Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV5198

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
2200413105
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8466
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA7924, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7924
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijswijkse stoeptegelmoord: 5 jaar gevangenisstraf

Vrijspraak poging tot moord op de vrachtwagenchauffeur:

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof acht bewezen dat de medeverdachte Van G. de zak met puin alleen heeft gegooid. Nu de verdachte in deze geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, dient te worden bezien of sprake is van feiten of omstandigheden waaruit niettemin moet worden geconcludeerd dat met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde een zodanig nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en Van G. heeft bestaan dat sprake is van medeplegen door de verdachte.

Het hof is van oordeel dat zodanige feiten of omstandigheden onvoldoende zijn komen vast te staan. Met name is niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het gooien van de zak met puin daarover in instemmende zin met Van G. heeft gesproken dan wel anderszins heeft gecommuniceerd.

Voorwaardelijk opzet:

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn mededader opzettelijk vanaf een over een snelweg gelegen viaduct min of meer zware stukken steen hebben laten vallen, en wel bewust op het moment dat een op die snelweg rijdende auto zich (zeer) dicht bij dat viaduct bevond. Van algemene bekendheid is dat een dergelijk handelen een aanmerkelijke kans schept op het ontstaan van dodelijk letsel bij inzittenden van die auto. Bij gebrek aan contra-indicatie op dit punt is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte – evenals zijn mededader – zich van die kans bewust is geweest en het ontstaan van dodelijk letsel als gevolg van dat handelen heeft aanvaard. Derhalve is verdachtes opzet in voorwaardelijke zin gericht geweest op de dood van het slachtoffer.

Toepasselijk sanctierecht

De raadsman heeft verzocht om toepassing van artikel 77c van het wetboek van Strafrecht. Het hof wijst dit verzoek af omdat in de rapportages met betrekking tot de persoon van verdachte onvoldoende reden is te vinden voor een dergelijke toepassing, terwijl de ernst van het bewezenverklaarde feit een contra-indicatie op dit punt vormt.

Strafmotivering

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op de wijze zoals hiervoor is bewezen verklaard. Verdachte en zijn mededader hebben zo doende aan het slachtoffer het leven ontnomen en onherstelbaar leed aan haar nabestaanden toegebracht. Bovendien heeft het feit in brede kring gevoelens van ontzetting en onveiligheid teweeggebracht. De buitengewone ernst van dit feit spreekt voor zich en behoeft geen nader betoog.

Niettemin komt het hof tot oplegging van een lagere straf dan in het algemeen voor moord gebruikelijk is. Het hof overweegt hierover het volgende. Hoewel verdachtes handelen wettelijk moet worden gekwalificeerd als het medeplegen van moord valt anderzijds niet te loochenen dat dit delict zich hier in een a-typische verschijningsvorm voordoet. Levensberoving was niet het doel dat verdachte beoogde. Wel heeft verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarvan de dood van een ander het gevolg zou zijn, maar dit gedrag moet als van een beduidend minder crimineel gehalte worden beschouwd dan meestal bij moord het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004131-05

Parketnummer: 09-900066-05

Datum uitspraak: 16 maart 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 29 juni 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Davy Maurice V[.]

thans gedetineerd in het Jeugdhuis van Bewaring De Sprang te 's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 maart 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en van welke nadere omschrijving tenlastelegging een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met afrek van voorarrest, met beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof acht bewezen dat de medeverdachte [Van G.] de zak met puin alleen heeft gegooid. Nu de verdachte in deze geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, dient te worden bezien of sprake is van feiten of omstandigheden waaruit niettemin moet worden geconcludeerd dat met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde een zodanig nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en [Van G.] heeft bestaan dat sprake is van medeplegen door de verdachte.

