Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV4665

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
14-03-2006
Zaaknummer
C03/1726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet, schending van vertrouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 27 januari 2006

Rolnummer: 03/1726

Rolnr. rechtbank: 116877 CV EXPL 03-563

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE,

negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

WERKNEMER,

wonende te X,

appellant,

hierna te noemen: Werknemer,

procureur: mr. E.J.P. Nolet,

tegen

STADSVERVOER DORDRECHT B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: SVD,

procureur: mr. M.J.M.T. Keulaerds.

Het geding

Bij exploot van 15 oktober 2003, hersteld bij exploot van 31 oktober 2003, is Werknemer in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 juli 2003 door de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven, houdende vermeerdering van eis, heeft Werknemer drie grieven tegen het vonnis aan-ge-voerd, die door SVD bij memorie van antwoord zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder ‘omschrijving van het geschil’ sub 1. van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden, met uitzondering van het feit van de afgesloten brandstof- en motoroliepompen.

2. Het geschil gaat over het volgende. SVD heeft Werknemer op 4 oktober 2002 op staande voet ontslagen, omdat hij zonder de benodigde toestemming van een leidinggevende motorolie uit de pomp van SVD heeft gehaald voor zijn privé-auto. Werknemer betwist de geldigheid van het ontslag op staande voet en vor-der-de in eerste aanleg onder meer doorbetaling van het loon. De rechtbank heeft de vorderingen van Werknemer afgewezen.

3.1. De eerste grief luidt als volgt:

“Ten onrechte heeft de Rechtbank sector kanton te Dordrecht in het eindvonnis d.d. 17 juli 2003 onder meer overwogen: “ofschoon hij wist dat het gebruik van de producten welke aan werkgeefster toebehoorden, niet was toegestaan zonder toestemming van een leidinggevende, heeft Werknemer desondanks olie getankt zonder die toestemming.””

3.2. In de toelichting bij de grief voert Werknemer aan dat op een reguliere avond bij SVD twee dienstleiders werken en niet twee bedrijfsleiders. Op 1 oktober 2002 bleken de twee dienstleiders op cursus te zijn. Werknemer stelt dat op dat moment bij hem niet bekend was wie de leidinggevende voor die avond was, zodat hij in overleg met zijn collega Y heeft besloten zonder voorafgaande toestemming de olie te gebruiken.

4.1. De tweede grief luidt als volgt:

“Ten onrechte heeft de Rechtbank sector kanton te Dordrecht in het eindvonnis d.d. 17 juli 2003 onder meer overwogen: “Dat de leidinggevenden niet bereikbaar zouden zijn, was een aanname, omdat Werknemer het zelfs niet heeft geprobeerd.””

4.2. In de toelichting bij deze grief stelt Werknemer dat de overweging van de rechtbank niet juist is. Ter motivering voert hij daartoe het volgende aan. Werknemer heeft, voordat hij de motorolie in zijn auto heeft gedaan, in de kantine gevraagd waar de twee dienstleiders zich bevonden. Deze dienstleiders bleken op cursus te zijn. Deze situatie is uitzonderlijk. Het was Werknemer niet gemeld en daarom niet bekend dat de twee dienstleiders waren vervangen door twee bedrijfsleiders.

5. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat alle werknemers van SVD op de hoogte waren van de regel dat er pas producten van de werkgeefster voor privégebruik mochten worden gebruikt nádat daarvoor toestemming was gegeven door een leiding-gevende. Verder staat vast dat er op 1 oktober 2002 leidinggevenden op de werkplek aanwezig waren. Tevens is niet weersproken dat op de werkplek een (vast) telefoontoestel was waarmee te allen tijde een leidinggevende kon worden bereikt. In deze omstandigheden doet het er niet toe of er dienstleiders op cursus waren of dat Werknemer overleg heeft gepleegd met een collega in een functie van gelijk niveau als de zijne. Werknemer heeft de duidelijke reeds jaren bestaande regel geschonden dat hij geen producten mocht gebruiken zonder toestemming vooraf van een leidinggevende, terwijl hij wel de mogelijkheid had een leidinggevende te bereiken die avond. De eerste twee grieven falen.

