvoeding.

4.3 Naast vorenbedoelde basisvergoeding voor de verzorging en opvoeding kunnen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval toeslagen (verder: specifieke vergoedingen) worden toegekend. Deze vergoedingen zijn eveneens in de Regeling vergoeding pleeggezinnen uitgewerkt. Het gaat met name om kosten als schoolgeld, leermiddelen, reiskosten ten behoeve van onderwijs en bijzondere medische kosten. Pleegouders kunnen deze kosten declareren bij de voogdij-instelling die de voogdij heeft over hun pleegkind.

4.4 Ter zake van ziektekosten zijn voogdij-instellingen verplicht voor onder hun voogdij staande minderjarigen een overeenkomst met zorgverzekeraar VGZ af te sluiten. In het kader van hun subsidiëring ontvangen de voogdij-instellingen een normbedrag voor ziektekosten voor onder hun voogdij staande minderjarigen, waaruit zij de ziektekosten moeten voldoen.

4.5 De minderjarigen zijn in het kader van de justitiële kinderbescherming in het pleeggezin van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], die met elkaar gehuwd zijn, geplaatst. Zij worden in dit pleeggezin samen met nog twee andere pleegkinderen opgevoed.

4.6 [geïntimeerde sub 2] heeft sinds 5 september 2000 de voogdij over [geïntimeerde sub 4] en sinds 29 oktober 1997 de voogdij over [geïntimeerde

sub 5] van de voogdij-instelling overgenomen. [geïntimeerde sub 1] heeft sinds 18 september 1998 de voogdij over [geïntimeerde sub 3], sinds 6 januari 1999 over [geïntimeerde sub 6] en sinds 12 november 2003 over [geïntimeerde sub 7].

4.7 Sinds 1 mei 2001 komt een pleegouder-voogd in aanmerking voor een basisvergoeding. De desbetreffende regeling voorziet tevens in een toelage voor gehandicapte kinderen en in een bijdrage voor de ziektekosten.

4.8 Sedert het moment dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tot voogd over de minderjarigen zijn benoemd, ontvangen zij voor deze pleegkinderen, naast de in rechtsoverweging 4.7 bedoelde basisvergoeding, geen bijzondere vergoedingen meer van de voogdij-instelling en kunnen zij niet langer gebruik maken van de bijzondere VGZ-regeling. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] corresponderen hierover al een aantal jaren met de ministers van Justitie en van VWS.

4.9 Bij brief van 4 maart 2004 heeft de staatssecretaris van VWS aan de advocaat van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen meegedeeld dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op grond van artikel 3 van de Regeling vergoeding pleeggezinnen een beroep kunnen doen op de tegemoetkoming in de premie voor een ziektekostenverzekering van ten hoogste € 45,38 per maand per kind.

In het principaal appèl voorts:

5.1 In eerste aanleg vorderden [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen, kort gezegd, de Staat te bevelen ten behoeve van de minderjarigen een ziektekostenverze-kering te (doen) sluiten en gesloten te houden, alsmede om de Staat te veroor-delen om aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bij wijze van voorschot op toekomstige onkosten en bij wijze van voorschot wegens in het verleden ten onrechte niet verstrekte vergoedingen, ten behoeve van de minderjarigen een bedrag van € 15.000,00 te betalen.

5.2 [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen voerden hiertoe, eveneens kort gezegd en onder meer, aan dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt door aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], als pleegouder-voogd, slechts de basisvergoeding te verstrekken en niet tevens een specifieke vergoeding voor schoolgeld, leermiddelen, ziekte-kostenverzekering en dergelijke. Zij stelden zich hierbij op het standpunt dat uit artikel 8 EVRM voortvloeit dat de Staat, indien hij krachtens een justitiële kinder-beschermingsmaatregel een voogd aanstelt over een pleegkind om het te ver-zorgen en op te voeden, aan die voogd (voor wie geen onderhoudsplicht geldt) voldoende middelen ter beschikking stelt om een adequate verzorging en opvoeding van het kind mogelijk te maken en te garanderen.

5.3 De voorzieningenrechter wees het gevorderde bevel aan de Staat om een ziektekostenverzekering af te sluiten af. De gevorderde veroordeling tot betaling van een voorschot werd tot een bedrag van € 10.000,00 toegewezen. Met be-trekking tot dit laatste overwoog de voorzieningenrechter, kort gezegd, dat de Staat tegenover het gedocumenteerde betoog van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] onvoldoen-de aannemelijk heeft gemaakt dat de tot dusver door hen gedragen bijzondere kosten langs andere weg geheel of goeddeels (hadden) kunnen worden vergoed alsmede dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] (daardoor) niet in staat gesteld worden de minder-jarigen in financieel opzicht op adequate wijze te verzorgen, zodat de Staat, die in casu de eindverantwoordelijkheid voor de onderhoudskosten van de minder-jarigen draagt, niet aan de op hem rustende onderhoudsplicht voldoet.