Het hof is van oordeel dat zodanige feiten of omstandigheden onvoldoende zijn komen vast te staan. Met name is niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het gooien van de zak met puin daarover in instemmende zin met [Van G.] heeft gesproken dan wel anderszins heeft gecommuniceerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Voorwaardelijk opzet:

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn mededader opzettelijk vanaf een over een snelweg gelegen viaduct min of meer zware stukken steen hebben laten vallen, en wel bewust op het moment dat een op die snelweg rijdende auto zich (zeer) dicht bij dat viaduct bevond. Van algemene bekendheid is dat een dergelijk handelen een aanmerkelijke kans schept op het ontstaan van dodelijk letsel bij inzittenden van die auto. Bij gebrek aan contra-indicatie op dit punt is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte - evenals zijn mededader - zich van die kans bewust is geweest en het ontstaan van dodelijk letsel als gevolg van dat handelen heeft aanvaard. Derhalve is verdachtes opzet in voorwaardelijke zin gericht geweest op de dood van [het slachtoffer].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Toepasselijk sanctierecht

De raadsman heeft verzocht om toepassing van artikel 77c van het wetboek van Strafrecht. Het hof wijst dit verzoek af omdat in de rapportages met betrekking tot de persoon van verdachte onvoldoende reden is te vinden voor een dergelijke toepassing, terwijl de ernst van het bewezenverklaarde feit een contra-indicatie op dit punt vormt.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op de wijze zoals hiervoor is bewezen verklaard. Verdachte en zijn mededader hebben zo doende aan het slachtoffer het leven ontnomen en onherstelbaar leed aan haar nabestaanden toegebracht. Bovendien heeft het feit in brede kring gevoelens van ontzetting en onveiligheid teweeggebracht. De buitengewone ernst van dit feit spreekt voor zich en behoeft geen nader betoog.

Niettemin komt het hof tot oplegging van een lagere straf dan in het algemeen voor moord gebruikelijk is. Het hof overweegt hierover het volgende. Hoewel verdachtes handelen wettelijk moet worden gekwalificeerd als het medeplegen van moord valt anderzijds niet te loochenen dat dit delict zich hier in een a-typische verschijningsvorm voordoet. Levensberoving was niet het doel dat verdachte beoogde. Wel heeft verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarvan de dood van een ander het gevolg zou zijn, maar dit gedrag moet als van een beduidend minder crimineel gehalte worden beschouwd dan meestal bij moord het geval is.

Voorts laat het hof de conclusie van de psycholoog dat verdachte met betrekking tot het bewezenverklaarde in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar is te achten bij de strafoplegging meewegen, evenals het feit dat verdachte first offender is.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [nabestaanden]

In het onderhavige strafproces hebben [nabestaanden] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 3.233,85.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 1.487,65. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 1.487,65 materiële schade is geleden. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het tenlaste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot voornoemd bedrag worden toegewezen.

Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij niet aangetoond dat deze materiële schade rechtstreeks is geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 2.061,68, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden [nabestaanden]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.487,65 ten behoeve van de nabestaanden [nabestaanden].

Vordering tot schadevergoeding [naam]

In het onderhavige strafproces heeft [naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 3000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 2.612,35, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande [naam]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 3.000,00 ten behoeve van de nabestaande [naam].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaanden] tot een bedrag van

EUR 1.487,65 (duizend vierhonderdzevenentachtig euro en vijfenzestig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op EUR 2.061,68 - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormelde bedragen door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaanden] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden, [nabestaanden], [adres], van een bedrag van EUR 1.487,65 (duizend vierhonderdzevenentachtig euro en vijfenzestig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 29 (negenentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van de nabestaanden niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden [nabestaanden] komt te vervallen voorzover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot het gevorderde bedrag van

EUR 3.000,00 (drieduizend euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op EUR 2.612,35 - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormelde bedragen door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande, [naam], [adres], van een bedrag van EUR 3.000,00 (drieduizend euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van de nabestaande niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande [naam] komt te vervallen voorzover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande.

Dit arrest is gewezen door mr. Wurzer, mr. Schaar en mr. Van den Broek, in bijzijn van de griffier

mr. De Boer. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 maart 2006.