Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV4661

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
14-03-2006
Zaaknummer
C05/203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad ex 223 Rv, niet ontvankelijk nu geen hoger beroep is ingesteld na kort geding tot uitvoerbaarheid bij voorraad en geen nieuwe feiten en omstandigheden na dit kort geding zijn gesteld of gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 27 januari 2006

Rolnummer: 05/203

Zaak/nummer rechtbank: 461370/03/416

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

SUMMIT MOTORS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante

hierna te noemen: Summit,

procureur: mr. W. Taekema,

tegen

WERKNEMER,

wonende te X,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Werknemer,

procureur: mr. M.A. Goedkoop.

Het geding

Bij exploot van 22 oktober 2004, hersteld bij exploit van 26 november 2004, is Summit in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 10 oktober 2003 en het eindvonnis van 23 juli 2004 door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen. Summit heeft bij memorie van grieven tevens incidentele conclusie ex artikel 223 Rv (met producties) vier grieven opgeworpen. Daarna heeft Werknemer een memorie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv genomen. Partijen hebben de stukken overgelegd en arrest gevraagd in het incident.

Beoordeling van de incidentele vordering

1. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1 Op 19 februari 1973 is Werknemer in dienst getreden van Automobielbedrijf Blijdorp B.V. Bij brieven van 17 en 23 mei 2002 heeft Summit aan Werknemer een uitgewerkt voorstel tot vervroegd uittreden gedaan, die in een door partijen ondertekende brief van 24 mei 2002 is bevestigd. Aan die overeenkomst is in zoverre uitvoering gegeven doordat Werknemer vóór

1 juni 2002 een aanvraag voor een vroegpensioen heeft ingediend en zijn arbeidsovereenkomst per 30 november 2002 is geëindigd.

1.2 Op vordering van Werknemer heeft de rechtbank bij het bestreden eindvonnis beslist:

"a. verklaart voor recht dat de overeengekomen regeling, zoals vastgelegd in het door beide partijen ondertekende schrijven, met Werknemer van 23 mei 2002, dient te worden nagekomen.

b. veroordeelt Summit om aan Werknemer te betalen over de periode

1 december 2002 tot en met augustus 2006 een bedrag van € 2.153,22 bruto per maand, welk bedrag wordt geïndexeerd met ingang van de dag en met een percentage gelijk aan het door het pensioenfonds toegepaste percentage van indexering over de maandelijkse uitkering van het vroegpensioen dat Werknemer ontvangt;

c. veroordeelt Summit om maandelijks aan Werknemer te betalen vanaf

1 september 2006 tot aan de maand dat hij 65 jaar wordt een bedrag van

€ 2.000,78, welk bedrag wordt vermeerderd met de indexeringen zoals hiervoor omschreven zoals die zijn toegepast en zullen worden toegepast door het pensioenfonds vanaf 1 december 2002 tot aan de laatste dag dat Werknemer vroegpensioen zal ontvangen;

d. veroordeelt Summit tot betaling van de wettelijke rente over de bedragen als genoemd onder b voorzover deze opeisbaar zijn tot en met juni 2004 met ingang van de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

e. veroordeelt Summit tot betaling van een bedrag van € 750,00 netto terzake van de personeelsregeling, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 december 2002 tot een bedrag van algehele voldoening;

f. wijst af het meer of anders gevorderde.

veroordeelt Summit in de kosten van de procedure (…)."

1.3 Bij vonnis in kort geding van 14 juni 2005 is het bestreden eindvonnis op vordering van Werknemer alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.4 Summit heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis in kort geding van 14 juni 2005.

1.5 Summit vordert in het onderhavige incident, dat de door de voorzieningenrechter bij wijze van correctie bevolen uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden eindvonnis wordt geschorst.

2. Het hof overweegt als volgt.

2.1 Naar het oordeel van het hof verbiedt de goede procesorde, dat Summit in de onderhavige procedure bij incidentele vordering ex artikel 223 Rv schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad vordert van het bij vonnis in kort geding alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindvonnis van 23 juli 2004, behoudens nieuwe feiten en omstandigheden na het kort geding gebleken. Het thans door Summit ter onderbouwing van haar vordering gestelde is door Summit al in het eerdere kort geding naar voren gebracht. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Het hof zal daarom Summit niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Daarbij past een kos-ten-ver-oordeling van Summit.

3. Het vorenoverwogene brengt mee dat in de hoofdzaak kan worden doorgeprocedeerd. Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord aan de zijde van Werknemer.

Beslissing

Het hof:

In het incident:

- verklaart Summit niet-ontvankelijk in haar vordering tot schorsing van de in kort geding bevolen uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis van de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotter-dam, van

23 juli 2004, gewezen tussen par-tijen;

- veroordeelt Summit in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Werknemer bepaald op € 894,- aan salaris voor de procureur;

- verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 9 maart 2006 tot het in rechtsoverweging 3 vermelde doel.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In 't Velt-Meijer, C.G. Beyer-Lazonder en M.H. van Coeverden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

27 januari 2006 in bijzijn van de griffier.