6.1 Met grief 2 betoogt de Staat dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat alleen aan de onderhoudsplicht wordt voldaan indien de vergoedingen die [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van de voogdij-instelling vergoed kregen toen deze nog de voogdij over de minderjarigen had, ook (goeddeels) worden betaald na overname van de voogdij door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]. Ter toe-lichting voert de Staat, samengevat, aan dat het aan de voogdij-instellingen is overgelaten hoe zij hun budget aanwenden, dat de voogdij-instellingen over een (door schenkingen van derden gevoed) fonds beschikken waaruit zij bepaalde extra (bijzondere) kosten voor pleegkinderen vergoeden, alsmede dat met het voorzieningenstelsel in Nederland (waarop door pleegoudervoogden zelfstandig een beroep moet worden gedaan) -zoals de AWBZ-zorg, de Regeling Tegemoet-koming Onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen en (als vang-net) de Algemene bijstandswet- een voldoende invulling aan de onderhouds-plicht wordt gegeven.

6.2 Grief 4 strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte geoor-deeld heeft dat de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gestelde kosten reële (bijzondere) kosten betreffen die zij ten behoeve van de minderjarigen gemaakt hebben of zullen maken en waarvan de hoogte door de Staat niet (voldoende) weersproken is. Voorts stelt de Staat zich in de toelichting op deze grief op het standpunt dat een deel van de opgevoerde kosten posten betreft waarin door de AWBZ dan wel een andere regeling wordt voorzien en waarvoor, in geval vergoeding zou zijn of worden geweigerd, de in de Awb neergelegde rechtsmiddelen (hadden) kunnen worden aangewend.

6.3 Het hof zal de grieven 2 en 4 gezamenlijk behandelen en overweegt hieromtrent als volgt.

6.4 Niet in discussie is dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] jegens hun respectievelijke pleeg-kinderen over wie zij voogd zijn, niet onderhoudsplichtig zijn, alsmede dat op de Staat de verplichting rust te waarborgen dat in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen wordt voorzien. Dit houdt in dat op de Staat, bij gebreke van enige andere jegens de minderjarigen onderhoudsplichtige, de verplichting rust [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als pleegouder-voogd ook in financieel opzicht in staat te stellen de minderjarigen adequaat te verzorgen en op te voeden. Vast staat voorts dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] sinds het moment dat zij tot voogd over hun respectieve-lijke pleegkinderen zijn benoemd naast de basisvergoeding geen bijzondere vergoeding van de voogdij-instelling meer ontvangen, dat zij niet langer gebruik kunnen maken van de bijzondere VGZ-regeling alsmede dat zij eerst bij brief van 4 maart 2004 van de staatssecretaris van VWS vernomen hebben dat zij een beroep kunnen doen op tegemoetkoming in de premie voor een ziektekosten-verze-ke-ring. Ook staat vast dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] sinds het moment dat zij voogd over hun respectievelijk pleegkinderen zijn geworden, daadwerkelijk kosten voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen hebben gemaakt die zij voor-dien van de voogdij-instelling vergoed plachten te krijgen.

6.4.1 De Staat heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat de in de vorige volzin bedoelde kosten aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] door gebruikmaking van het Nederlandse voorzieningen-stelsel vergoed (hadden) kunnen worden. Het hof verenigt zich dan ook met het oor-deel van de voorzieningenrechter dat de Staat tegenover het gedocumenteer-de betoog van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gedragen kosten langs andere weg geheel of goeddeels (hadden) kunnen worden vergoed. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat (de procureur van) de Staat ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep, desgevraagd, heeft verklaard dat de stelling van de Staat dat de Algemene bijstandswet als vangnet fungeert aldus dient te worden begrepen dat deze wet niet omdat het om de kosten van het bestaan van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gaat als vangnet functioneert, doch omdat het om de kosten van bestaan, respectievelijk verzorging en opvoeding, van de minderjarigen gaat, zodat het, zo begrijpt het hof, om een recht op bijstand van de minderjarigen gaat. Zonder nadere toelichting, die (ook in de gedingstukken van de Staat) ontbreekt, kan in het licht van het navolgende niet worden ingezien dat de Algemene Bijstandswet in casu daadwerkelijk en effectief als vangnet functioneert. Artikel 9, lid 1, aanhef en onder e, van de Algemene bijstandswet bepaalt dat degene die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand heeft (hetzelfde geldt thans materieel ingevolge artikel 20 van de Wet werk en bijstand), terwijl artikel 11, lid 1 van die wet (slechts) bepaalt dat aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, door burgemeester en wethouders, gelet op alle omstandig-heden, bijstand verleend kan worden indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. (Cursiveringen hof). Voorts vermeldt de (mede namens de staatssecretaris van VWS geschreven) brief van 30 maart 1998 van de staats-secretaris van Justitie aan de burge-meester van de gemeente Haarlemmermeer onder meer: “(…) Uit compassie met de bijzondere omstandigheden waarin zich uw inwoners de heren [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] met de aan hun zorgen toevertrouwde kinderen bevinden, heeft me-vrouw Terpstra u gevraagd als gemeente de helpende hand te bieden. Zoals zij ook al in het telefoongesprek vaststelde, kunnen wij uiteraard niet treden in de eigen bevoegdheden van de gemeente, (…). Daarin traden wij niet en willen uiteraard ook niet treden. Onze gemeenschappelijke conclusie van dit moment is dat het niet op elkaar aansluiten van de financiële regiems van de pleegzorg en de voogdij, waar wij als rijksoverheid primair voor verantwoordelijk zijn, mogelijk de belangrijkste factor vormt van het bijzondere geval dat hierbij aan de orde is. (…) Wij zoeken naar een structurele oplossing van het principiële vraagstuk. (…)”.