6.1. De derde grief luidt als volgt:

“Ten onrechte heeft de Rechtbank sector kanton te Dordrecht in het eindvonnis d.d. 17 juli 2003 onder meer overwogen: “ofschoon hij wist dat het gebruik van de producten welke aan werkgeefster toebehoorden, niet was toegestaan zonder toestemming van een leidinggevende, heeft Werknemer desondanks olie getankt zonder die toestemming. Hij was daartoe in de gelegenheid omdat hij sleutelhouder was. Het staat tussen partijen vast dat sleutelhouders vertrouwensposities innemen. Derhalve heeft SVD er alle belang bij dat de regels aangaande de toestemming strikt wordt nageleefd, juist door degene die vrijelijk over de producten konden beschikken. Het feit dat Werknemer zonder toestemming olie heeft weggenomen levert dan in principe een dringende reden op.””

6.2. In de toelichting bij de grief betoogt Werknemer dat hij niet heeft erkend een vertrouwenspositie te bekleden en dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerde feitelijke toedracht. Werknemer voert over de feitelijke toedracht onder meer aan dat bij aanvang van de dienst een sleutelhouder de toegang naar de vloeistoffen opent en dat de rest van de avond dit gedeelte niet meer wordt afgesloten en voor de werknemers vrij toegankelijk is.

7. SVD heeft de voornoemde weergave van de feitelijke toedracht betwist en heeft herhaald dat de sleutelhouders beschikken over een sleutel die toegang biedt tot de afgesloten brandstof- en motoroliepompen van SVD. SVD stelt dat dit systeem er op gericht is dat zelfs monteurs niet zelf bij de olie kunnen die zij voor hun werk nodig hebben. Zij dienen daartoe vooraf toestemming te vragen aan één van de bedrijfsleiders van SVD. Vervolgens vragen de bedrijfsleiders aan een chauffeur/wagenwasser de pomp met de sleutel te ontsluiten.

8. Het hof overweegt als volgt. Als uitgegaan zou worden van de lezing van Werknemer dat een wijdere kring van werknemers dan alleen de zogeheten sleutel-houders feitelijk toegang had tot de producten van SVD, dan doet dat niet af aan het vertrouwen dat SVD aan een werknemer geeft door hem een sleutel voor de vloeistoffen te geven. Aan Werknemer kan toegegeven worden dat die vertrou-wenspositie wel minder pregnant is als gedurende een dienst alle werk-nemers van SVD feitelijk toegang zouden hebben tot de vloeistoffen. Als het hof ver-vol-gens echter alle om-stan-dig-heden van het geval toetst, waaronder ener-zijds het vaststaande feit dat Werknemer reeds om 21.15 uur olie heeft getapt en hij dus nog een aantal uren de tijd had gehad tot het einde van zijn dienst om 02.00 uur om een andere oplossing te vinden of toestemming van een leiding-gevende te vragen en niet is gebleken van een noodsituatie, maar ook anderzijds de per-soonlijke omstandigheden van Werknemer – zoals onder meer dat Werknemer reeds 17 jaar in dienst is, er weinig andere formele aanmerkingen op zijn gedrag zijn geweest, hij een gezin met vijf kinderen moet onderhouden en privé-problemen heeft gehad – dan komt het hof toch tot het oordeel dat Werknemer het vertrouwen van SVD zo ernstig heeft geschonden dat het ontslag op staande voet gerecht-vaardigd was. Ook de derde grief faalt.

9. Nu de grieven falen, is het verleende ontslag niet nietig en zijn de bij vermeerdering van eis ingestelde vorderingen niet toewijsbaar.

10. Het bewijsaanbod van Werknemer wordt gepasseerd, omdat het niet ter zake dienend is. Hetgeen collega Y als getuige naar voren zou kunnen brengen, is immers niet relevant nu onbetwist is dat pas ná toestemming van een leiding-gevende olie kan worden getapt en vast staat dat Werknemer die toestemming niet had.

11. Het vonnis zal worden bekrachtigd, hetgeen Werknemer in hoger beroep heeft gevorderd, zal worden afgewezen, en Werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, van 17 juli 2003 gewezen tussen partijen;

- wijst het door Werknemer in hoger beroep gevorderde af;

- veroordeelt Werknemer in de kosten van het hoger beroep, tot op dit arrest aan de zijde van SVD bepaald op € 205,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris voor de procureur;

- verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, C.G. Beyer-Lazonder en

M.H. van Coeverden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2006 in aanwezigheid van de griffier.