Uit de inhoud van deze brief leidt het hof af, dat ook in de optiek van de Staat zelf in 1998 het voorzieningenstelsel in Nederland niet zodanig was ingericht dat de Staat, die jegens de minderjarigen zoals gezegd onderhoudsplichtig is, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ook financieel in staat stelde de minderjarigen adequaat te verzorgen en op te voeden. Ook leidt het hof uit de inhoud van voormelde brief af, dat de Staat zich in 1998 op het standpunt stelde dat hij ter voldoening aan zijn onderhoudsplicht [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] afhankelijk deed zijn van een regeling, de door de gemeente Haarlemmermeer uit te voeren Algemene bijstandswet, in de uitvoering en toepassing waarvan hij zelf niet kon en wilde treden. Uit hetgeen de Staat met betrekking tot het voorzieningenstelsel in Nederland gesteld heeft volgt niet -ook niet wanneer acht geslagen wordt op het feit dat in 2001 een pleegvergoeding voor pleegouder-voogden beschikbaar is gekomen- dat sedert maart 1998 zodanige wijzigingen zijn doorgevoerd dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] (thans) door de Staat in financieel opzicht in staat worden gesteld de minderjarigen adequaat te verzorgen en op te voeden. Dezelfde conclusie kan getrokken worden indien in plaats van het stelsel van Wjhv wordt uitgegaan van het stelsel van de Wet op de Jeugdzorg.

6.4.2 Dat het aan de voogdij-instellingen is, respectievelijk was, overgelaten hoe zij hun budget aanwenden, respectievelijk dat voogdij-instellingen ook over van derden afkomstige fondsen beschikken, verklaart, nu gesteld noch gebleken is dat het bij de kosten die [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], vóórdat zij voogd over de minderja-rigen werden, van de voogdij-instelling vergoed plachten te krijgen om “luxe” uitgaven ging, niet waarom zij jegens de Staat als onderhoudsplichtige, na benoeming tot voogd, geen aanspraak meer zouden hebben op vergoeding van de speci-fieke kosten die zij voordien van de voogdij-instelling vergoed plachten te krij-gen. Dat de voogdij-instelling -naar het hof uit de stellingname van de Staat begrijpt: mede ter bekostiging van specifieke uitgaven- ook over van derden afkomstige fondsen beschikt, is, nu er van kan worden uitgegaan dat de uitgaven die [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] vergoed plachten te krijgen niet “luxe” waren, veeleer een indicatie dat de Staat, hoewel onderhoudsplichtig, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] voor de bekostiging van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen mede van derden, niet onder-houds-plichtigen, afhankelijk deed zijn.

6.4.3 Met betrekking tot de hoogte van het door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevorderde voorschot overweegt het hof dat, op grond van de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in eerste aanleg en in hoger beroep in het geding gebrachte producties en de daar op gegeven toelichtingen, voorshands voldoende aannemelijk is dat zij tot een be-drag van € 10.000,00 reële specifieke uitgaven ten behoeve van de minderja-rigen hebben gedaan, waarvoor voor hen geen toegankelijke wijzen van bekosti-ging beschikbaar waren.

6.5 Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, houdt in dat de grieven 2 en 4 vergeefs zijn voorgedragen. Hetgeen de Staat overigens nog ter toelichting heeft aangevoerd, zoals de stelling dat de Staat buiten het wettelijk stelsel van de Whjv geen controle kan uitoefenen, leidt, met name in het licht van de op de Staat jegens de onderhavige minderjarigen rustende onderhoudsplicht, niet tot een ander oordeel.

7. Grief 3 strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat een beslissing om de voogdij van een voogdij-instelling over te nemen in hoge mate in het belang van de minderjarige kan zijn en dat in dit kort geding geen omstandigheden naar voren zijn gekomen waardoor dit hier anders zou liggen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

7.1 Het hof verenigt zich met het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in dit geding (voorshands) alleszins aannemelijk hebben gemaakt dat hun keuze om de voogdij aan te vragen, respectievelijk over te nemen, bepaald in het belang van de minderjarigen was. Bij deze grief heeft de Staat overigens geen belang, nu de door de Staat aangevallen overweging van de voorzieningenrechter een redenering betreft met als conclusie dat er geen rechtsgrond is om voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] vanaf het moment van overname van de voogdij een financiële zorgplicht aan te nemen. Tussen partijen is evenwel niet in discussie dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet onderhoudsplichtig zijn. De grief kan de Staat derhalve niet baten.

8. Grief 5 heeft ten opzichte van de overige grieven geen zelfstandige betekenis en deelt derhalve het lot daarvan.

9. De slotsom in het principale appèl is dat alle grieven vergeefs zijn voorgedragen. Zoals hierna bij de verdere beoordeling van het incidentele appèl nog zal blijken gaat een beoordeling van de vraag of, en tot welk bedrag, een vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van toekomstige specifieke uitgaven toewijsbaar is, het bestek van een geding als het onderhavige te buiten. Het hof leest het dictum in het vonnis derhalve aldus dat daarin de woorden “of te maken” geschrapt zijn. Het hof zal het dictum, mede gelet op het feit dat de Staat reeds aan het vonnis voldaan heeft en het achterwege laten van schrappen van voormelde woorden niet tot executiegeschillen kan leiden, om praktische redenen in stand laten. Een en ander betekent dat het vonnis bekrachtigd zal worden en dat de vordering van de Staat tot terugbetaling afgewezen wordt. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van de Staat.

In het incidenteel appèl voorts:

10. Met grief 1 komen [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen op tegen, kort ge-zegd, het oordeel van de voorzieningenrechter dat er reden is voor een beper-king van de vergoeding, nu het hier een voorlopige maatregel betreft en voor onderdelen van het gevorderde terughoudend past. [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de min-der-jarigen stellen zich, eveneens kort gezegd, op het standpunt dat voor de aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] toekomende vergoeding voor specifieke uitgaven aansluiting gezocht moet worden bij de zogeheten normbedragen. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

10.1 Aan [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen kan worden toegegeven dat, indien zich voor de minderjarigen specifieke uitgaven aandienen voor behandelingen, diensten of middelen, waarvan de vergoeding niet in een voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] toegankelijke regeling voorzien is, de Staat alsdan, als onderhoudsplichtige van de minderjarigen, de daarmee gemoeide kosten voor zijn rekening dient te ne-men. Het antwoord op de vraag of, en in welke mate, zich (in de toekomst) der-gelijke uitgaven (zullen) voordoen, vereist nader onderzoek naar de specifieke omstandigheden van de minderjarigen, de aard van de voor een adequate ver-zorging en opvoeding te verwachten geïndiceerde behandelingen, diensten of middelen, alsmede naar de vergoedingssystematiek van het Nederlandse voorzieningenstelsel. Een dergelijk onderzoek gaat het bestek van een geding als het onderhavige evenwel te buiten. De grief baat [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de min-derjarigen derhalve niet.

11. Grief 2 strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte geoor-deeld heeft dat een bevel aan de Staat om een ziektekostenverzekering ten behoeve van de minderjarigen af te sluiten, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

11.1 Ook deze grief baat [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen niet, reeds omdat, naar voorshands mag worden aangenomen, met de wijziging per 1 januari 2006 van het wettelijk stelsel van verzekering tegen ziektekosten, per die datum voorzien is in een gratis basisverzekering voor de minderjarigen.

12. De slotsom in het incidenteel appèl is, dat het vergeefs is voorgedragen. Dit brengt mee dat de kosten ten laste van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen komen.

Beslissing

Het hof:

In het principaal appèl:

-bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen tussen partijen;

-wijst de door de Staat gevorderde veroordeling tot terugbetaling af;

-veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen bepaald op € 450,00 voor griffierecht en op € 2.682,00 voor salaris van de procureur;

-verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In het incidenteel appèl:

-verwerpt het beroep;

-veroordeelt [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de minderjarigen in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat bepaald op € 1.341,00 voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.V. van den Berg en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2006 in aanwezigheid van de griffier.